woensdag 11 januari 2017

Robert Carsen met Het Sluwe Vosje in Mulhouse (****)

Enric Martinez-Castignani & Lucie Silkenova
© Klara Beck
DE ONSTILBARE DORST NAAR HET LEVEN

Wie Janáčeks muzikale genie enigszins tracht te vatten kan niet anders dan inzoomen op zijn biografische achtergrond. Al sinds 1620 staat zijn Moravische geboortegrond onder Oostenrijks bestuur. Generaties lang worden de Tsjechen door Oostenrijkers en Duitsers als Untermenschen behandeld. Het Tsjechisch verdwijnt als officiële taal, de begoede burgerij spreekt ze enkel met het huispersoneel. Wij Vlamingen, kunnen ons daar iets bij voorstellen. Maar de geknechte Tsjechische volksziel blijft leven in de muziek; in allerlei patriottische koorverenigingen vindt het nationale volksgevoel een thuishaven.

Janáček wordt geboren in het arme gezin van een dorpsonderwijzer. Te arm om een piano te huren oefent hij zijn partituren van Bach op een klavier dat hij met krijt heeft getekend op de tafel. Hij wordt verliefd op één van zijn leerlingen, Zdenka Schultz, huwt met haar kort voor haar 16e verjaardag maar zal haar daarna nog weinig consideratie gunnen. Zijn gekweld huwelijksleven zal de voornaamste thema's aanleveren voor zijn opera's : passie, verraad, valse trots, schuld en verzoening.

Janáček wordt een militant verdediger van de Slavische cultuur. Het keurslijf van de Duitse cultuur ervaart hij als een bezetting. Een intense devotie voor de verachtte Tsjechische taal nestelt zich in zijn werk. In Brno weigert hij de tram te nemen omdat die toebehoort aan een Duitse firma. Met het ontstaan van de Tsjechische Republiek aan het einde van de Eerste Wereldoorlog gaat voor Janacek een droom in vervulling. Hij schrijft Het Sluwe Vosje (Spitsoortje) in volle patriottische euforie en weet zich in zijn privé-leven en als kunstenaar bevleugeld door de adoratie voor zijn 37 jaar jongere muze Kamilla Stösslova.

Janáčeks oeuvre heeft onmiskenbare universele dimensies. Het trilt van leven en energie, van jeugdige wildheid en verlangen naar vrijheid en geluk. "Ik heb Spitsoortje geschreven voor het woud en voor de droefheid van mijn late jaren" schrijft hij aan zijn muze. Dat woud is het magische kader waar mens en dier de liefde beleven. De muziek die Janáček voor zijn vrolijk-melancholische dierenfabel bedacht, luistert naar die natuur. Ze zit vol ongeduld en spreekt van seksueel verlangen. Het animale in de natuur werkt erotisch prikkelend voor de mensen (een boswachter, een schoolmeester, een pastoor, een stroper). Allen zijn ze in de ban van de wilde en onweerstaanbare, maar afwezige zigeunerin Terynka. Wellicht zou Nietzsche, de filosoof van het leven, een fan geweest zijn van Janáčeks levensbevestigende opera's, althans van Het Sluwe Vosje.

Een zeer herkenbaar onderscheid tussen Janáček en Wagner werd door Milan Kundera ooit als volgt geformuleerd aan de hand van een fragment uit Het Sluwe Vosje: "De onderwijzer heeft veel gedronken en dwaalt heel alleen door de velden. Hij ziet een zonnebloem en, omdat hij dolverliefd is op een vrouw (Terynka), denkt hij dat zij het is. Hij valt op de knieën en verklaart zijn liefde aan de zonnebloem. Het gaat hier slechts om zeven maten, maar ze bezitten een diep aangrijpende intensiteit. Die zeven maten worden later niet meer herhaald, ze worden op geen enkele andere manier verder ontwikkeld. We staan hier lijnrecht tegenover de Wagneriaanse emotionaliteit gekenmerkt door een langgerekte melodie die telkens slechts één gevoel uitdiept, doorgrondt, verruimt en het tot de roes versterkt. Bij Janáček zijn de gevoelens niet minder intens, maar ze zijn uiterst gebald en dus van korte duur."
Wanneer Janacek écht op dreef is dan snak ik wel eens naar een Wagneriaanse herhaling of doorwerking.

Robert Carsen heeft deze productie gecreëerd voor de Vlaamse Opera in 2001 en voor Straatsburg gerecycleerd met een andere scenograaf. Dit keer is het Gideon Davey die tekent voor de decors: een heuvellandschap met een herfstbladerentapijt voor het eerste en tweede bedrijf, een wit laken om sneeuw te simuleren in het derde bedrijf, een lentefris grastapijt voor de finale, dit allemaal prachtig uitgelicht door Peter van Praet. Deze productie, ingestudeerd door Maria Lamont, is van een betoverende eenvoud en Carsen heeft geen moeite gedaan om het stuk te actualiseren naar de gevoelswereld van vandaag. De mensen missen soms wat profiel, de dieren charmeren door hun mimetische nabootsingen van onze vertrouwde viervoeters en gevederde vrienden van het boerenerf.
De insecten zijn geweerd uit het stuk, alleen zoogdieren en vogels hebben het podium gehaald. De vosjes verschijnen uit holen in de bodem. De vaak dansante muziek van Janáček vindt in de choreografie van Philippe Giraudeau een sympathieke visuele tegenhanger. De bruiloftsdans die het tweede bedrijf afrondt, eindigt met een sexorgie. Ook de boswachter beleeft zijn erotische fantasieën in een droom. Zijn Terynka is het Vosje.

De akoestiek van het auditorium van La Filature is verrassend goed niettegenstaande de granieten wanden. De contrabassen hebben een goede definitie, de pauken klinken als pauken, de piccolo strooit zijn zilveren draden als confetti in Janáčeks imaginaire woud.

Dat het Orchestre Philharmonique de Strasbourg Janáček op een overtuigende manier kan spelen dat hadden we onder Marko Letonja al kunnen vaststellen toen De Zaak Makropoelos op de affiche stond. Antony Hermus weet dat niveau van precisie en gedisciplineerd musiceren niet helemaal te bereiken. Op de lessenaars ligt de Universal-editie van Charles Mackerras, allicht de definitieve versie van het werk als we de gezaghebbende musicoloog Jiri Zahradka mogen geloven. Hermus is geen liefhebber van extreme dynamiek. Orkestrale tutti zijn weliswaar zeldzaam in het stuk maar zelfs in de slotmaten behoudt hij een zekere gereserveerdheid. Gelukkig laat hij het orkest gepast uitbundig musiceren tijdens de droomsequens van de boswachter.

Met Lucie Silkenova en Sophie Marilley was het vossenpaar adequaat bezet. Hun duet vond ik niet echt overtuigend. Oliver Zwarg als de boswachter liet een mooi, bijna slavisch timbre horen en een kernachtige bariton. We zien hem graag eens terug, bijvoorbeeld als Alberich. Martin Bárta als Harasta ging niet enkel aan de haal met het zigeunerinnetje Terynka waar iedereen van droomt, maar was ook nog eens de beste man op het toneel. Mireille Capelle als de vrouw van de boswachter, Guy de Mey als de onderwijzer, Enric Martinez-Castignani als pastoor kunnen niet in dezelfde mate boeien.

De volgende afspraak met Het Sluwe Vosje is gepland in Brussel in de regie van Christophe Coppens.

Oudere recensie van Het Sluwe Vosje : Frankfurt

dinsdag 10 januari 2017

Andreas Homoki met Lady Macbeth von Mzensk in Zürich (****)

Gun-Brit Barkmin als Katerina Ismaelova
© Monika Rittershaus
VOORBIJ GOED EN KWAAD.

Zelf noemde Dmitri Sjostakovisj zijn "Lady Macbeth uit het district Mtsensk" een tragisch-satirische opera. Met het satirische en het groteske deed de jonge componist met de ronde brilglazen al vroeg ervaring op als pianist en muziekdramaturg in het theater van Meyerhold. De rest werd hem bijgebracht door zijn boezemvriend Ivan Sollertinski. Die leerde hem niet alleen drinken maar introduceerde hem ook in de geestelijke wereld van Berlioz, Mahler, Berg en de operettewereld van Jacques Offenbach. Voor Sollertinski was Offenbach de grootste satiricus van de muziekgeschiedenis, een scherpe observator en een trefzeker muzikaal feuilletonist die met zijn opmerkzame doorlichting van zijn omgeving een heel eigenzinnig nihilisme wist te bereiken. En zo slopen operette- en salondansen in het werk van de jonge Sjostakovitsj: de polka, de galop, de cancan, de wals en de ländler. Ook in het gebruik van instrumentale kleuren toonde de jonge componist al snel zijn talent bij het vinden van oplossingen om het groteske te beklemtonen. Elementen van het groteske vinden we dan ook terug in Lady Macbeth: in de tromboneglissandi van de copulatiescène, de houtblazerspolka bij het creperen van Boris, de fagotsolo bij Boris' eerste optreden, het col legno-spel van de violen bij de gevangenenmars naar Siberië, de xylofoon die het huichelende arbeiderskoor ontmaskert bij het afscheid van Zinovi, de wals die de politiechef in zijn hemd zet.

"Het satirische wordt in vele producties pas zichtbaar in de scène op het politiebureau van het derde bedrijf", zegt regisseur Andreas Homoki. Muzikaal en scènisch zijn het grotesk vertekende karikaturen die Sjostakovitsj ons hier laat zien en horen. Voor Homoki is het een sleutelscène en ze brengt er hem toe om het hele stuk in dezelfde zin te herstylen als een bont circusspektakel. Jammergenoeg werkt dat zelden of nooit. De satire zit immers ingebakken in de muziek en het scenisch beklemtonen daarvan maakt van Lady Macbeth geen sterker werk. Het werkt eerder verlammend. Het is net deze contrastwerking tussen tragiek en satire die het werk zijn spankracht geeft en alle aanzetten levert voor emotionele beroezing. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de scène in het politiekantoor in Homoki's benadering nu geen speciaal profiel meer heeft en dat zijn aanpak nog het minst werkt in de dieptragische finale. Homoki zet daarmee een faux pas net zoals hij dat vorig seizoen ook deed met Wozzeck.

Ook de decors van Hartmut Meyer konden mij niet overtuigen. Ze bieden een halfslachtige industriële aanblik. De sfeer van "de muren zijn hoog en de honden lopen los" zoals het heet bij Leskov, is hier ver zoek. Het is een roestige container waarin Katerina haar dagen slijt in verveling. Later zal deze ook sprekend op een treinwagon gaan lijken om de gevangenen naar de Siberische goelag te voeren. Vier afwateringspijpen steken uit de wand en worden soms gesloten met grote kogelafsluiters. Sommigen commentatoren menen er sexuele symbolen in te herkennen! Mijn libido lieten ze alvast onberoerd en de door het artistieke team bedoelde anonieme, onwezenlijke machine van een politiestaat met zijn wurgende machtsaanspraak, kon ik er al evenmin in terugvinden.

De mobiele container kan rondjes draaien en biedt mogelijkheden voor het spel van de acteurs die daarvoor wel een trapladdertje op en af moeten klauteren. Van de stomende sex van het nieuwbakken koppel krijgen we niets te zien. Voor hun standjes verdwijnen zij in de container. De pornofonische copulatiemuziek wordt scenisch ingevuld door de 15-koppige banda. Homoki maakt er clowns van met ruime pofbroeken en kleine malle hoedjes, aangevoerd door de haveloze boer die eruit ziet als een soort Alex uit Clockwork Orange.

Boris, de ruwste binnen dit panopticum van de Russische machosamenleving, houdt het midden tussen een generaal en een dierentemmer, de zweep steeds binnen handbereik. Creperen aan de giftige paddestoelen zal hij doen in ondergoed. Het meest vertekend is de ruggegraatloze Zinowi, een freak met gestreepte kousen als Pippi Langkous, die zijn boekentas omknelt als een angstige puber. Het koor is een allegaartje, een bontgekleurde doorsnede van de samenleving, van hotel-colibri's tot rode kruisverpleegsters. De hele avond zal het goed presteren.

"Wie is er schoner dan de zon aan de hemel", zingt de bezopen Pope op het bruiloftsfeest van Katerina en Sergei en plots schiet het mij weer te binnen dat Jozef Stalin hier niet van genoten kan hebben.

Dat deze avond toch heel bijzonder was kwam door de vertolkingen en de spectaculaire lezing van het werk door de jonge dirigent Vasilev Petrenko. Twee percussionisten hebben postgevat in de zijloges, de xylofoon rechts, de kleine percussieinstrumenten links. Ze krijgen daardoor een nadrukkelijker emfase in het klankbeeld. Dezelfde zin voor precisie en coloristisch detail als bij zijn naamgenoot Kirill Petrenko troffen we hier niet aan maar alle solistische momentjes werden door de voortreffelijke muzikanten van de Philharmonia Zürich tot hoogtepunten verheven. Vooral de cello en de houtblazers (basclarinet, contrabasclarinet) waren prominent in het klankbeeld aanwezig en in de geweldige akoestiek van het Opernhaus leverde dat telkens momenten van een grote zinnelijkheid op. Vasily Petrenko houdt van extreme dynamiek. Die reikt tenslotte van pppp tot ffff. Petrenko maakt duidelijk dat dit geen opera is voor watjes en jaagt akoestische schokgolven door het auditorium. Mijn buurvrouw zat regelmatig met de vingers in de oren. De beide orkestrale climaxen die de passacaglia en het finale arioso van Katerina inluiden waren overweldigend in al hun akoestische brutaliteit.

Als personage is Katerina is een zeer zinnelijke vrouw met een grote vrijheidsdrang. Die zinnelijkheid speelt Gun-Brit Barkmin vooral uit via de stem. Aan haar Louise Brookskapsel geraakte ik niet gewend maar vocaal deed ze het erg goed met een heel gave voordracht en een geweldige projectie. Haar finale arioso, waarin ze afscheid nam van het leven en waarbij ze gelukkig helemaal alleen op het podium stond, was intens.

Pavel Daniluk zong en speelde een geweldige Boris, heel plastisch zoals een Chaliapin Boris Godunov placht te zingen, en toch zonder overacting niettegenstaande het concept van Homoki. Misha Didyk als Sergej herhaalde zijn uitstekende prestatie van München. Valeriy Murga als politiechef en Wenwei Zhang als de Pope wisten zich allebei te onderscheiden door een fraai timbre en een soliede projectie.

De volgende afspraak met "Lady Macbeth von Mzensk" is gepland in Salzburg o.l.v. Mariss Jansons in de regie van Andreas Kriegenburg.

Oudere recensies van Lady Macbeth :

München - Antwerpen - Lyon - Berlijn


zondag 25 december 2016

Afscheid van 2016 : het eindejaarslijstje

2016 was een geweldig jaar op cultureel gebied. Het artistieke niveau van alle voorstellingen die ik bezocht lag over het algemeen zeer hoog en weinig voorstellingen bleken echte teleurstellingen te zijn.

Dit waren mijn hoogtepunten in chronologische volgorde :

Lear - Opéra Garnier - Parijs

OPERA LIVE

01. Dmitri Tcherniakov met Lady Macbeth in Lyon
02. Robert Carsen met De Zaak Makropulos in Straatsburg
03. Barrie Kosky met Eugen Onegin in Berlijn
04. Joyce Didonato en Venera Gimadieva met I Capuletti en i Montecchi in Berlijn
05. Christof Loy met Chovansjtsjina in Amsterdam
06. Andrij Zholdak met Der König Kandaules in Antwerpen
07. Mariusz Trelinski met Tristan und Isolde in Baden- Baden
08. David Bösch met Der Fliegende Holländer in Frankfurt
09. Claus Guth met Il Trittico in Frankfurt
10. Barrie Kosky met Macbeth in Zürich
11. Kent Nagano met Tristan und Isolde in Hamburg
12. David Bösch met Idomeneo in Antwerpen
13. David Bösch met Die Meistersinger von Nürnberg in München
14. Ute Engelhardt met Het sluwe Vosje in Frankfurt
15. Calixto Bieito met Lear in Parijs
16. Robert Carsen met Pique Dame in Zürich
17. Robert Carsen met Don Carlo in Straatsburg
18. Valery Gergiev met Die Walküre in Baden-Baden
19. Christof Loy met Wozzeck in Frankfurt
20. Barrie Kosky met Carmen in Frankfurt
21. Lydia Steier met Donnerstag aus Licht in Basel
22. Robert Carsen met The turn of the Screw in Straatsburg
23. Benedict Andrews met L'Ange de Feu in Lyon
24. Peter Konwitschny met Lohengrin in Hamburg
25. Dmitri Tcherniakov met Senza Sangue/Blauwbaards Burcht in Hamburg
26. Harry Kupfer met Lady Macbeth in München
27. Elisabeth Stöppler met Der Goldene Drache in Frankfurt
28. Mario Martone met Cavalleria Rusticana/Sancta Susanna in Parijs
29. Laurent Pelly met De Gouden Haan in Brussel

La Juive - München

OPERA VIA STREAMING

01. Calixto Bieito met La Juive in München (live-stream)
02. Uwe Eric Laufenberg met Parsifal in Bayreuth (live-stream)
03. Barry Kosky met The Nose in Londen (Opera Platform)

OPERA IN DE CINEMA

01. Richard Eyre met La Traviata in londen (Utopolis)
02. Robert Lepage met L'Amour de Loin in New York (Kinepolis)
03. Anthony Minghella met Madama Butterfly in New York (Kinepolis)
04. Patrice Chéreau met Elektra in New York (Kinepolis)
05. Alex Ollé met Norma in Londen (Utopolis)
06. Mariusz Trelinski met Tristan und Isolde in New York (Kinepolis)

THEATER

01. Romeo Castellucci met Oresteia (deel 1) in Antwerpen
02. Peeping Tom met Moeder in Antwerpen

DANS

01. A.T. De Keersmaeker met Rain in Antwerpen
02. Wayne McGregor met Entity in Brugge
03. Damien Jalet met Yama in Brugge

Power Trio - Jazz Middelheim

CONCERTEN

01. Marcin Wasilewski Trio in Gent
02. Uri Caine en Dave Douglas in Gent
03. Chouchane Siranossian en Anima Eterna met Ravel in Brugge
04. Dave Holland Trio in Leuven
05. Power Trio met Geri Allen & David Murray op Jazz Middelheim
06. Joachim Kühn, Pharoah Sanders, Zakir Hussain op Jazz Middelheim
07. Alexander Melnikov en het NOB met Sjostakovitsj in Brugge
08. Olli Mustonen met Prokofiev in Brugge
09. Grigory Sokolov met Mozart/Schumann-programma in Brugge

ONTDEKKINGEN : NIEUW TALENT

01. Corinne Winters als Desdemona in Otello (Antwerpen)
02. Jakub Hrusa als dirigent van Il Trittico (Frankfurt)
03. Anu Komsi als Eva in Donnerstag aus Licht (Basel)
04. Luc Robert als Don José in Carmen (Frankfurt)
05. Brian Mulligan als Jeletzki in Pique Dame (Zürich)
06. Stanislav Kochanovsky als dirigent van Pique Dame (Zürich)
07. Andreas Conrad als Edmund in Lear (Parijs)
08. Riccarda Merbeth als Isolde (Hamburg), Goneril (Parijs)
09. Markus Eiche als Beckmesser in Die Meistersinger (München)
10. Elza van den Heever als Suor Angelica, Georgetta in Il Trittico (Frankfurt)
11. Elisabeth Strid als Nyssia in Der König Kandaules (Antwerpen)
12. Dmitri Ivashchenko als Ivan Chovansky in Chovansjtsjina (Amsterdam)
13. Angeles Blancas Gulin als Emilia Marty in De zaak Makropoulos (Straatsburg)
14. Marko Letonja als dirigent van De Zaak Makropoulos (Straatsburg)
15. Susanna Phillips als Clémence in L'Amour de Loin (New York)
16. Tamara Mumford als Le Pélérin in L'Amour de Loin (New York)

ERGERNISSEN

01. Het wegpesten van Andris Nelsons uit Bayreuth
02. Het recente ontslag van Alvis Hermanis in Bayreuth. Heeft Bayreuth zich weer eens vergaloppeerd in politieke correctheid ?

Alex Ollé met Der Fliegende Holländer in Madrid (***½)

© Javier del Real

LOST IN TRANSLATION

Deze voorstelling gaat terug op de Fura-productie van oktober 2014 die in Lyon nogal positief werd onthaald. Ik vond er weinig aan.

Waar vind ik een land waar kapitein Daland zijn dochter zomaar kan versjacheren voor een zak bankbiljetten, moet Alex Ollé gedacht hebben. En hij kwam uit in Bangladesh, meer bepaald op de scheepswerf van Chittagong waar men het niet zo nauw neemt met het milieu. Noorwegen wordt ingeruild voor Azië en de Hollander zal, eens aangemeerd op de werf, zijn roestige boot gedemonteerd zien gedurende de loop van het stuk. De spinsters zijn arbeidsters die de onderdelen van het schip recupereren en opblinken op het strand. Uiteindelijk zal er niets meer van het schip overblijven en terwijl de Hollander door de golven van de oceaan zal worden verzwolgen zal Senta in de finale alleen overblijven. Met de grijns van een wereldverbeteraarster op de lippen zal ze tijdens de slotmaten op ons toestappen en ons het gevoel trachten te geven door haar offer de oceanen te hebben bevrijd van vervuilers als haar vader en de Hollander en de natuurlijke orde te hebben hersteld waar Wagner zo tuk op was. Senta als eco-terroriste? Mij kon het niet overtuigen en Wagner, zo hij al gekeken zou hebben naar deze live stream vanuit Madrid, evenmin vermoed ik. De regisseur had ook geen enkele moeite gedaan om de keuze van Senta voordien enigszins te verklaren.

De acteursregie was steeds middelmaat, het koor van de spinsters was levenloos, de choreografie van het indische vrouwenkoor in het derde bedrijf, compleet met zwaaiende handjes, was van zo'n overrompelende eenvoud dat mijn tenen er krom van gingen staan. Alex Ollé lijkt als acteursregisseur erg gehandicapt als zijn assistente Valentina Carrasco niet in de buurt is. Het best komt deze productie uit de hoek tijdens de spektakelmomenten waarbij videast Franc Aleu met cinematografisch realisme het aanmeren van de boot van de Hollander tracht te verwezenlijken terwijl de golven wild opspatten uit Wagners partituur.

De voordracht van Kwangchul Youn is er met de jaren niet op verbeterd. Met zijn totaal gebrek aan autoriteit en charisma, zijn wakkelvibrato en matige projectie, heeft zijn Daland ons weinig te bieden. Het is nauwelijks te bevatten dat deze provinciale zanger jarenlang de belangrijke basrollen in Bayreuth heeft mogen zingen.

Samuel Youn presteert beter. Met een dotje in het haar en een witgepoederd gelaat houdt hij het midden tussen een samoerai en een butoh-danser. Als Aziaat past hem dat goed, net als de zorgelijke blik waarmee hij de horror van de Hollander als gedrogeerde zombie tracht weer te geven. Zijn bariton klonk doorgaans kernachtig, zijn portret van de Hollander was genuanceerd en doorleefd, zij het met een imperfecte dictie.

Ingela Brimberg is een lichte dramatische sopraan. Registerovergangen verlopen moeizaam en worden bepaald problematisch bij elke afdaling naar het borstregister. Nikolai Schukoff doet weinig moeite om te verleiden met de stem maar met de vertelling van zijn droom en zijn laatste aria weet hij de aandacht goed vast te houden. Benjamin Bruns zong een zeer behoorlijke Steuermann. De directie van Pablo Heras-Casado was uitstekend maar de balans was altijd in het voordeel van het orkest, althans in deze live-relay.

woensdag 21 december 2016

Laurent Pelly met De Gouden Haan in Brussel (****)

DROOM IK DAT IK WAKKER BEN ?

Van de late 19e eeuw tot aan de Eerste Wereldoorlog is Richard Wagner immens populair in Rusland. Die populariteit heeft hij te danken aan zijn eigen concertreeks in 1863, aan de steun van muziekcriticus Anton Serov en vooral aan de voorstellingen van De Ring die Angelo Neumann met zijn "Richard Wagner Theater" in april 1889 verzorgt in Moskou en St-Petersburg. Vijf maal zal hij De Ring opvoeren in de beide keizerlijke hoftheaters. Karl Muck dirigeerde en als we Neumann mogen geloven dan presteerde het orkest van het Mariinsky Theater even goed als in Bayreuth. Beide cycli kenden een groot succes. "Germanen und Slawen - das geht", had Wagner enkele jaren voordien nog aan Neumann geschreven in zijn allerlaatste brief vanuit Venetië, twee dagen voor zijn dood.

Het Machtige Hoopje, waartoe ook Rimski-Korsakov behoorde, wees Wagner aanvankelijk af. Nochtans had Modest Moesorgski reeds in 1867 al gewaarschuwd : "Wij steken vaak de draak met Wagner maar Wagner is sterk en hij is sterk omdat hij de kunst aanpakt en haar op haar grondvesten doet beven". Die aanvankelijke scepsis veranderde radicaal met de opvoeringen van de Neumann-Ring. "Er was een tijd, toen ik hem afwees, nu echter geloof ik vast in hem, zoals in apostel Paulus", zou Rimski-Korsakov schrijven en Glazoenov die samen met hem De Ring had bezocht, schreef aan Tsjaikovski: "Samen met Nikolaj Andrejevitsj (Rimski-Korsakov) bevonden wij ons in een roes" waarop Tsjaikovski in zijn dagboek noteerde : "Brief van Glazoenov. (Hij is Wagneriaan !!)"

Rimski-Korsakov werd daarmee de meest wagneriaanse onder de Russische componisten. Zijn mythologisch opera-ballet Mlada gaat terug op Wagners Ring en zijn opera "De legende van de onzichtbare stad Kitezj en de maagd Fevronia" wordt door sommigen wel eens de Russische Parsifal genoemd. Rimski-Korsakov was vooral geïnteresseerd in Wagners orkestratie en in de beeldende kracht van zijn muziek. Beide kwaliteiten vinden we ook terug in zijn laatste opera " De Gouden Haan", naast leidmotieven die gelinkt zijn aan de personages : messcherpe trompetstoten herinneren aan onze gevederde vriend van het boerenerf, de klarinet articuleert het exotisch-oosterse motief van de tsarina, het klokkenspel, de piccolo en de harp doen hetzelfde voor de astroloog. Het tweede bedrijf roept dan weer bij herhaling het duet van Kundry en Parsifal in herinnering.

In het pre-revolutionaire Rusland is het symbolisme de heersende kunststroming. Net als elders in de wereld is het door Wagner enorm beïnvloed. Tussen 1900 en 1905 brengen de symbolisten vier delen van De Ring tot stand in St-Petersburg. Betekenisvol daarbij is de omstandigheid dat deze Ring zijn voltooiing vindt in 1905. Het was het jaar van de eerste grote opstand tegen de tsaar die het keizerrijk had doen daveren op zijn grondvesten, alsof Wagners Ring de intellectuele elite in een fin-de-siècle stemming bracht en de Götterdämmerung aankondigde van het tsarendom. De opstand werd echter bloedig neergeslagen en als gevolg daarvan ging het symbolisme als beweging zich tevens ontwikkelen als een politiek project. Voor de symbolisten was het duidelijk dat zij de ongelijke, corrupte tsaristische autarkie niet langer konden dulden. De politisering van de beweging had als gevolg dat vele kunstenaars en Wagnervereerders aanhangers werden van de bolsjevistische revolutie. Allen dichtten ze de muziek het potentieel toe om de gebroken verhoudingen te herstellen. Muziek hielden ze voor een brug naar een postapocalyptische wereld van harmonie, regeneratie en wedergeboorte, niet toevallig elementen van Wagners kunstutopie.

Dit is de context waarin De Gouden Haan ontstaat anno 1907 en met zijn aanklacht tegen autocratie, despotisme en domheid is het ook de eerste keer dat Rimski-Korsakov politieke satire durft te bedrijven. André Lischke noemt het met een hyperbool "het meest subversieve werk uit de muziekgeschiedenis". Zo horen we uit de mond van het volk, na de dood van de tsaar : "Wat brengt een nieuwe dageraad? Wat wordt er van ons zonder onze tsaar?" Het hoeft niet te verwonderen dat het stuk aanvankelijk niet door de censuur geraakte. Ironisch genoeg zit in De Gouden Haan niet het minste geloof in het revolutionaire potentieel van het volk: Rimski-Korsakov toont een even grote minachting voor het volk als voor de vorst. Toch laat Laurent Pelly de arbeidersklasse als dreigende massa regelmatig op het achterdoek verschijnen.

Muzikaal scheert het eerste bedrijf geen al te hoge toppen maar het is moeilijk om niet onder de indruk te geraken van Rimski-Korsakovs orkestratiekunst. De koorpartijen halen niet het niveau van Moesorgski, het slotkoor van het derde bedrijf komt enigszins in de buurt. Dodon is een potsierlijke, blunderende tsaar die zijn leven het liefst in pyjama doorbrengt. Zijn bed staat op een berg steenkool, resultaat van de vlijt van de arbeidersklasse. De gouden haan, een geschenk van een geheimzinnige astroloog die verrassend goed op Raspoetin lijkt, moet hem van de ongemakken van het slagveld redden.

Met het tweede bedrijf wordt het stuk merkelijker interessanter. Het is het bedrijf van de tsarina van Sjemacha, de muzikale zus van Sheherazade. "Is zij de belichaming van de prachtige, sensuele, inspirerende schoonheid, die tegenover de ruwe wereld van Dodon staat of een uitsluitend wreed en onmenselijk symbool, een vergiftigde schoonheid die de decadentie aan de kaak stelt?" vraagt André Lischke zich af. De verrukkelijke Venera Gimadieva weet die dubbelzinnigheid goed uit te spelen. Een gekantelde trechter, geïnspireerd op een bekende zendmast in Moskou, is het kader voor haar provocaties en verleidingskunsten. Wanneer ze opschept over haar albasten heupen en haar weelderige boezem kan Dodon enkel nog door de knieën gaan. Ondertussen heeft het manvolk in de zaal zich voldoende kunnen identificeren met het blunderboek van de oliedomme tsaar om zich aangesproken te voelen. De muziek bereikt hier haar meest betoverende karakter en vanwege de scènewisseling tussen het tweede en derde bedrijf zullen Alain Altinoglu en concertmeester Saténik Khourdoian als extraatje een fantasie voor viool en piano spelen, verwijzend naar de muziek van de tsarina. Het sprookje loopt slecht af wanneer de astroloog de tsarina komt opeisen als beloning voor zijn behulpzame gouden haan.

Dacht André Lischke stiekem ook aan onze tijd toen hij schreef : "Als een beschaving tegelijkertijd een dergelijke minachting toont voor zichzelf en zo'n behoefte voelt om zich te herbronnen in het exotisme dan betekent dat dat ze een alarmerend niveau van verval en wanorde heeft bereikt en dat ze door oncontroleerbare krachten vernietigd kan worden."

Agnes Zwierko als de huishoudster was de enige zwakke schakel in deze voor het overige homogene slavische cast. De gouden palm gaat natuurlijk naar Venera Gimadieva die een gave Tsarina zong zoals we dat van haar gewoon zijn. Pelly had haar verleidingskunsten weten aan te scherpen en dat willen we zeker nog eens in detail herbekijken met het oog van de camera via de online-streamingdienst van De Munt. Pavlo Hunka scoorde met tsaar Dodon zijn beste rol tot nog toe. Zijn basbariton klonk solieder als bij vorige gelegenheden. Alexey Domgov en Konstantin Shusakov waren grappige tsarevitsjen en Alexander Kravets meesterde de partij van de astroloog voor voix-mixte met brio. De sensuele en dromerige loomheid van Rimski-Korsakovs oriëntalisme drapeerde Alain Altinoglu als een gouden deken over het orkest. Opnieuw viel de akoestiek van het Muntpaleis echt goed mee. Ze liet een goede definitie horen in de bassen en een aardig stereo-effect tussen de houtblazers links en het koper rechts.

dinsdag 20 december 2016

Robert Lepage met L'Amour de loin in New York (*****)

Susanna Phillips als Clémence
© Ken Howard
GLÜCK, DAS MIR VERBLIEB, RÜCK ZU MIR, MEIN TREUES LIEB

Make no mistake : de in 2000 door Gerard Mortier in Salzburg gecreëerde opera "L'Amour de loin", die intussen reeds 10 producties op haar palmares heeft staan, behoort zondermeer tot de canon van de 21e eeuw. Kaija Saariaho's kleurrijke partituur, die boven alles teruggrijpt naar de mystieke klankwereld van Olivier Messiaen, grijpt de aandacht vanaf de eerste maat. Ze zal die ook niet meer lossen, ook al is er nauwelijks dramatische actie en lijkt de componiste zich op het eerste zicht te herhalen. Het orkest schemert en glinstert, clusters van houtblazers houden de luisteraar bij de les, zware kopers rivaliseren met electronica voor de heerschappij in de orkestbak en rollen een tapijt uit als een lage dreun. En toch laat de componiste de harp een hoofdrol spelen. Ook de koorpartijen met hun fluisterende tussenkomsten en rationele commentaren weten te boeien, zoals in een antieke tragedie, het meest nog wanneer koor en orkest in mekaar lijken over te gaan. Heel fascinerend allemaal en vooral heel zinnelijk. Dat laatste is de levensverzekering van het werk die het in het repertoire zal houden.

28.000 Led-lampjes heeft Robert Lepage ingezet om een zee van licht te creëren. Als de snaren van een piano zijn ze van links naar rechts over het toneel gespannen en het hypnotiserend samenspel dat daardoor ontstaat met de partituur is grandioos. Golven van kleur en licht worden er doorheen gejaagd die tijdens de overweldigende prelude tot het vierde bedrijf het indrukwekkendste resultaat opleveren. Het is de zee waar de partituur voortdurend over spreekt en hier dus een even sterke visuele tegenhanger krijgt in de scenografie. Wat Lepage niet lukte voor de Ring, lukt hem hier moeiteloos al is dat net zo goed op het conto te schrijven van scenograaf Michael Curry, overigens niet dezelfde als voor de Ring.
Op die geconstrueerde baren schuift de kano van de pelgrim tussen Oost en West. Langs het hoogriet, langs de laagwei. In die zee van licht kan ook het koor postvatten en zichzelf weer bliksemsnel opheffen. De "ferne Geliebten", de troubadour Jaufré Rudel en prinses Clémence van Tripoli, zingen hun voorzichtige hartstocht uit op een mobiele ladderconstructie. Hun onbereikbare utopische ideaal van de liefde, is dezelfde kwaal als die waar ook Tristan en Isolde aan gestorven zijn. Wanneer Clémence in de slotmaten, naast het lijk van Jauffré, haar liefde voortaan aan God zal schenken, is zij Isolde's Liebestod zeer nabij.

De weinig charismatische Eric Owens leent zijn aardse basbariton aan Jaufré en geeft de partij meer diepte dan Dwayne Croft en Gerald Finley die de partij creëerden. Hij zingt met nuance, kracht en kwetsbaarheid maar vergeet dat de prosodie van de Franse taal ook medeklinkers bevat. Dat laatste geldt ook maar in iets mindere mate voor Susanna Phillips als Clémence. Laten we zeggen dat de problematische dictie van de beide protagonisten het enige feil is dat we in deze productie kunnen detecteren. De partij van Clémence daalt zelden af naar het borstregister en Philips kan zich met haar gave sopraan volledig overgeven aan het hogere register waar haar stem zich als een vis in het water voelt. Ze doet dit met een geweldige projectie, voor zover een satelliettransmissie daar een correct beeld van kan geven. Haar terechtwijzing van God was doorleefd en ontroerend. Daarin werd ze geholpen door haar meisjesachtige looks.

Tamara Mumford neemt volledig bezit van de rol van de pelgrim in al zijn aspecten en verleent het androgyne personage alle zinnelijkheid die een zangeres/actrice als mezzosopraan maar kan leveren op een podium. Deels dient ze haar partij te zingen, deels in quasi-parlando stijl te declameren. In de liederen van Jaufré, door Saariaho geïnjecteerd met middeleeuwse klanken, is ze grandioos. Over de hele lijn was dit een fantastische prestatie.

Met dirigente Susanna Mälkki stonden hier twee Finse dames op het ereschavot. Haar no-nonsense aanpak resulteerde in een extreme dynamiek die tegen de pijngrens durfde aan te schurken. Deze voorstelling had ik graag eens in het theater meegemaakt. Rest nog deze vaststelling : hoe de Met een werk van de 21e eeuw onder de aandacht brengt in 70 landen over de hele wereld, het valt niet te onderschatten! Hoe zou Gerard Mortier, met al zijn kleingeestig inhakken op het cinemaproject van de Met, hierover hebben gedacht ?

woensdag 14 december 2016

Mario Martone met Cavalleria Rusticana (****) / Sancta Susanna (*****) in Parijs

Elena Zaremba (Mamma Lucia) en Elina Garanča (Santuzza)
© Julien Benhamou

BEHOUD DE BEGEERTE

Heeft u er ooit bij stil gestaan dat Cavalleria Rusticana "boerse ridderlijkheid" betekent? Niemand is ridderlijk in deze mediterrane liefdestragedie en al helemaal niet in Wagneriaanse zin. Turiddu speelt dubbelspel en verraadt zijn echtgenote met zijn jeugdliefde Lola. Santuzza levert haar overspelige echtgenoot uit aan zijn rivaal Alfio. Alfio is de voltrekker van een Siciliaanse eremoord.

Mario Martone heeft Cavalleria Rusticana geheel gestript van elke Siciliaanse folklore. Turiddu's siciliano "O Lola, ch'ai di latti la cammisa" laat hij zingen vanuit de coulissen, zoals voorgeschreven. Het is één van die regieaanwijzingen waarmee ik een regisseur graag zie experimenteren omdat dit prachtige lied het niet verdient om door een regieaanwijzing ondergesneeuwd te worden. Maar omdat de klassevolle tenor Yonghoon Lee het zingt gaat het gelukkig niet onopgemerkt voorbij. Identificatie met de zelfdestructieve overgave van Turiddu aan zijn fatale jeugdliefde is van het grootste belang in dit stuk.

Nog voor het einde van de prelude gunt de regisseur ons zijn blik op het dagelijks leven in het streng katholieke dorp met zijn dubbele moraal : een goeddraaiend bordeel schuift aan onze ogen voorbij. De later in zijn eer gekrenkte Alfio blijkt een vaste klant te zijn. Een "barbiere di qualita" doet een klant de baard af. Langzaam stromen de koorleden toe, elk met een stoel in de hand. Robert Carsen loert om de hoek. Het koor zal de scène pas verlaten bij het ijzige afscheid van Turiddu van zijn moeder. Eens de kerkdienst is gestart met het offeren van een lam draaien de gelovigen zich met de rug naar het publiek om de Paasmis in de diepte mee te maken. Zo kan de intrige zich ongehinderd verder ontwikkelen, vooraan op de scène. Een machtig Christusbeeld daalt uit de toneeltoren. Wierook en de obligate processie ondersteunen de sacrale sfeer waarin de regisseur het stuk bewust naartoe wil hebben. Na Turiddu's laatste ademtocht zal hij zijn Santuzza van dienst, de blonde Letse mezzo Elina Garanča, met opgeheven hoofd de arena laten verlaten. Dit was geloofwaardig verismo zonder doetjes.

In Carlo Rizzi's directie miste ik een beetje temperament. Het leek alsof de loden hitte van de Siciliaanse zomerzon hem hinderde. Je ziet het in de orkestbak van München wel anders tegenwoordig. Alleen het kabbelende intermezzo leek helemaal te beantwoorden aan zijn eerder lijzige dirigeerstijl. Temperament viel er daarentegen wel te beleven op de scène.

Elina Garanča zong een onberispelijke Santuzza. Jammer dat ze haar talent nog steeds verspilt aan Donizetti & Co want licht dramatische rollen als deze zitten haar als gegoten : het mezzotimbre is fraai, het vibrato perfect, de registerovergangen probleemloos, de projectie genereus, de voordracht intelligent. "Voi lo sapete, o mamma" met het driedubbele accent op "l'amai" was grandioos.

Yonghoon Lee als Turiddu deed daar nauwelijks voor onder, ook al blijft zijn acteerstijl nog altijd getekend door een vorm van overacting. Maar de stemprojectie is geweldig en het timbre steeds aangenaam zonder de kelige bijgeluiden van de meer charismatische Jonas Kaufmann.

Elena Zaremba liet een licht flakkerend vibrato horen als Mama Lucia, Vitaliy Bilyy leende zijn viriele bariton aan Alfio. Ook Lola was met Antoinette Dennefeld erg goed bezet: een rivale in de liefde eerder dan de gebruikelijke lichtekooi die het dorp op stelten zet. Het koor presteerde uitstekend.

Anna Caterina Antonacci (Susanna)
© Elisa Haberer

Sancta Susanna is het derde deel van een triptiek die Paul Hindemith, min of meer in navolging van Puccini, schreef gedurende de jaren 1921/22 en waarin hij de extatische eigendynamiek exploreert van erotiek wars van rationaliserende of driftonderdrukkende instituties zoals de katholieke kerk. Fritz Busch, die de twee eerste delen had gecreëerd, vond het werk obsceen en weigerde de première te dirigeren. Het libretto van August Stramm gaat terug op "Soeur Béatrice" (1901), een theatertekst van Maurice Maeterlinck. Het werk beslaat slechts 603 maten, duurt nauwelijks 20 minuten en is opgevat als één langgerekt crescendo.

De koppeling van Cavalleria Rusticana met Sancta Susanna werkte zondermeer fantastisch. Als onderdeel van Hindemiths triptiek had het werk nooit die spirituele voorzet gekregen die Cavalleria Rusticana het nu bezorgde. Gelukkig gebeurde de overgang niet automatisch; Hindemiths zakelijke muziek zou er minutenlang onder geleden hebben. Een scènewisseling drong zich op zodat de cast van Cavalleria uitbundig gevierd kon worden en het aanwezige publiek even op adem kon komen voor de overstap van verisme naar expressionisme.

Met een duidelijke emfase op het sacrale in Cavalleria Rusticana is de mentale overgang naar Sancta Susanna snel gemaakt. Behoort het monumentale kruisbeeld in het Siciliaanse dorp nog tot het obscurantisme van een dorpse geloofsgemeenschap, in de kloostercel van Zuster Susanna waar kuisheid, armoede en gehoorzaamheid de regel zijn, is de spirituele aanwezigheid van de Verlosser bittere ernst. Hindemith maakt de spanning tussen lust en celibaat al snel voelbaar en zijn Susanna ontpopt zich tot een geestelijke zuster van Renata in "De Vuurengel" van Prokofiev. Geile nonnen zijn een godsgeschenk voor het theater. Krzysztof Penderecki zal het later nog eens overdoen met Jeanne in "Die Teufel von Loudun".

Susanna's piepkleine kloostercel lijkt wel uitgehouwen in een rotswand en door de regisseur bewust als een schilderijtje van Giotto gepresenteerd. Het zinnelijk zilveren maanlicht schijnt door het venster. Het parfum van seringen, het gestoei van een verliefd koppel en Zuster Klementia's verhaal over Zuster Beata die levend ingemetseld werd als straf voor het toegeven aan haar erotische fantasiën, doen in haar een wilde, ontembare drang ontstaan naar een mystieke vereniging met de Verlosser aan het kruis. "Ich bin schön", roept ze vertwijfeld uit en brengt het manvolk in de zaal zowat in religieuze extase door zich de kleren van het lijf te rukken.
Een cryptische zwarte spin staat symbool voor haar schuldbewustzijn. Het is een literaire verwijzing die teruggaat op "Die zwarze Spinne" van Biedermeier-auteur Jeremias Gotthelf. Met een groepje dansers heeft choreografe Raffaella Giordano de spin gesimuleerd als een reusachtige tarantulla. Op het hoogtepunt van Susanna's extase exploderen de muren en daalt een oversized kruisbeeld, dat slechts het onderlichaam van de Verlosser tot aan de lendendoek te zien geeft, uit de toneeltoren. Susanna weigert de biecht van de toegestroomde nonnen en kiest voor het lot van zuster Beata.

Anna Caterina Antonacci kon niet dezelfde smetteloze vocale excellentie voorleggen als Garanča maar het is de waarheid van de expressie die hier telt. Renée Morloc als Klementia bracht haar uitstekende Klytemnestra van Antwerpen in herinnering.

Scenografisch was dit heel sterk uitgewerkt door Sergio Tramonti en congeniaal ondersteund door de lichtregie van Pasquale Mari.