maandag 19 januari 2015

Tristan und Isolde in Wenen (live stream) (***)


WHAT A LITTLE MOONLIGHT CAN DO

Prêt-à-porter, zo karakteriseerde Gerard Mortier ooit smalend het werk van David McVicar. Dat gaat zeker niet op voor 's mans beste producties voor Glyndebourne of Covent Garden maar zeker wel voor deze "Tristan und Isolde" waarvoor wij in de zomer van 2013 geen kaartjes konden bemachtigen. Much ado about nothing, zo blijkt nu. McVicar lijkt te produceren à la tête du client en dus krijgen we zijn beste werk nooit te zien aan conservatieve huizen als Wenen of New York. Een operahuis krijgt de regisseur die het verdient, zo lijkt het wel. Anders uitgedrukt, wanneer gaat iemand de Weense Staatsopera eindelijk eens op het spoor van de 21e eeuw zetten ? Dominique Meyer zal het niet zijn, zoveel is duidelijk.

Voor het eerste bedrijf laat scenograaf Robert Jones het karkas van een boot aanrukken, een gestileerde kaarsrechte boom met een kroon van neonlicht torent fallisch uit over het tweede bedrijf, een rotspartijtje doet dienst als Kareol. Een (meestal) bloedrode maan overgiet de scène met stemmig licht maar daar is in deze captatie weinig van te merken, al twijfel ik niet aan de efficiëntie van de immer vakkundig opererende Paule Constable. Streaming gebeurt doorgaans met slechts 2 camerastandpunten en dit keer ging er heelwat verloren.
Daar moesten we het mee doen. De rest werd overgelaten aan het talent van de solisten. Wat er dan doorgaans ontstaat heet in het Duits "Rampenstehtheater".

Om maar meteen ter zake te komen: de voorspelbaarheid die weegt op deze voorstelling is dodelijk. Ze catapulteert ons terug naar het anemische theater van de jaren 50. Dat hoeft niet eens een probleem te zijn als je solisten hebt die zulke routineuze regieconcepten weten te torpederen met een overmaat aan persoonlijkheid. Maar noch Peter Seiffert, noch Iréne Theorin behoren tot deze categorie. Podiumbeesten zijn aan hen niet verloren gegaan. Voor een intelligente rolinterpretatie die de routine overstijgt, moet je elders zijn.

Tweemaal wil Tristan zijn Isolde kussen vóór het drinken van de doodsdrank. Haar doodsdrift lijkt hem te exciteren en ze vliegen mekaar om de hals zonder het effect van de drank af te wachten. Het is zowat de enige insteek van de regisseur.

Het grote liefdesduet is doodsaai want van chemie tussen de geliefden is geen sprake. Krampachtig houden ze hun handjes vast en delen ze aaitjes uit.

Iréne Theorin zat meteen in haar rol met een uitstekende projectie. Zoals steeds is ze op haar best in de dramatische uithalen. De passages met halve stem neemt ze met zoveel vibrato dat het lelijk wordt. De Liebestod lukt haar aardig maar het scenische effect van de zinkende maan en het aanzwellende licht ging in deze captatie grotendeels de mist in.

Petra Lang fraseert mooi, articuleert erg nadrukkelijk alsof ze de "Bayreuth bark" terug wil introduceren, injecteert haar voordracht met een ongepaste teutoonse ernst, lijkt een boon te hebben voor archaïsche gestiek uit de jaren 50 en grijnst zo vaak dat "Tristan und Isolde" op een reclamespot voor tandpasta begint te lijken.

Peter Seiffert is één van die zangers wiens impact eigenlijk alleen in een zaal te beoordelen valt. Over de souplesse die eens over zijn bejubelde Lohengrin regeerde, beschikt hij vandaag niet meer maar echte heldentenorale power heeft hij nog steeds in huis en hij kan daar nog steeds met grote zinnelijkheid mee uitpakken. Niet op CD dus maar wel in de zaal. In tegenstelling tot Theorin kan hij zij vibrato beheersen in de stillere, lyrische passages maar de intelligente nuancering van een liedzanger bereikt hij nooit. Daarentegen was zijn grote uithaal bij "Sehnen, sehnen", halfweg het derde bedrijf, grandioos.

Albert Dohmen deed weer eens zijn best als Koning Marke. Dat betekent doorgaans niet zoveel. Bezieling, nuancering zoek je bij hem tevergeefs. In de pauze begon hij te schelden op het Regietheater (zonder te preciseren wat hij daarmee bedoelt) en een lans te breken voor de herwaardering van de zanger, waarmee hij de staatsopera vooral een vrijgeleide wilde bezorgen voor het soort theater dat zij bedrijft. "Die kein Himmel erlöst" kon hij de dynamische boost niet geven die vereist is. "Den unerforschlich tief geheimnisvollen Grund" leek uit de keel van een kikker te komen. Spuuglelijk was zijn vestimentaire outfit. Tongenaren zullen er Ambiorix in herkennen, de rest van de wereld de Yeti. Zijn gepantserde handlangers waren net niet dolkomisch ook al leken ze ontsnapt uit een aflevering van Monty Python.

Tomas Konieczny zette zijn kernachtige bariton in voor een uitbundige Kurwenal maar liet ook vaak een onaangenaam timbre horen.

"Mit heisses Herz und kühlen Kopf ", zo wilde Peter Schneider deze Tristan te lijf gaan en hij deed dat uitstekend. Niets op aan te merken.

De Staatsopera mag zich best wat minder op de borst kloppen met haar streaming service. Vele uren heeft het mij gekost om de stream op mijn beamer te krijgen. De contrastverhouding was verre van optimaal. Twee korte storingen deden zich voor en éénmaal moest ik manueel ingrijpen na een complete blokkering. Moeilijk te zeggen of dat aan de internetverbinding lag. Airplay via de Ipad is nog steeds niet mogelijk terwijl Glyndebourne en München dit allemaal probleemloos aanbieden en bovendien geheel gratis.

"Wie traurig ist der Opernalltag im Haus am Ring?" Het is een vraag die ik mij wel eens stel. De Weense Staatsopera zal een goede reden moeten verzinnen om mij opnieuw aan het scherm te kluisteren : het Elektra-debuut van Nina Stemme bijvoorbeeld.

zaterdag 17 januari 2015

Don Giovanni in Brussel (via streaming)


GUESS WHO'S COMING TO DINNER (****)

Theaterliefhebbers onder u zullen zich ongetwijfeld nog de magistrale theatermarathons van "De Gebroeders Karamazov" en "De Meester en Margarita" herinneren in de Antwerpse Singel in de regie van Krystian Lupa, een theater dat dreef op filosofische en existentiële reflectie rond figuren in een gedehumaniseerde wereld. Krzysztof Warlikowski is gepokt en gemazeld in die school. Ook bij hem staat of valt de voorstelling bij de gratie van de acteur en Siegmund Freud laat hij steevast toekijken vanuit de coulissen. Dat Gerard Mortier en Peter de Caluwe een even grote fascinatie delen voor de Poolse regisseur heeft mij lange tijd verwonderd. Tot gisteren eigenlijk. Want tot mijn scha en schande moet ik bekennen alle (naar verluidt) geslaagde producties van Warlikowski in Brussel (Medea, Macbeth, Lulu) te hebben gemist terwijl de voorstellingen die ik wel zag (Parsifal, Koning Roger in Parijs) mij slechts fragmentrisch konden overtuigen. Met deze Don Giovanni zetten de Poolse regisseur en zijn team terug de puntjes op de i. Het resultaat is een masterclass in operaregie, die jammergenoeg geëclipseerd wordt door de middelmatige vocale prestaties van zowat alle solisten en het doorgaans kleur- en spanningsloos agerende orkest onder leiding van Ludovic Morlot. Afgaande op het lauwe applaus dat volgde na de registratie van 18 december meende het Brusselse publiek iets anders te hebben gezien.

De Don Giovanni van Lorenzo da Ponte is een libertijn in de zin van Markies de Sade, een vrijgeest voor wie alleen het natuurlijke instinct telt en het persoonlijk nastreven van eigen zinnelijk genot het eigenlijke doel is. Hij is tevens een product van de Verlichting. Tijdens het hoogtepunt van het feestje in het eerste bedrijf, wanneer hij "Viva la liberta!" aanheft, zou een regisseur vandaag gemakkelijk kunnen scoren door covers van Charlie Hebdo te laten aanrukken. Tot zulke anekdotiek laat Warlikowski zich zelden verleiden. Zijn omgang met de iconografie van onze tijd is doorgaans veel subtieler. Laat ik enkel het mooiste voorbeeld in deze productie aanstippen : om haar jaloerse verloofde Masetto te sussen en tegelijk te prikkelen laat hij de erg manipulatieve Zerlina "Vedrai, carino" zingen als een go-go girl, uitgerust met plateauzolen en een koptelefoon om de hals, heupwiegend op een table dance podium in het uitbundige schijnsel van een gele discospot, een scène die door de camera's van Bel Air dankbaar in ontvangst wordt genomen. Met de spanning die hij daarmee creëert tussen een 18e eeuws muzikaal gegeven en de uitgaanscultuur van onze tijd wekt hij een huivering op die recht naar het hart gaat van hedendaagse operaregie.

Maar de kern van Don Giovanni's bestaan draait rond zijn ontembaar libido en de fascinatie die vrouwen daarvoor koesteren. Zowel mannen als vrouwen kunnen zich met het personage identificeren. Aldus ontstaat een mythe. Bij Warlikowski is dat niet anders. Hij laat het 18e-eeuwse gegeven alleen afglijden naar de ziekelijke decadentie van onze tijd. Moest Don Giovanni in de context van het ancien régime wegens zijn bandeloosheid naar de hel, hier gaat hij ten gronde aan zijn eigen onbevredigbare obsessie met sex. In een tijd waarin zelfs priesters wegkomen met het sexueel misbruiken van kinderen kan Don Giovanni niet meer naar de hel worden gestuurd. De ijskoude hand van de stenen gast in de finale nemesis is in de lezing van Warlikowski niets meer als een katalysator voor het onafwendbare proces waarmee hij zichzelf tot zelfmoord drijft. Honderd jaar later zal Richard Wagner daar met Parsifal een antwoord op trachten te formuleren.

Vorig jaar had Kasper Holten in Londen al uitstekende beelden aangeleverd voor Don Giovanni's existentiële eenzaamheid en zijn pathologische beverjacht. Warlikowski doet precies hetzelfde, gaat daarin nog een stapje verder en laat zich daarbij inspireren door de film "Shame" waarin Steve McQueen nooit eerder aangeboorde bronnen van de menselijke drift laat zien met Michael Fassbender als de aan sex verslaafde Brandon in de hoofdrol.

En dus geeft Warlikowski Mozarts ouverture als soundtrack bij een video, gedraaid in zwart-wit, waarin hij een scène laat naspelen uit McQueens film : net als Brandon laat hij zijn aan sex verslaafde Don Giovanni spannend oogcontact houden met een meisje in de metro (dat later Zerlina zal blijken te zijn) en dat eindigt -typisch voor Don Giovanni's- met stomende sex in een hotelkamer. Vanuit de beide zijloges slaan de commandeur, zijn dochter en haar beide minnaars het tafereel gade. En iedereen in dit stuk wordt opgejaagd door opspelende hormonen. Zelfs de commandeur amuseert zich met een jonge blonde vrouw.

Daarvoor had een korte gemimeerde proloog reeds duidelijk gemaakt dat Donna Anna nauwelijks moet onderdoen voor Don Giovanni. Moeiteloos zapt ze van haar ietwat saaie verloofde naar haar meer opwindende minnaar. Vooral geeft ze blijk van een stevige vaderbinding, die maakt dat al haar relaties een kort leven beschoren zijn. Net zoals Kasper Holten maakt Warlikowski al snel duidelijk dat Donna Anna het hele verkrachtingsverhaal uit haar duim zuigt, iets wat voor Da Ponte's tijd een nog groter taboe was maar dat hij subtiel suggereert door Donna Anna een jaar uitstel te laten vragen aan haar verloofde Don Ottavio.

Met haar uitdagende attitude brengt ze haar vader in de problemen waarop deze door Don Giovanni wordt afgeknald, een impulsieve daad die hij meteen lijkt te betreuren.
De actie verlegt zich nu naar een bordeelachtige lounge, compleet met flipperkast en discobal en glimmend chesterfieldmeubilair die ook een dressing herbergt waaruit de Don zijn pakken plukt. Ook de veel te korte broek en de rode lakschoenen.

Jean-Sébastien Bou speelt Don Giovanni met de emotionele leegte van Brandon. Hij lijkt ook sterk op Michael Fassbender en lijkt om die reden te zijn gecast. Vocaal is Bou echter een maatje te klein. Zijn voordracht kan zelden boeien zodat sommige van de meest populaire aria's uit het stuk zoals de champagnenario of de canzonetta "Deh! vieni alla finestra" compleet de mist ingaan. Bou laat zich meedrijven door de vaart der dingen terwijl Mozart muziek schreef voor een libertijn die het heft in eigen handen neemt, voortdurend gedwarsboomd wordt maar met open vizier zijn morele straf tegemoet gaat. Hoe zou die andere Pool, Mariusz Kwicien , of een andere charismatische zanger als Simon Keenlyside of zelfs een macho als Erwin Schrott het door de regisseur gewenste personage invullen? Dat is de vraag waarmee je in deze productie blijft zitten.

Zijn favoriete kindvrouwtje, " la giovin principiante", speelt de onschuld met touwtjespringen. Regelmatig spookt ze door het beeld evenals de commandeur wiens herinnering hem kwelt.

Leporello is als zijn dubbelganger en tijdens de verkleedpartij is hij nauwelijks nog te onderscheiden van zijn meester. De catalogusaria houdt hij eerder ter bevestiging van de reputatie van zijn meester dan voor Donna Elvira die al snel wegvlucht na de monsterlijke onthulling. Andreas Wolf zingt een behoorlijke maar wat bleke Leporello. Rinat Shaham spartelt zich niet zonder moeite door de partij en krijgt haar wakkelend vibrato eigenlijk nooit onder controle. Haar spel is beter.

Een naakte zwarte danseres houdt het libido van de mannelijke toeschouwer op peil met een extatische danceact die tevens het eerste bedrijf prachtig afsluit. Minder geslaagd is de urenlange vermomming van meester en knecht als (ongewilde?) haatbaarden uit het TV-nieuws. Als het feest zijn kookpunt bereikt grijpt Don Giovanni naar een pistool dat hij tegen zijn slaap houdt. Een vrouw op leeftijd neemt hem het pistool liefdevol uit handen na zich eerst van rok en bloes te hebben ontdaan. Een krachtiger beeld van de Don Giovanni-mythe kan je moeilijk bedenken.

Grandioos wat een podiumdier als Barbara Hannigan allemaal tot stand weet te brengen. Haar faciale expressie kent geen grenzen. Tot tweemaal toe zal ze zich, met de katachtige lenigheid haar eigen, in de armen smijten van haar verloofde. Die verloofde ontlokt haar ook alle coloraturen van "Non mi dir, bell' idol mio" door haar oraal te bevredigen. Nooit zal u deze aria nog kunnen beluisteren zonder aan deze scène te denken. Hannigan kan hier ook tijdelijk vocaal schitteren. Want een Donna Anna is zij geenszins. Daarvoor ontbreken haar het volume en de evidente spinto mogelijkheden. Dat zij zich deze rol heeft laten aanpraten heeft ongetwijfeld alles te maken met Warlikowski. Tussendoor ambieert ze ook nog een carrière als dirigent.

Don Ottavio is geen watje en laat zich niet zomaar overtuigen door de overredingskracht van "Or sai chi l'onore" ook al moet hij dat met zijn hoofd tegen haar broekje aanhoren. Dat spoort niet volledig met de tekst van "Dalla sua pace" die daarop volgt maar hij laat zijn frustratie dan ook doorlopen tijdens de aria. Topi Letipuu, een man met behoorlijk wat Mozartervaring, lijkt af te stevenen op een stevige stemcrisis. Kon "Dalla sua pace" nog redelijk bekoren, zijn tweede showstopper "Il mio Tesoro" was bijna pijnlijk om aan te horen. Laat staan dat hij een "messa di voce" zou laten horen.

Hoe erotiek verweven is met onze eetcultuur krijgen we te zien in de laatste scène die door Peter Greeneway lijkt te zijn geïnspireerd. Als een sterrenchef hanteert hij het mes waarmee hij een klomp rosbief te lijf gaat, hetzelfde mes waarmee hij zichzelf de keel zal oversnijden. Zelden heeft "Vivan le femmine! Viva il buon vino! Sostegno e gloria d'umanità!" zo overtuigend geklonken.

Het moraliserende slotsextet, dat Mozart heeft moeten toevoegen om door de censuur te komen, wordt door Warlikowski netjes behouden. Met dit verschil dat hij het opvoert na het slotapplaus. Daardoor komt de akelige stilte na het verdwijnen van de Don te vervallen en komt het sextet extra uit de verf. Ook dat is een uitstekende vondst. Tijdens de slotmaten jaagt Donna Anna haar verloofde een kogel door het hoofd om vervolgens terug in de armen van papa Commanditore te sluipen.

Jean-Luc Ballestra als Masetto was uitstekend. Julie Mathevet als Zerlina was verrukkelijk, zowel qua spel als qua zang.
Whillard White is geen bas en miste bijgevolg de gravitas voor een echte commandeur.

Conclusie: vijf sterren voor regie en scène, 3 sterren voor zang en muziek, dat geeft een gemiddelde van vier. Soms wordt een eindoordeel bepaald door pure rekenkunde.

Nog te zien op de website van De Munt tot 27 januari :
Don Giovanni

16/18 december 2014

vrijdag 26 december 2014

Siegfried in de regie van Guy Cassiers (dvd)


SCANDINAVISCHE GODEN, DUITSE NIBELUNGEN

In de reeks vertoningen van de Ring die Guy Cassiers regisseerde werd in de Milanese Scala in oktober 2012 Siegfried opgenomen; deze captatie verscheen intussen bij ArtHaus.

Wat te denken van deze Tweede Ringdag? Ik kan mijzelf geen volkomen onbeschreven blad noemen, gezien de vele reacties die ons reeds om de oren zijn gevlogen naar aanleiding van Cassiers’ Walküre. Welnu, de eerlijkheid gebied mij diegenen gelijk te geven die de regisseur indertijd verweten veel decor en weinig theater te hebben geproduceerd. Ook hier wordt de aandacht vooral gecapteerd door de – toegegeven – soms mooi ogende en slim suggestieve lichteffecten. Je zou kunnen schermen met het belang dat Wagner zelf aan de belichting hechtte in de door hyperrealisme geteisterde theatercultuur van zijn tijd. In dat opzicht lijkt Cassiers begrepen te hebben waar het in dit type opera kan over gaan. Maar dat ontslaat er hem natuurlijk niet van ook nog iets met de acteurs te realiseren. Ik heb de indruk dat dat er – en het wordt zo stilaan de gesel van ONZE theatercultuur – voor spek en bonen bij gelaten is. Het maakt mij altijd een beetje achterdochtig wanneer ik grime en kostuums zie die met excentriciteit en/of opulentie uitpakken. Zoals daar zijn: de gescheurde mondhoeken van de Nibelungen, het vogelverschrikkersgehalte van Wanderers aankleding, of de ongeveer 5 kilometer stof aan de jurken van Erda en Brünnhilde. Op zich hoeft daar niets fout mee te zijn, maar dan moet er wel nog een leesbaar personage achter die façade huizen.

Ik vraag mij af of de zangers in deze productie aan hun lot zijn overgelaten. Of was het misschien de bedoeling om er kartonnen ventjes van te maken? Ik heb het geluk gehad door de camera te kunnen kijken, en dus wat details van invulling en expressie te kunnen waarnemen. Wie schoon geld heeft neergeteld om in de Scala binnen te geraken was er volgens mij echter aan voor de moeite.

Niet dat dat echt veel uitmaakte. Ik heb maar twee koppen in deze bezetting iets zien doen dat voor acteren kon doorgaan: de Alberich van Johannes Martin Kränzle en de Brünnhilde van Nina Stemme . Van de rest kan ik meestal niet zeggen aan wie het ligt: eigen onvermogen of een bloedarmoedige personenregie. Ik ben bijvoorbeeld bereid Peter Bronder het voordeel van de twijfel te geven. Zijn Mime was overduidelijk wél vocaal geëngageerd, maar achter het overladen uiterlijk viel er zo goed als niets visueel waar te nemen. De Wanderer van de (toen 69-jarige!) Terje Stenvold is wel present, en draagt natuurlijk de patine van ’s mans leeftijd mee, maar de slapheid waarmee hij zijn speer ziet gebroken worden is bijna lachwekkend. Anna Larsson laat mij expressief koud. Dat doet de Siegfried van Lance Ryan dan weer niet. Die maakt mij kwaad. De Canadees is in zijn rol even expressief als een ongeschilderde staldeur. Het contrast met de professionaliteit van la Stemme in het derde bedrijf kan moeilijk pijnlijker.

Vocaal is het plaatje wat meer genuanceerd. Je moet Ryan één ding nageven: hij heeft stamina. Het is er in het duet met Brünnhilde niet aan te horen dat hij er dan al een hele avond heeft opzitten. Mooi kan je zijn geluid meestal niet noemen, met soms een wobble van 9 op de schaal van Richter, maar hij houdt het. De intussen – nu ja – bejaarde Stensvold is op zijn beurt sterk in het rechthouden van zijn personage, maar veel meer ook niet. Je zou, toch in de eerste twee bedrijven, een man in de kracht van zijn jaren verwachten. De echte breuk komt er slechts 7 woorden voor hij het toneel definitief verlaat. Voor de rest rollen die goed tot uitstekend klinken. De onzichtbare dieren (het Woudvogeltje van Rinnat Moriah en de Fafner van Alexander Tsymbalyuk ) voldoen. Een goede Mime van Peter Bronder en een overtuigend gezongen Erda van Anna Larsson.

Zoals gezegd een zeer goede beurt van Johannes Martin Kränzle en van Nina Stemme. Bij beiden valt de kwaliteit van de stem op, naast de vlekkeloze techniek, in functie van het drama.

Gemengd beeld van het orkest onder Barenboim . Waar hij erg goed in is, is het balanceren van de kleuren in dit orkest. Mooi gedetailleerd en transparant. Maar waar hij dan weer vreselijk in tegenvalt is het gebrek aan energie. Ik kan niet zeggen dat er een causaal verband zou zijn tussen die twee vaststellingen, maar het valt op hoe Barenboim (en ik heb er zijn Kupfer-Siegfried op nagekeken) alweer geen raad lijkt te weten met de frenetieke rit van de Wanderer waarmee het derde bedrijf opent. Dit klinkt eerder als walking the dog… Geef mij dan maar de Solti van destijds.

Johan Uytterschaut

Het "Verdi versus Wagner" debat in Londen



Eind 2013 organiseerde het ROH dit debat tussen twee Britse journalisten, Norman Lebrecht en Philip Hensher. Lebrecht maakt zich weer eens belachelijk met soms bespottelijke argumenten pro Verdi. Met zijn mantra "Wagner excluded Jews from the arts" (terwijl Wagner iets dergelijks nooit heeft gezegd) meent hij de sympathie van het publiek te kunnen winnen. Lebrecht is zich van geen kwaad bewust want hij plaatste deze video gisteren terug op zijn website. Kortom, een echte Beckmesser! Tijdens het uitstekende pleidooi van Hensher ten voordele van Wagner zit hij te luisteren alsof hij dit allemaal voor het eerst hoort. Hoe zwak voor een muziekjournalist! Lebrecht is exemplarisch voor het totale gebrek aan kennis en empathie van sommige joodse intellectuelen voor Wagner.

Ontroerend om John Tomlinson nog eens te horen in "Wotans Abschied". Hoe hij in elke vezel nog een Wotan is, terwijl zijn stem aan diggelen ligt. Uitslag van het debat : Wagner wint met 11% voorsprong.

woensdag 24 december 2014

Die Meistersinger von Nürnberg in New York (***½)


NO GUTS, NO GLORY

Een pandemonium aan verhelderende of verrassende regie-invallen hoef je niet te verwachten wanneer de naam Otto Schenk op de affiche staat. Zo fantasieloos is de regie van deze Oostenrijkse variant van Franco Zeffirelli ook hier weer in deze 20 jaar oude enscenering van Die Meistersinger. Zijn weinig gedifferentieerde meesterzangers plaatst hij aan houten banken, de pantomime van Beckmesser is ongeïnspireerd, de choreografie van de Prügelscène en de Festwiese haast onbestaand. Laat koor en solisten aan hun lot over en je krijgt ongeveer hetzelfde plaatje. Alleen Wolfgang Wagner wist in zijn thuisbasis Bayreuth nog slechter te doen.

Scenograaf Günther Schneider-Siemssen, leek zijn oude strijdmakker naar de kroon te willen steken inzake fantasieloosheid te oordelen aan het houten voorportaal van de Katharinenkirche ter verzameling van de meesterzangers, het duffe atelier van Sachs (mooi uitgelicht weliswaar), de Festwiese met een prentkaartenviaduct. De evocatie van het middeleeuwse Nürenberg van het tweede bedrijf, met zijn stijgende trap en vakwerkhuizen, was dan weer zeer geslaagd.

En toch.. niet dankzij maar ondanks Schenk en Schneider-Siemssen viel er veel te genieten tijdens deze Meistersinger, die zich als een presentje voor maestro Levine, tegenwoordig gekluisterd aan een rolstoel, leek aan te dienen.

Annette Dasch is een lyrische sopraan met beperkte spintomogelijkheden. Dat Elsa en Elisabeth voor haar een maatje te groot zijn hadden we vroeger al kunnen vaststellen. Als Eva, de gemakkelijkste sopraanpartij binnen het Wagnervak, komt ze aardig in de buurt van het ideaal. Intonatieproblemen en minder vlotte registerovergangen ontsierden haar voordracht af en toe maar in de balans wegen ze niet door. Ze beschikt immers over tonnen vrouwelijke charme die ze ook volledig weet uit te buiten in haar spel dat barst van de koketterie. Elk frame dat de camera aan haar besteedde leverde een bloedmooi plaatje op.

Johan Botha zingt steeds alsof hij het telefoonboek leest. Dat zal nooit veranderen. Een groot interpretatief zanger is aan Botha niet verloren gegaan. Gelukkig is dat in Die Meistersinger niet zo'n probleem want de ruggegraat van zijn rol als Walther is het declameren van het prijslied en de voorbereidende studies daarvan. In geen honderd jaar kan Botha een verliefde jongeman spelen, passie staat niet eens in het vocabularium van deze door obesitas gehandicapte zangmachine. Maar hij heeft alles in huis om de partij met glans door te komen ook al hebben oudere collega's met goud in de keel als Sandor Konya de partij met meer zinnelijkheid weten te brengen. Walther von Stolzing is dan ook de enige partij binnen het Wagnervak waarin Botha redelijk te genieten valt.

Michael Volle was de eigenlijke reden om deze productie te gaan bekijken na het afzeggen van Johan Reuter en het vervangen van James Morris die zich wellicht te versleten voelde om op antenne te gaan. Maar Volle is weer arrogant, agressief zelfs, geen sprankel humor of zelfrelativering zo groot als een gloeiworm sijpelt door in zijn discours. Hij is niet bij machte de humaniteit van de erudiete Sachs, die zijn autoriteit ontleent aan de bibliotheek in zijn schoenlappersatelier, op een warm menselijke manier doorheen het hele stuk te laten resoneren. Volle voelt Sachs niet aan, denk je dan. Dat was in Salzburg (2012) ook al zo onder Stefan Herheim. Maar in tegenstelling tot Salzburg waar zijn voordracht verzoop in de akoestisch echt niet problematische ruimte van het Grosse Festspielhaus, kon zijn stem in deze electronische overdracht in haar volheid worden genoten. Rest zijn tweede probleem als Sachs : Volle is een volbloedbariton en kan het vaderlijke timbre van de grote basbaritons (type Ferdinand Frantz), die hem als Sachs zijn voorgegaan, niet in de weegschaal leggen. Laten we het een kwestie van smaak noemen want Wagner heeft voor Sachs helemaal geen basbariton voorgeschreven. Net als voor Wotan verkies ik als Sachs een basbariton. Volle staat ook reeds geboekt in de Metropolitan als Wotan, een personage dat helemaal spoort met zijn temperament maar vocaal zal het een niet geringe regressie zijn tegenover Bryn Terfel. In die zin ben het helemaal niet eens met zijn bekroning door Opernwelt tot zanger van het jaar, althans niet in de rol van Hans Sachs.

Maar dan gebeurt plots een klein mirakel. We zijn dan al in de Wahn-monoloog en ironie krijgt plots de bovenhand wanneer hij de opspelende hormonen van zijn Nürenbergers weer voor het geestesoog haalt. Meer nog, tijdens het daaropvolgende duet waarbij hij Walther de knepen van het vak leert, fleurt hij helemaal op. Volle begint nu echt te boeien en hij houdt dat goed vol tot het einde, overigens zonder vermoeidheidsverschijnselen. Was zijn atypisch gedrag voordien een blijk van stress als gevolg van zijn gefrustreerde verliefdheid? Ik vermoed van niet maar de dooi van mijn problematische relatie met de Sachs van Volle is ingezet. Zijn finale monoloog wordt weer helemaal belerend en een tikkeltje agressief maar dat is in deze productie dan ook bedoeld als een reprimande aan de laurierkrans weigerende Walther. Problematischer is dat deze Sachs niet in zijn kaarten laat kijken. Van de grootheid van zijn offer krijgen we niets te zien. Enkel zijn publieke driftbui wijst ernaar. Daarvoor is een regisseur van een ander kaliber nodig dan de zogenaamd "tekstgetrouwe" Otto Schenk.
Is Hans Sachs voor Michael Volle een "work in progress", tegen 2019 wanneer hij in New York opnieuw zal aantreden in dezelfde rol, zal hij tijd genoeg hebben gehad om interpretatief te groeien en Sachs zijn ware humaniteit te bezorgen. Hopelijk zal de "Bayreuth experience" van 2017 hem daarbij helpen.

Hans Peter König liet zijn mooi getimbreerde bas voluit stromen als Pogner. Het is een rol die past bij zijn teddybeerimago. Maar tijdens het exposée van zijn koene beslissing aan de meesterzangers, klonk hij als opgejaagd door het orkest. Dat is dan wel bijzonder merkwaardig voor een dirigent die ervoor bekend staat mee te ademen met de solisten. Is een rolstoeldirigent soms ook een gehandicapte muzikale leider ? Tijdens zijn duet met Eva aan het begin van het tweede bedrijf kwam alles weer op zijn pootjes terecht.

Johannes Martin Kränzle is de beste Beckmesser van zijn generatie. Vocaal en scenisch komt hij tot een zeer bevredigende roldidentificatie. Om dat te beseffen moet je eerder teruggrijpen naar de productie van David McVicar in Glyndebourne waar hij de vis comica van het personage met meer verve weet te exploiteren. In de behandeling van Schenk zijn de karikaturale kantjes van het personage bijna volledig weggegomd maar Beckmesser als licht neurotische stadsklerk is uiteindelijk toch niet zo overtuigend. Na zijn mislukte deelname aan de zangwedstijd valt hij nergens meer te bespeuren. Een catharsis heeft Schenk voor hem niet weggelegd. Je hoopt voor hem dat deze vernedering geen levensbedreigende nasleep krijgt.

Paul Appelby zong David met veel stem, Karen Cargill een keurige Magdalene in een idiomatisch weinig overtuigend Duits. Het koor presteerde voortreffelijk tijdens het fenomenale "Wach auf ".

Hoe kun je in 5 minuten zoveel nietszeggende dingen vertellen over een stuk, als dat tot je kernrepertoire behoort, als dirigent James Levine ? De prelude tot het eerste bedrijf werd verknald door een decalage van een halve seconde tussen beeld en geluid, althans in de reprise bij Kinepolis Brugge. Gelukkig was het euvel van voorbijgaande aard. Problematischer was dat de dirigent tijdens de heikele finale van de prelude zand in de raderen van de orkestmachine leek te strooien. De prelude tot het derde bedrijf was dan weer uitstekend, bijzonder traag maar zonder te slepen en dynamisch mooi gedifferentieerd, alsof de sluier van Maya erover gedrapeerd lag. De entree van de meesterzangers was grandioos en tot de laatste maat bleef koor en orkest uitstekend functioneren.

Het eigenlijke probleem van deze productie was Otto Schenk. Die wordt nu verticaal geclasseerd. Case closed.

donderdag 18 december 2014

Afscheid van 2014


Niettegenstaande de Wagnerluwte viel er in 2014 toch heel wat te beleven. Dit zijn mijn hoogtepunten en teleurstellingen van het jaar:

OPERA

- Alvis Hermanis & Ludovic Morlot met Jenufa in Brussel
- Kasper Holten & Nicola Luisetti met "Don Giovanni" in Londen (via cinemaxx Stuttgart)
- Calixto Bieito & Dmitri Jurowski met "Lady Macbeth uit het district Mtsensk" in Antwerpen
- Lukas Hemleb & Hartmut Haenchen met Lohengrin in Madrid
- Sasha Waltz en Daniel Barenboim met Tannhäuser in Berlijn
- Andreas Kriegenburg & Kirill Petrenko met "Die Soldaten" in München
- Calixto Bieito & Gabriel Feltz met "Die Soldaten" in Berlijn
- Jonathan Kent & Antonio Pappano met "Manon Lescaut" in Londen (via Utopolis)
- Tom Cairns en Mark Elder met "La Traviata" in Glyndebourne (live stream)
- Adrian Noble & Fabio Luisi met Macbeth in New York (via Kinepolis)
- David Bösch met Elektra in Antwerpen
- David Alden met Khovansjtsjina in Antwerpen

THEATER

- Romeo Castellucci met "Go down Moses" in Antwerpen

DANS

- Peeping Tom met Vader in Antwerpen
- Sankai Juku met Umusuna in Brugge

MUZIEK

- Kolja Blacher met Brittens vioolconcerto in Stuttgart
- Het SWR kamerorkest met "Le Quatuor pour la fin du temps" in Freiburg
- Maria Joao Pires en het LSO met Mozarts pianoconcerto no. 20 in Madrid
- Tugan Sokhiev en het Deutsches Symphonie Orchester Berlin met Prokovief no. 5 in Berlijn
- Henry Texier quintet "Sky Dancers" op Europa Jazz Le Mans
- Uri Caine & Dave Douglas op Europa Jazz Le Mans
- Kenny Barron & Dave Holland op Europa Jazz Le Mans
- Het kwartet van Cecile McLorin-Salvant op Europa Jazz Le Mans
- Dave Holland en Prism op Gent Jazz
- Flat Earth Society op Jazz Brugge
- Vincent Courtois op Jazz Brugge
- Marcin Wasilewski op Jazz Brugge
- Arditti Quartet & WDR Sinfonieorchester Köln met de creatie van Toshio Hosokawa's "Fluss" in Brugge
- Jukka-Pekka Saraste & het Rotterdams Filharmonisch Orkest met Sjostakovitsj no. 8 in Brugge
- Martin Brabbins en De Filharmonie met Sjostakovitsj no. 10 in Brugge

ONTDEKKINGEN

- Vera Gimadieva als Violetta Valery in Glyndebourne
- Susanne Elmark als Marie in "Die Soldaten" in Berlijn
- Teodora Gheorgiu als Sophie in "Der Rosenkavalier" in Glyndebourne
- Günther Groissböck als Baron Ochs in Salzburg
- Ausrine Stundyte als Lady Macbeth in Antwerpen
- Liene Kinca als Chrysothemis in Antwerpen

TELEURSTELLINGEN

- Luc Perceval met Front in Gent
- De creatie van het hoboconcerto van Wim Hendrickx in Brugge
- Het ontslag van Serge Dorny in Dresden
- De contractverlenging van Katharina Wagner in Bayreuth
- Het schrappen van de transmissie van "Death of Klinghoffer" in New York
- Tanztheater Wuppertal met "Auf dem Gebirge hat man ein Geschrei gehört" in Antwerpen

GEMIST

- David Alden met Otello in cinema Utopolis (geannuleerd door ENO op het laatste moment)
- Krzysztof Warlikovski met Don Giovanni in Brussel (als gevolg van verkeerschaos in Brussel ter voorbereiding van de nationale gijzelingsactie in het leven geroepen door onze kameraden in rode en groene hesjes)

MEEVALLERS

- Het ontslag van Jonathan Meese in Bayreuth
- Het einde van het bewind van Nicolas Joel in Parijs
- Het ontslag van Alexander Pereira in Salzburg
- De knieval van Joachim Köhler

KATASTROFE V/H JAAR

- Het overlijden van Gerard Mortier

CLOWN VAN HET JAAR

- Bernd Weikl met zijn mislukte poging om politiek correct Duitsland een hak te zetten

DVD

- Eric Schulz : The world of the Ring
- Stephen Langridge met Parsifal in London
- François Girard met Parsifal in New York

BOEKEN

Gerard Mortier : Dramaturgie van een passie
Patrick Carnegy : Wagner and the art of the theatre
Richard Wagner : Theoretische geschriften in vertaling bij De IJzer
Pierre Boulez : Wegen naar Wagner

woensdag 26 november 2014

Lohengrin in Amsterdam (***)


EEN HEEL GEWOON RIDDERVERHAALTJE

Deze enscenering ontdoet het werk van alle fantastische en onwerkelijke elementen. Niks geen wonderlijk aura rond Lohengrin, evenmin sporen van zwarte magie bij Ortrud. Pierre Audi en decorontwerper Jannis Kounellis geven de wereld van de Brabanders vorm met grote metalen vlakken en stalen staven en dat alles met een sobere belichting.

In de eerste akte kijken we op een scènebrede stalen wand waartegen in vier rijen van 28 personen het koor zit, allen in donkere gewaden. Deze opstelling zorgt ervoor dat in deze eerste akte het koor een indrukwekkende wall of sound kan voortbrengen, echter niet zonder kleine maar storende foutjes. Voor deze wand loopt een spoorlijn. Zo blijft er wel erg weinig bewegingsruimte over voor  de protagonisten – ze bewegen zich vrijwel eendimensionaal – en daarom is de eerste akte een  statisch gebeuren. Bij de komst van Lohengrin en de zwaan – een bundel houten roeispanen bij elkaar gehouden door een ketting , op een karretje over de spoorlijn voortgetrokken – wordt duidelijk hoe Lohengrins wereld wordt getekend met hout en natuurelementen: de houten roeispanen, zijn houten staf, het bruinvilten pak, etc. Echt contrasteren met al het ijzer doet het niet, maar het valt op.

Het duet tussen Ortrud en Telramund aan het begin van de tweede akte is zeer degelijk. Michaela Schuster probeert haar personage wat meer diepgang te geven maar tegenover het passieve spel van Evgeny Nikitin wordt het soms wat grotesk. Was dit een bewuste keuze van de regie? In andere passages zien we immers wel een geloofwaardige Telramund. Na de scène met Elsa verschijnt het nu in wit geklede koor opnieuw op het toneel. Ze dragen allen een soort toga waarin armen en handen verborgen zijn. Vaak staat het koor opgesteld tegen de wanden of beweegt het zich van de ene naar de andere wand – steeds bepalen de decorelementen de koorchoreografie. Bij de benoeming van Lohengrin als "Schützer von Brabant" staan de koorleden rond ijzeren staven die uit het dak van de scène werden neergelaten; een uitdrukking van hun geloof en vertrouwen in hun nieuwe generaal. Lohengrins verschijning toont een figuur die al deels geïntegreerd is in deze Brabantse gemeenschap. Zijn bruine vilten pak is nog steeds zichtbaar maar om hem heen is een witte mantel zodanig gedrapeerd dat het lijkt alsof deze hem wil omsluiten. In het verloop van de akte zal Lohengrin een paar keer in de witte koormassa verdwijnen en er terug uit opduiken. Ensembles en spel zijn in deze akte heel wat beter, niet in de laatste plaats door de werkelijk schitterende muziek die nu uit de orkestbak opstijgt. Hier is deze voorstelling op z’n best. Dat de twijfel bij Elsa en de Brabanders is gezaaid, wordt duidelijk bij het einde van de akte. De rechte staven uit het plafond zijn plots gespleten staven geworden die het volk duidelijk in verwarring brengen.

Voor aanvang van de derde akte krijgen Albrecht en orkest veel applaus. Dat stijgt hem precies wat naar het hoofd want de akte wordt ingezet aan een veel te hoog tempo. Na een paar minuten zakken de tempi naar een normaal niveau maar deze Lohengrin wordt nooit traag. De scène staat behoorlijk vol. Centraal een twee meter hoog blok dat langs een brede trap te bestijgen is. Op dit platform staat een soort windscherm met een motief van zwanenveren. Rondom het blok staan “dingen” die met donkere doeken zijn afgedekt. Na het bruidskoor volgt de scène tussen Elsa en Lohengrin. Het is het enige moment in deze voorstelling dat de Elsa van Juliane Banse een mens van vlees en bloed is. Mooi is hoe ze toont hoe ze innerlijk gedwongen wordt de verboden vraag te stellen. Daarna moet ze weer grote emoties tonen en dat gaat haar duidelijk minder af. In het vervolg van de akte komt het koor gewapend op het toneel en worden de afdekkende doeken verwijderd. Daar liggen nu de staven maar nu helemaal gesplitst als Tsjechische egels. Lohengrin heeft opnieuw zijn (reis)kledij van de eerste akte aangetrokken en de zwaan wordt ditmaal vanuit het dak neergelaten. De Godfried Van Brabant die verschijnt is een piepjong knaapje … maar hij heeft ten minste een houten staf in de hand.

Zoals al enkele malen aangestipt speelt het orkest uitstekend met leuke extra’s zoals blazers offstage of blazers in de zaal tijdens de Morgenröte. Het koor presteert over het algemeen zeer goed. De bas Günther Groissböck is een mooie Heinrich en ondanks het feit dat hij op stelten moet lopen, is Bastiaan Everink een knappe Heerrufer. Nikolai Schukoff mist nog kracht voor Lohengrin; ’t is allemaal wat te lyrisch. Michaela Schuster (Ortrud) en Evgeny Nikitin (Telramund) zijn zeer degelijk. Juliane Banse (Elsa) had haar dagje niet. Te stil afgewisseld met te schel maar vooral leek het alsof ze steeds verloren liep in deze voorstelling.

We hebben van Pierre Audi al veel mooie dingen gezien – Wagner en andere – maar dit is toch een van zijn minder geslaagde producties. Zelf denk ik dat de romantische aspecten in Lohengrin een essentieel onderdeel van het verhaal vormen en dat het weglaten ervan het werk verlaagt naar het niveau van een heel gewoon ridderverhaaltje.

Lohengrin – Nationale Opera en Ballet, Amsterdam – gezien op 13 november