vrijdag 15 juli 2016

Christof Loy met Wozzeck in Frankfurt (****)


Audun Iversen (Wozzeck), Claudia Mahnke (Marie)
© Monika Rittershaus
ANGST ESSEN SEELE AUF

Christof Loy heeft het "Arme Leut"-thema in Wozzeck met opzet afgezwakt. Immers, Wozzeck wordt daardoor iets te gemakkelijk in de slachtofferrol geduwd, vindt Loy. Zelfmedelijden vindt zijn weg niet naar Loy's acteursregie. Liever laat hij zich leiden door Johann Christian Clarus, de dokter die de historische Wozzeck destijds onderzocht en zijn gestoorde waarnemingsvermogen als angstpsychose verklaarde. Loy's regie van het titelpersonage is vooral toegespitst op zijn handen. Die houdt hij in alle mogelijk varianten aan zijn lichaam, in momenten van radeloosheid plaatst hij ze tegen de wand. Ook de Hauptmann en de Doktor zijn afgezwakt in hun gebruikelijke karikaturale typering. De Hauptmann is enkel te herkennen aan zijn boots.

Het decor van Herbert Murauer is een doos met twee verschuifbare binnenmuren. Voor de meeste scènes valt dat een beetje pover uit. Alleen een goudgeel korenveld brengt enige kleur en anekdotiek in deze steriele omgeving. De wetenschappelijke ambities van de dokter worden in de scenografie niet uitvergroot. Als een stel proefkonijnen zit het koor in de wachtzaal. In Darmstadt heb ik John Dew met even weinig middelen een groter effect weten bereiken.

Grandioos was het gehumde koor van de slapende soldaten (allen op een rij, gezeten op een stoel, in ondergoed) in de scène vlak voor Wozzeck op zijn donder krijgt van de tambourmajoor. De scènes in de Wirtshausgarten en de Schenke waren voldoende levendig.

De moord op Marie regisseert Loy als een Javaans schimmenspel in zwart wit alsof een kortsluiting in Wozzecks brein heeft plaatsgevonden. Het personage van de nar laat hij de ultieme woorden van Maries zoontje ("hop hop") zingen. Tijdens de uitdovende akkoorden van het orkest houdt hij zijn handen voor de ogen van het nieuwbakken weeskind. Sterk.

Audun Iversen zong een heel doorleefde Wozzeck met een fraai timbre en heel geslaagde dramatische accenten.Vincent Wolfsteiner, de slanke en niet zo fraaie heldentenor van het huis, zong een aanvaardbare tambourmajoor. Zenuwachtige druktemakers als de Hauptmann zijn op het lijf geschreven van Peter Bronder. Zijn Mime in Bochum liet daarover geen twijfel bestaan. Claudia Mahnke kon overtuigen als de door schuldgevoel geplaagde Marie met mooie dramatische accenten op "Heiland" in de bijbelmonoloog. Alfred Reiter leende niet bijzonder veel stem aan de Doktor maar zijn articulatie trof het groteske karakter van de geobsedeerde wetenschapper zeer goed. Edward Jumatate speelde Marie's zoontje zonder enige podiumvrees. Frankfurt hoeft niet verder te zoeken voor haar volgende kinderrol.

Sebastian Weigle aan het werk te horen in deze van details barstende Wozzeck was een waar genot. Hij liet het orkest ook erg luid klinken, vaak ten nadele van de solisten. Daardoor was het fijnste strijkerspianissimo even goed hoorbaar als de vulgairste uitbarstingen van het koper. Hij leek de dramatische kant van de partituur te willen beklemtonen met in het klankbeeld erg prominent aanwezige contrabassen. De beide crescendi na Marie's dood waren bijzonder gaaf uitgevoerd en het orkestrale tussenspel van het derde bedrijf was overweldigend.

Het volgende rendez-vous met Wozzeck is gepland in Amsterdam en Parijs.

donderdag 14 juli 2016

Barrie Kosky met Carmen in Frankfurt (****)


Paula Murrihy als Carmen © Monika Rittershaus

TA RA TA TA, TU NE M'AIME PAS


Het verhaal rond het ontstaan van de opera Carmen is niet oninteressant. Bizets biograaf Winton Dean windt er geen doekjes om, genadeloos als hij is in zijn schildering van het Franse muziekleven onder het Second Empire. Halfweg de 19e eeuw had Parijs twee gesubsidieerde operahuizen: de Opéra en de Opéra-Comique. Elk huis had zijn eigen bekrompen conventies en al even bekrompen publiek dat er nauwgezet op toezag dat er aan die conventies geen toegevingen werden gedaan. De Opéra, waar de spektakelstukken van Rossini en Meyerbeer de plak zwaaiden, voorzag de snobs van de hogere klasse van het nodige entertainment en blokkeerde de weg van locaal talent als Bizet. De Opéra-Comique was dan weer afgestemd op een bourgeoisie die opera genoot in familiekring. Die zweerde bij een vorm van sentimentaliteit, ondubbelzinnige morele verhaallijnen, stichtende personages en happy ends. De muziek was helder, elegant gepolijst, vaak bekoorlijk, hoofdzakelijk kleinburgerlijk en soms afschuwelijk vulgair. Voor Bizet, veroordeeld tot de Opéra-Comique, was deze cocktail van wansmaak en fatsoensrakkerij ondraaglijk en met Carmen wilde hij een hervorming afdwingen. Daarvoor moest hij zich weren tegen de directie die het stuk, gebaseerd op de uitdagende novelle van Prosper Mérimée, voortdurend wilde afzwakken. Immers, de kuise, huiselijke vrouw was tot dan toe steeds één van de definiërende elementen van elke opéra-comique geweest. Ze bevolkte de opera's van Auber, Gounod en Boieldieu en in de opera Carmen zou ze haar weg vinden in de figuur van Micaëla. Het was de enige toegift die Bizet deed aan het genre van de opéra-comique en hij presenteerde Carmen op het ogenblik dat sexueel assertieve vrouwen nog maar pas hun intrede hadden gedaan in de literatuur en de schilderkunst. Met het koor, dat gewoon was om te functioneren in oratorio-stijl d.w.z. bewegingsloos en met de neuzen in de richting van de dirigent, lag hij voortdurend overhoop tijdens de repetities. De première werd een flop en Bizet, neergesabeld door de crimineel incompetente Parijse muziekkritiek, overleed drie maanden later. Of was er meer aan de hand? Volgens Dean had Meyerbeer de gewoonte mensen te betalen om ostentatief te slapen tijdens de voorstellingen van opera's van zijn rivalen. We weten ook met zekerheid dat Meyerbeer invloedrijke recensenten als Paul Scudo tot financiële afhankelijkheid verleidde. In onze politiek correcte tijden is dat een gegeven dat nauwelijks onderzocht wordt. Liever veroordelen we Richard Wagner tot ondankbaarheid jegens zijn weldoener. Hoedanook, van de wereldwijde triomfen die Carmen vanaf het volgende jaar via Wenen en vervolgens via Brussel zou gaan oogsten, heeft de onfortuinlijke componist niets geweten. Carmen zal 2942 keer aan de Opéra-Comique lopen alvorens te worden opgenomen in het ijzeren repertoire van de Opéra in 1959.

Georges Bizet heeft Carmen dus wel degelijk bedoeld als een opéra-comique, dat wil zeggen : als gezongen nummers met gesproken dialogen. Dat heeft consequenties voor onze omgang met het stuk vandaag. Op instigatie van Nikolaus Harnoncourt onderzocht Michael Rot de ontstaansgeschiedenis van Carmen en vond in totaal 10 versies die het licht zagen in de periode tussen het begin van de compositie in 1874 en de eerste publicatie van de orkestpartituur in 1877. Hij weerhield alle fragmenten die Bizet niet onder externe druk produceerde en schrapte de na Bizets dood ontstane recitatieven en ingrepen van Ernest Guiraud. Het resultaat is een kritische uitgave die bij Verlagsgruppe Hermann verscheen en waaruit Constantinos Carydis een Frankfurter Fassung samenstelde. Jammergenoeg kon ze mij niet overtuigen. Had Winton Dean niet geschreven dat het libretto tot de vijf beste van de operaliteratuur behoorde ? Had Winton Dean niet met grote stelligheid beweerd dat de opera eigenlijk over Don José gaat, een stelling die ik zeer genegen ben. Dat alles zet de Frankfurter Fassung op losse schroeven.

Ongemerkt sluipt dirigent Sebastian Zierer in de orkestbak. Wanneer de zaallichten plots doven laat hij de paso doble van de prelude in het auditorium knallen. Een mooi effect dat tegelijk aangeeft dat hier geen postkaarten Sevilla te beleven zal zijn. Katrin Lea Tag heeft slechts één decorstuk voorzien: een hoge verrijdbare trap, die scenografisch meer mogelijkheden biedt dan u zou denken en door Barrie Kosky virtuoos wordt bespeeld. Althans zolang er niemand struikelt. In Frankfurt wordt er niet gestruikeld. Het kinderkoor dendert naar beneden en mimeert een banda met echte instrumenten. Zes danser leuken de scène op met acts die dicht in de buurt van de vaudeville uitkomen. Dat doen ze trouwens het hele stuk door als prettig gestoorde saters in de best aardige choreografie van Otto Pichler

De grootste verrassing is de offstage commentaarstem van Claude De Demo die door de luidsprekers galmt en teksten debiteert die deels uit Mérimées novelle stammen. Dat ervoer ik niet als een plus. Ze verlost ons van de recitatieven maar ze laat het stuk ook voortdurend stilvallen. Probeer iets gelijkaardigs in Westside Story en het zal ook niet werken. Morales krijgt een solomoment met een couplet en een vaudeville-act. De beroemde habanera muteert halverwege naar een oudere versie. Van de allereerste Carmen, Galli-Marié weten we dat Bizet wel 13 versies schreef voor deze song.

Carmens drievoudige alteriteit ten aanzien van gender, ras en klasse wordt door Kosky niet uitgespeeld. Wat overblijft is een soort ongrijpbare mythe, een archetypische diva van het witte doek. Eerst verschijnt ze in het nauwsluitend pak van een toreador, later in een rafelige zwarte jurk, in de finale in een zwarte feestjurk met een kamerbrede sleep. Don José zal er in de finale een deel van zijn frustratie op afreageren. Door Carmen op deze manier te mythologiseren verdampt het verismo karakter van het stuk dat Bizet er ongetwijfeld in wilde leggen. Erger nog is dat er tussen José en Carmen weinig overtuigende erotiek te bespeuren valt. Na het slotkoor van het tweede bedrijf roept ze "Entre-acte!" en na de fatale dolksteek, terwijl de laatste maten uit de orkestbak opstijgen, staat ze rustig op en haalt de schouders op. Onze Carmen is niet kapot te krijgen, lijkt ze te zeggen.

Tanja Ariane Baumgartner als Carmen is eerder zwak, als vocaliste en als persoonlijkheid want wat Kosky verlangt om deze Carmen te doen slagen zijn echte sterallures. In het borstregister wordt de stem erg dun. Ook Juanita Lascarro zong een bleke Micaëla, zonder veel persoonlijkheid.

Ook al stond de hele avond in het teken van de titelheldin, het waren de mannen die het mooie weer maakten. Andreas Bauer was een stemvaste Escamillo, met een perfect gevoel voor timing en pronkerig als het haantje van de klas.

Luc Robert overtuigde als Don José met een erg mooi timbre en een heel aardige projectie. Wanneer hij vluchtte in de kopstem deed hij dat met succes. Het duet met Micaëla was heel gaaf en het was meteen duidelijk dat hij het vocale centrum van de avond zou worden. "La fleur que tu m'avais jetée" was dan ook een evident hoogtepunt naast een sterke finale. Hij kon ook bewegen met een vanzelfsprekende natuurlijkheid en zijn gebaren reduceren tot de essentie.
Het koor presteerde uitstekend in het massatoneel voor de arena. Calixto Bieito had al eens aangetoond dat daarvoor enkel een touw nodig is. Kosky deed het met even weinig middelen.

In de orkestbak had naar schatting 62 man postgevat, hetzelfde effectief als bij de première in 1875. Het orkest klonk niet echt vol. Ook de partituur deed regelmatig vreemd aan, tot in de finale toe. Waar was het noodlotsmotief dat door de partituur hoort te spoken? Sebastian Zierers directie was een beetje ruw, miste elegantie en dramatische overtuigingskracht. Nee, deze Frankfurter Fassung zal naar mijn aanvoelen geen grote carrière maken.

dinsdag 12 juli 2016

Valery Gergiev met Die Walküre in Baden-Baden (****)

VAN PALMYRA TOT WALHALLA

Twee maanden geleden had Valery Gergiev zich nog maar eens geprostitueerd door samen met zijn manschappen van het Mariinsky Orkest in de tredmolen te stappen van de propagandamachine van de Russische nummer één, Vladimir Poetin. In de Syrische woestijn, te midden van de Romeinse ruïnes van Palmyra, had de maestro Bach, Prokovief en Shchedrin in golven over het gewillige zand gejaagd. Als een druppel op een hete plaat want niemand luisterde behalve een peloton Russische militairen. Maar het nieuws haalde wereldwijd alle journaals en Putin kon er zich mee profileren als het absolute tegendeel van de cultuurvernietigende barbaren van IS. Welke fratsen Poetin nog allemaal in petto heeft, daarover kan men best niet te onbekommerd zijn. Gergiev is dat wel. We weten ook waarom. Het is met dit soort lippendiensten dat hij zijn artistieke droom kocht: Mariinsky II, het nieuwe operatheater aan de oevers van de Neva. Een bezoek aan de St-Petersburgse tempel dringt zich op en de jaarlijkse passage van Gergiev in Baden-Baden maakt dat plan telkens urgenter.

Kregen de Sommerfestspiele vorig jaar voor Berlioz de zaal maar half gevuld, dit keer bleef geen enkel zitje in de zaal onbezet ondanks de finale van het EK. Maar de Mannschaft had gefaald en het Duitse ego kon nu worden gestreeld in de concertzaal. Opnieuw bevestigde het Mariinsky Orkest de uitstekende indruk die het vorig jaar had nagelaten. Deze goed geoliede machine, bestaande uit overwegend jongere muzikanten, reveleerde zich opnieuw als een toonbeeld van gedisciplineerd musiceren, en dat ondanks de tropische temperaturen in het Festspielhaus. Waarbij zich dan de vraag stelt: hoe is de maestro in staat om zulke discipline bij zijn manschappen te bereiken? Door het voorbeeld van zijn eigen legendarische werkkracht?

Gergiev joeg vlotte tempi door het orkest maar demonstreerde tegelijkertijd ook hoe flexibel hij op agogisch gebied weet om te gaan met Wagners vertrouwde partituur : hij liet zich erg vaak verleiden tot adembenemend trage passages, vervuld van een grote dramatische spankracht. Vooral de Todesverkündigung blonk daarin uit. De kopersectie verblufte over de hele lijn. Alle intieme solistische momenten ontstonden vanuit een trefzeker opgebouwde spanning. Dat gold voor de cello en meer nog voor de onaards klinkende basclarinet, solistische momentjes waarvan ik vermoed dat je ze nooit zo mooi uit de overdekte orkestbak van Bayreuth kan horen. Maar in tegenstelling tot vorig jaar leek de maestro zich weinig te bekommeren om het dynamisch evenwicht met de solisten. Stralende climaxen in de finale van het eerste en tweede bedrijf waren daarvan het resultaat.

De Walkürenritt, niet direct mijn favoriete muziek in de Ring, transformeerde het Festspielhaus in een pandemonium van orkestrale pracht, loeihard en barstend van detail, daarbij ondersteund door voortreffelijk zingende Walküren uit St-Petersburg. Het geeft een idee van het niveau dat de Ring met huiseigen krachten in St-Petersburg zou kunnen bereiken. De afsluitende Feuerzauber tintelde alsof de vlammen te zien waren rond Brünnhildes imaginaire rots. Deze vijfsterrenlezing van Die Walküre werd evenwel geëclipseerd door enkele minder goed gekozen solisten.

Andreas Schager had de ondankbare taak op zich genomen om publiekslieveling Jonas Kaufmann te doen vergeten. Stuart Skelton had het hem twee dagen voordien reeds voorgedaan. Een stralende tenor bezit hij niet. De zon laten schijnen kan hij niet. Echte heldentenorale zinnelijkheid behoort niet tot zijn mogelijkheden. Op de Wälse-Rufe had hij hard gestudeerd. Daarop zou hij immers worden afgerekend door de Kaufmannfans. Hij schakelde in een soort turbo modus waarvan ik geen flauw benul heb of dit wel gezond was voor zijn hevig gesolliciteerde stembanden om dan vervolgens terug te vallen op zijn eerder benepen voordracht. Dit was een excursie in het ijle want ze werd niet geschraagd door een baritonaal timbre zoals bij al zijn illustere voorgangers uit het verleden. Zelfs de lyrische delen van de Todesverkündigung kon hij niet het nodige gewicht geven door gebrek aan timbre. Om het met een boutade te zeggen : er gaan twee Schagers in één Max Lorenz of één Lauritz Melchior. Intendant Andreas Mölich-Zebhauser wist zijn keuze voor de invaller goed te verkopen aan zijn publiek, dat aangemoedigd door enkele luidruchtige claqueurs in de zaal, de afwezigheid van Kaufmann snel leek te vergeten.

Eva-Maria Westbroek kon putten uit haar rijke ervaring als Sieglinde. Ze zat dan ook meteen in haar rol. In haar zwarte glitterjurk zag ze er schattig uit en ze leek ook een succesje te hebben geboekt bij het lijnen. Dat het liefdesduet van het eerste bedrijf dynamiet kan zijn daarvoor was alleen zij verantwoordelijk. Haar partner bleef gekluisterd aan zijn lessenaar. Haar powerhouse sopraan kon moeiteloos tegen het orkest opturnen en in dat opzicht was ze het eigenlijke wagneriaanse raspaard van de avond, ook al was niet alles even gaaf qua intonatie en vibrato.

René Pape kampt met een iets te geringe projectie. We hebben het al vaker aangestipt. Is dat de reden waarom hij zo spaarzaam omgaat met deze veeleisende rol? Tijdens "Götternot" kon hij toch nog redelijk goed standhouden. Tot zover onze reserve want het timbre, de frasering en de articulatie was grandioos. Hij leverde daarmee een Wotan van formaat af, zowel in de monoloog als in het derde bedrijf. Bijzonder fraai was de passage waarin hij Erda citeert. Hij was ook de enige op het podium die alle medeklinkers wist te debiteren. Op zijn bekende zalvende toon, zong hij de partij van het blad, een beetje ondramatisch, zo leek het wel. Maar vergis u niet, hij bewees vooral hoeveel de Wotanpartij te winnen heeft door in te zetten op pure schoonzang.

Evelyn Herlitzius was een monument van slordigheid, slordig in de intonatie, slordig in het vibrato. Ze produceerde zoveel zwevende tonen dat je er duizelig van werd. Af en toe haalde ze dramatisch uit maar binnen een voordracht waarin een totaal gebrek aan justesse overheerste, werd dit volledig betekenisloos. Ze speelde weer haar schaapachtige zelf, een overjaarse spring-in-'t-veld. Wellicht had ze een half uur voor de spiegel gestaan alvorens zich te hullen in een bijna clownspak. Dat de castingverantwoordelijke deze stem festivalwaardigheid gunt zegt misschien iets over de heersende laagconjunctuur inzake Brünnhildes. Anderzijds kan ik moeilijk geloven dat er geen karaktervolle sopraan te vinden zou zijn die deze partij met veel meer succes van het blad had kunnen zingen. Schager en Herlitzius worden twee pijlers van de Ring in Wiesbaden. Hun derde bedrijf van Siegfried wil ik liever niet meemaken.

Ekaterina Gubanova gaf een fraaie vertolking van Fricka al verliep het frequente afdalen naar de passagio niet geheel zonder problemen.

Mikhail Petrenko is er sinds zijn internationaal debuut in Aix geen sodemieter op vooruit gegaan als Hunding. Nog steeds ontbeert hij de noodzakelijke gravitas voor de rol. Soms doet hij een beroep op vulgariteiten om dramatische waarachtigheid the faken. Waarom Gergiev hem zo vaak inzet voor dramatische basrollen, die zijn mogelijkheden te boven gaan, is mij niet duidelijk.

Het volgende rendez-vous met Valery Gergiev is voorlopig pas gepland met Eugen Onegin in 2017. In Baden-Baden, dat spreekt voor zich.


dinsdag 5 juli 2016

Hartmut Haenchen redt Parsifal in Bayreuth


Bezoekers van de nieuwe Parsifalproductie in Bayreuth mogen een goed half uur vroeger naar huis want het is Hartmut Haenchen die de dirigeerstok zal overnemen van de uit Bayreuth gevluchte Andris Nelsons.

Zoals verwacht lag aan de basis van die vlucht een reeks meningsverschillen met Christian Thielemann. Althans zo meent Die Welt die het niet zo begrepen heeft op de eeuwige amokmaker Christian Thielemann. Thielemann zou zich voortdurend gemoeid hebben met het werk van Nelsons. Aan Hartmut Haechen, die het voor mekaar kreeg om zelfs aan Romeo Castellucci geen concessies te doen in Brussel, zal hij beslist een taaiere klant hebben.

donderdag 30 juni 2016

Andris Nelsons verlaat Bayreuth

Het is weer zover. In de krabbenmand die Bayreuth is, is het weer tot een onoverbrugbaar meningsverschil gekomen. Dit keer is het Parsifaldirigent Andris Nelsons die de handdoek in de ring gooit, minder dan een maand voor de première. Beide partijen hebben afgesproken hierover niet verder te communiceren.

Nelsons zou niet zo enthousiast geweest zijn met de islamkritische enscenering van Uwe Eric Laufenberg maar dat lijkt mij een onvoldoende reden om het festival te verlaten dat zijn internationale carrière gemaakt heeft. Een aanvaring met muziekdirecteur Christian Thielemann misschien? Seems more likely. Ook Kirill Petrenko komt niet meer terug naar Bayreuth nadat zijn vriendin Anja Kampe met Thielemann vorig jaar in de clinch ging. To be continued.

zondag 26 juni 2016

Vasily Barkhatov met Die Soldaten in Wiesbaden (***)

Gloria Rehm als Marie © Karl & Monika Forster

CAN ONE LEARN TO STOP WORRYING AND LOVE THE BOMB ?

Die Soldaten, een werk dat elk groot operahuis aan de rand van zijn mogelijkheden brengt, is te complex om over te laten aan de resources van een provincietheater. Het risico bestaat dan dat slechts de helft van het potentieel van het stuk wordt waargemaakt. Wiesbaden overtilt zich aan het complexe werk.

Omwille van het uitgebreide instrumentarium start elke opvoering van Die Soldaten met een logistiek probleem. In de orkestbak zitten enkel strijkers, houtblazers en het koper. Het slagwerk is nergens te bespeuren en afgevoerd naar een andere ruimte. Het geluid dat het produceert is, net zoals het orgel, enkel te horen via de luidsprekers die Zimmermann pas voor het vierde bedrijf heeft voorzien. Aldus ontstaat een diffuse mix van akoestische en electronische klanken, een klankbeeld dat detail ontbeert. In die omstandigheden is het moeilijk om de prestatie van Zsolt Hamar en het Hessisches Staatsorchester te beoordelen maar het summum van precisie leek het mij niet.

Driekwart van het publiek heeft plaatsgenomen op het toneel, de rest zit verspreid in het auditorium. De parterre wordt ingenomen door figuranten. Ze zijn onze spiegel en representeren een burgerlijk publiek. De loge rechts doet dienst als Weseners huis, links zitten keuvelende officieren. De gravin, de graaf en hun zoon hebben plaatsgenomen in de centrale koninklijke loge. De voorste parterre wordt omgeturnd in het eigenlijke speelvlak voor de scènes in het koffiehuis.

Bij de aanvang van het tweede bedrijf wordt een kingsize bom als een rubberen zeppelin over de hoofden van de echte toeschouwers in de zaal getrokken. Ze doet ook dienst als projectievlak maar meer dan beelden van het Staatstheater levert dit niet op. Naarmate de tijd vordert morphen de beelden naar een geschonden theater in oorlogstijd.

Voor de cruciale scènes in het koffiehuis heeft de piepjonge regisseur Vasily Barkhatov, wederhelft van Asmik Grigorian, vrij banale scènes uit het soldatenleven bedacht. De dans van de Andalousische danseres, het jazzbandje gaan onopgemerkt voorbij, het kietelduet tussen Desportes en Marie mislukt kompleet. De vijfde scène van het derde bedrijf, het duet van Charlotte en de Gravin is de meest geslaagde, vooral omdat Sarah Kempton erg goed staat te zingen. Maries neergang in de finale stelt weinig voor. Sterker is de slotscène waarbij alle figuranten ritmisch in de handen klappen op de tonen van marcherende soldatenlaarzen.

Gloria Rehm speelde een heel kokette Marie, tegelijk Lolita en Alice in Wonderland, en ze doet dat met een perfecte articulatie. Dat ze als belcantiste de hoge tonen in huis heeft voor Zimmermanns dodecafonisch belcanto wil ik wel geloven maar wegens een verkoudheid behandelde ze haar rol deze avond als een spreekrol.

Pavel Daniluks Wesener was erg ruw en ongenuanceerd, Martin Koch nauwelijks geloofwaardig als macho officier Desportes. Holger Falk speelde Stolzius teveel als een loser en kon nooit ontroeren. De beste mannelijke vocale prestatie kwam van Joachim Goltz als Eisenhardt.

zaterdag 25 juni 2016

Robert Carsen met Don Carlo in Straatsburg (****)

Stephen Milling als Filippo © Klara Beck

SIC TRANSIT GLORIA MUNDI

Het is een genadeloze machtspoliticus, zonder de minste scrupules, gehuld in het habijt van een geestelijke, die Verdi opvoert als de Grootinquisiteur in Don Carlo. Hij is zelfs niet te beroerd om te dreigen met de brandstapel ten aanzien van de hoogste representant van de wereldlijke macht: "Alles moet zwijgen om het geloof te verheffen", sneert hij tijdens het verbaal duel met de koning. Wat Verdi hier toont is in de kern een fundamentalistische opvatting van politiek. Het is goed te beseffen dat de anticlericalist in hem een loopje neemt met de historische realiteit: de inquisitie was slechts een werktuig van de koninklijke politiek. De politieke onafhankelijkheid van de Spaanse monarchen was onaantastbaar. Een krachtmeting tussen koning en inquisiteur zoals bij Verdi was ondenkbaar in het Spanje van de zestiende eeuw.

Robert Carsen gaat nog verder dan Verdi in het uitdiepen van de collusie tussen kerk en staat. Was het de politieke actualiteit die hem ertoe bewoog om van de confrontatie tussen koning en inquisiteur de centrale scène van het stuk te maken? Kijk hoe godsdienst, eens ze verweven is met macht, een bloedspoor trekt doorheen de geschiedenis, lijkt hij te zeggen. Filippo is weinig meer dan de handpop van de Grootinquisiteur. Dat zijn "Tais-toi, prêtre" niet op een status quo in de machtsverhoudingen duidt, wordt pas duidelijk in de slotscène.

Carsens lezing is uiterst cynisch en pekzwart. Zo ook de koker die Radu Boruzescu heeft ontworpen, sfeervol belicht door Peter Van Praet. Voor de akoestiek bleek dat niet nadelig te zijn ondanks de diepte. Deuren en vensters openen zich volgens behoefte. Is de koker hermetisch gesloten dan biedt hij een vals gevoel van geborgenheid aan de gefrustreerde antiheld die door Carsen als de tweelingsbroer van Hamlet wordt opgevoerd. Kijkt hij in de ontzielde ogen van een doodshoofd dan spookt "Something rotten in the state of Spain" allicht door zijn hoofd.

Het vanitas-thema, erg populair in de schilderkunst van de zestiende eeuw, is ook aanwezig in de vertrekken van de koning. Op zijn bureau treffen we hetzelfde doodshoofd aan naast de voorspelbare wereldbol.

Het romantisch/utopische moment in het stuk - het duet waarbij Don Carlo voor het laatst zijn kans waagt en Elisabetta zich secondenlang overgeeft aan de zoete herinnering van Fontainebleau in een veld van witte lelies- is misschien de meest gelukte scène van de avond. Ze moet ons het gemis van het bedrijf in Fontainebleau doen vergeten. De Opera du Rhin speelt immers de versie van Milaan in 4 bedrijven.

Een deel van de autodafe wordt ingeruild voor het ritueel kleden van de koning, eerst met religieuze en vervolgens met koninklijke symbolen, de verwevenheid van kerk en staat minutenlang demonstrerend. De autodafe eindigt met een boekenverbranding. Voor de Vlaamse afgevaardigden eindigt de opera met een nekschot. De handlangers van de Grootinquisiteur dragen hun soutane als een uniform, met het wapen zijn ze even vaardig als met het kruis. Het beangstigende en tegelijk karikaturale is dat ze vestimentair in niets verschillen van de medewerkers van Jozef De Kesel.

Over de morele autoriteit van de koning laat Carsen weinig twijfel bestaan. Tot tweemaal toe zien we hem zijn minnares Eboli ontvangen. Elisabetta zingt "Tu che le vanità" te midden van 20 doodskisten, alsof het het Holocaust Memorial van Berlijn betrof.

De eigenlijke coup de théâtre reserveert Carsen voor het slot. Immers, hij laat de koning en zijn zoon terechtstellen door de handlangers van de Grootinquisiteur. Zwart is ook de ziel van Posa. Zijn terechtstelling was opgezet spel. Tijdens de granieten slotakkoorden zien we Posa in vol ornaat de honneurs waarnemen als nieuwe monarch of beter de nieuwe handpop van de Grootinquisiteur. Een lezing die brandhout maakt van één van de meest nobele personages uit de operaliteratuur is erg cynisch. Was het idealisme en de onwankelbaar gewaande vriendschap van de markies al die tijd geveinsd? Deze "game of thrones" die zich binnen de tijdsspanne van luttele seconden ontrolt, doet naar lucht happen. Is dit het werk van een vermoeide regisseur die vooral de eigen voorspelbaarheid wil doorbreken?

Carsen heeft een punt wanneer hij beweert : "Il accepte très rapidement de devenir l'espion du roi et de surveiller Elisabeth et Don Carlo. Pourquoi? Ce n'est pas très clair mais la question des motivations de Rodrigue est récurrente dans l'ouvrage et mérite notre plus grande attention. Don Carlo se trouve à plusieurs reprises obligé de demander à Rodrigue s'il peut vraiment avoir confiance en lui, s'il est vraiment son ami. Rodrigue est le personnage le plus ambigu de l'oeuvre: il connait les secrets de tout le monde, et jongle très habilement avec les situations de pouvoir. Par idéalisme ou par motifs personnels, ou les deux?"

Daarvoor moet hij dan wel Rodrigo's terechtstelling faken. Het dodelijk schot dat hem treft in de kerker heeft hem tot nader order altijd buiten verdenking gesteld.

Daniele Callegari heeft het Orchestre Philharmonique de Strasbourg in een zeer gecontroleerde houdgreep. Hij schuwt de grote dynamische bewegingen maar zorgt er anderzijds goed voor dat het klankbeeld in dynamisch opzicht nooit ondervoed geraakt. Deze zangersvriendelijke lezing stond duidelijk ten behoeve van de erg homogene cast.

Stephen Milling kan zijn natuurlijke autoriteit ten gelde maken in rollen als Filippo. Dat lukte hem meteen vanaf de eerste maat. "Ella giammai m'amo" was wat onevenwichtig. Aan Feruccio Furlanetto geef ik nog steeds de voorkeur vanwege de meer uitgesproken italianità.

Gaston Rivero als Don Carlo was niet altijd een toonbeeld van intonatiezuiverheid maar wist toch een verrassende zinnelijkheid te bereiken tijdens zijn voordracht.

Tassos Christoyannis als Posa was de verrassing van de avond. Met zijn aangenaam timbre, fraaie frasering en mooi gebonden lijnen leek hij soms met de vocale cultuur van Thomas Hampson te willen wedijveren. Op het vlak van projectie zou hij vandaag ongetwijfeld beter scoren. Van alle solisten was hij de enige die zich af en toe verloor in conventionele operagebaren.

Ante Jerkunica liet een jonger timbre horen dan de koning. Hij speelde de Grootinquisiteur ook een tikkeltje frivoler dan gebruikelijk omdat het paste in het concept van Carsen.

Elza van den Heever heeft als Elisabetta niet de rol van haar leven te pakken. Zoals zij emotioneel durft te investeren in haar rollen is deze door politiek gecastreerde ijskoningin geen showcase voor haar ware talent. Uiteraard kon ze de partij in al haar facetten waarmaken.

Elena Zhidkova als Eboli lijkt mij geen echte mezzo. De stem is slank en licht getimbreerd. De coloraturen van het "chanson de voile" neemt ze moeiteloos. "O don fatale" levert haar geen problemen op.