zaterdag 9 februari 2019

Annilese Miskimmon met Billy Budd in Oslo (****)

Jacques Imbrailo als Billy Budd
©Erik Berg
DAS BOOT

Geïmmobiliseerd op een stoel houdt Captain Vere zijn monoloog in een maritiem museum. Zijn looks zijn vergrijsd, de decoraties pronken op zijn oudstrijdersuniform. Dan suggereert de belichting dat zijn herinnering aan de Indomitable tot leven is gekomen. In deze omgeving moet Annilese Miskimmon decorstukken en rekwisieten laten aanrukken om de ambiente van een schip enigszins te simuleren. De rekruten verdwijnen via een opening in de toneelvloer. Kisten fruit en groenten worden ingescheept. Ondertussen is duidelijk dat de Indomitable een onderzeeboot is en zich onder de toneelvloer bevindt. Dat werkt allemaal niet zo goed en het sfeervolle openingskoor “O heave! O heave away” gaat daardoor de mist in maar het orkest houdt je op het puntje van je stoel met dreunende bassen en snedige interventies van het koper. Bij streaming hangt de klank weliswaar een beetje van je eigen instellingen af maar het orkest klinkt fantastisch en het is de belangrijkste reden om deze productie te bekijken. Operasnobs die niet kunnen nalaten om lucht te geven aan hun afkeer voor electronische reproductie van opera moeten hier maar eens naar luisteren want er is zoveel detail te horen in het orkest zoals je het in het theater zelden te horen krijgt: bijvoorbeeld de harpen tijdens het onderhoud van Vere met Flint en Redburn of de meanderende altsaxofoon. De meest fascinerende bijdrage aan het klankbeeld wordt geleverd door de samenzwering tussen contrabassen, lage houtblazers en pauken. Voor de paukenist is dit werk sowieso een feestje. Alle intermezzi krijgen in de handen van Mark Wigglesworth een dwingende, meeslepende uitvoering.

Maar dan komt, halfweg het eerste bedrijf, het magistrale tussenspel met het “Blow her to Hilo”-koor dat smeekt om een grandioze decorwisseling. Die krijgen we ook want het museum verdwijnt in de diepte en de benedendekse duikboot rijst omhoog en dompelt ons meteen in de claustrofobische realiteit van het leven onderzee. Een periscoop staat in het midden, een loopbrug bovenaan wordt goed benut. Zoals altijd staat Paule Constable garant voor sfeervol licht. Met zijn niet zo heldere basbariton en zijn Frankenstein motoriek haalt John Releya het maximum uit Claggarts duistere monoloog “Oh beauty, Oh handsomeness,goodness”. Een indrukwekkende prestatie.

Klaar voor de oorlogssituatie worden torpedo’s aangevoerd tijdens “This is our moment”. Heel mooi zijn de langzaam uitstervende dreunen na de mislukte aanval wegens de mist. Homo-erotisch verlangen is aanwezig onder de bemanning, zo stelt de kapitein vast tijdens het tussenspel dat Billy’s confrontatie met Claggart voorafgaat. Toch inspireert het de kapitein niet tot een motief voor Claggarts valse aanklacht. Op de kapitein heeft de berechting niet meteen een verwoestende invloed. Peter Hoare zingt een mooie Captain Vere maar het personage zou winnen aan dramatische geloofwaardigheid indien een grotere vertwijfeling zich van hem meester zou maken. Billy houdt zijn finale aria in het ruim temidden van het oorlogstuig. Voor Jacques Imbrailo is dit, sinds Glyndebourne, een signatuurrol geworden. Goede prestaties ook van Alexander Nohr en Johannes Weisser als Mr.Redburn en Mr.Flint in het knappe duet in de kajuit van de Kapitein.

Nog te zien bij Operavision tot 7 augustus.

dinsdag 5 februari 2019

Guy Joosten met Cardillac in Antwerpen (****)

Simon Neal als Cardillac
©Annemie Augustijns
NEHMT EUCH IN ACHT. ALBERICH NAHT !

We kunnen ons gemakkelijk inbeelden hoe Adolf Hitler anno 1929 razend werd toen hij een opvoering van Paul Hindemiths opera “Neues vom Tage” bijwoonde in de Berlijnse Kroll Opera waarbij een naakte sopraan had plaatsgenomen in haar bad om te zingen over de wonderen van de moderne loodgieterij, ook al had Grete Stückhold een vleeskleurig truitje aan. Die razernij vis à vis de als “cultuurbolsjevist” gebrandmerkte Hindemith zal Hitlers favoriete dirigent Wilhelm Furtwängler vijf jaar later naar een nieuw hoogtepunt voeren door in de bres te springen voor diens nieuwste opera “Mathis der Maler”. Het kost hem zijn ontslag als vice-president van de Reichsmusikkammer, als hoofd van de Berliner Philharmoniker en als dirigent van de Berlijnse Staatsopera. Nochtans had Hindemith met Mathis terug weer wat afstand genomen van zijn expressionistisch modernisme van de jaren 20. De jonge, veelbelovende Arische componist werd door Joseph Goebbels zelfs gezien als de potentiële opvolger van de verouderende Richard Strauss. Tegen 1938 zag Hindemith in dat hij geen toekomst had in nazi-Duitsland en hij emigreerde naar Zwitserland en vervolgens naar de Verenigde Staten. Zijn werken werden nooit formeel verbannen maar voor de Führer was Hindemiths muziek onuitstaanbaar. Nochtans was de kunstsmaak van de Führer niet zo kleinburgerlijk als het lijkt. De modernistische partituur van Werner Egks “Peer Gynt” (1938) bijvoorbeeld scheen hij enorm te waarderen, niettegenstaande ze stilistisch verwant was met de schriftuur van Hindemiths collega’s Krenek,Weill en Schreker, soms balancerend op de rand van de atonaliteit. Bij de première liet hij de componist zelfs naar zijn loge brengen waar hem de niet geringe eer te beurt viel een waardige opvolger van Richard Wagner te worden genoemd. “Peer Gynt” werd voortaan geprezen als exemplarische Arische kunst! Straffer nog : het werk bevat fantastische muziek en niemand speelt het !

Cardillac was Hindemiths eerste avondvullende opera, al duurt de opera niet langer dan een voetbalwedstrijd. Het is spartaanse muziek met een neo-barokke flair, weliswaar niet zo koel en cerebraal als sommigen beweren. Formeel componeerde hij het als een ouderwetse nummeropera voor een gereduceerd orkest met blazers en percussie in de hoofdrol en geheel volgens de regels van de Neue Sachlichkeit van de jaren 20 d.w.z. anti-romantisch, anti-burgerlijk en zo ver mogelijk wèg van Wagner. Persoonlijk betwijfel ik of het werk zich zal kunnen handhaven in het repertoire. De vocale partijen zijn niet in die mate geïnspireerd dat ze een onvergetelijke indruk nalaten. Alles speelt zich af in de orkestbak, daar creëert het een ongeziene drukte en de aan Bach herinnerende polyfone schriftuur kan ook vermoeiend werken. “Zoals het bij een Musizieroper past, ligt de diepste waarheid niet in de woorden maar in de noten”, zegt Pieter Bergé en Dmitri Jurowski drukt het zo uit: “Wagner kan met één idee veertig minuten muziek schrijven. Richard Strauss presenteert in diezelfde tijd 15 ideeën en Hindemith heeft in diezelfde tijd maar 5 minuten nodig voor diezelfde 15 ideeën.”

Sam Furness (Der Kavalier) & Theresa Kronthaler (Die Dame)
©Annemie Augustijns

Cardillac is een kunstenaarsdrama dat inzoomt op het extreem narcistisch personage van de goudsmid René Cardillac, die de kopers van zijn kunst van het leven berooft en zijn kunstobjecten terugrooft. Zijn dilemma is dat hij de kopers nodig heeft om zijn aanzien als kunstenaar te vergroten. Hij is een goddelijke schepper maar tegelijkertijd ook een engel uit de hel. Pieter Bergé ziet er ook een post-wagneriaanse Alberich in, die, eveneens aan goud verslingerd, er zijn eigen graf mee delft.

Het Cardillac syndroom schijnt te bestaan in de psychiatrie en dan betreft het kunstenaars die geen afstand kunnen nemen van hun kunst en het recht willen behouden om wijzigingen te blijven aanbrengen aan werken die ze eerder verkocht hebben. Hindemith was een echte Cardillac want in 1952 vindt hij het nodig om de partituur grondig te reviseren, alsof hij zelf geschrokken was van zijn vroegere kunstmoed als burgerschrik. Ging de aria “Die Zeit vergeht” van Die Dame nog heel expliciet over erotisch verlangen, in de gereviseerde versie gaat het nog slechts over desillusie in de liefde. Hindemith eindigt met een moralistisch Lehrstück, een in artistiek opzicht laffe daad die allicht is terug te brengen tot zijn persoonlijk oorlogstrauma. Alle bestaande opnames van Cardillac zijn gebaseerd op de originele versie van 1926. Dat is ook de versie die Opera Vlaanderen aanbiedt en Guy Joosten en zijn team maken er een aantrekkelijke productie van.

Het live koor mixt hij met videobeelden die herinneren aan het Duits expressionisme. De band met George Grosz is vooral te zien in de kostuums van Katrin Nottrodt. De rode gloed in het midden van het toneel verwijst naar de “brennende Kammer”, een soort inquisitie waar het volk de seriemoordenaar wil aan uitleveren. De Kavalier houdt zijn aria “Waagschalen dieser Welt” tegen een knappe videowand, een semi-expressionistische abstractie van de grootstad. De Dame die haar liefdesnest houdt temidden van gloeilampen en neonlicht is een zeer brave paaldanseres. Na de moord op de Kavalier dropt de toneeltoren bergen goud als worsten gedraaid door een vleesmolen. Als een koning troont de misdadige kunstenaar op zijn berg van goud en Joosten laat het kortstondige personage van de koning samenvallen met Cardillac. Opmerkelijk is dat naast de echte kunstenaar Cardillac, de goudhandelaar door Joosten getypeerd wordt als de archetypische, hebberige jood.

Cardillac eindigt als een tragisch personage. De passacaglia en het afsluitende lamento laten daar geen twijfel over bestaan. “Er war das Opfer eines heiligen Wahns” besluit Der Offizier terwijl zijn dochter de obsessieve waan van haar vader vergoelijkt met “Wach auf! Wir wissen alles und lieben dich wie nie”. Het doet denken aan de algemene ontreddering na het verdwijnen van Don Giovanni. “Als slachtoffer van een heilige waan had Cardillac hulp nodig”, zegt Joosten, “geen hysterisch volk dat zich tot rechter opwerpt”. De Vlaamse goudsmid Jan Fabre zal er zich ongetwijfeld in herkennen.

Het koor
©Annemie Augustijns

Simon Neal als Cardillac is de beste man op het podium. Met zijn kernachtige, fraai projecterende bariton geeft hij de partij een zekere Wotan-allure. Betsy Horne als De Dochter leek mij interpretatief eerder zwak. Theresa Kronthaler als De Dame geeft glans aan de beste aria van het stuk. Aan het paaldansen kan of durft ze zich niet helemaal over te geven. Bij de beide tenoren, Sam Furness als Der Kavalier en Ferdinand von Bothmer als Der Offizier ontbrak het aan echte zinnelijkheid in de voordracht.

Dmitri Jurowski laat het orkest extreem dynamisch opklinken in de regelmatig terugkerende geweldexplosies, voor de rest laat hij het orkest snedig en gedisciplineerd klinken. Erg mooi zijn de resonerende contrabassen, de fascinerende accenten in de lage houtblazers, de unieke kleuren die de alt- en tenorsaxofoon toevoegen en het duel van de dwarsfluiten in de pantomime van het eerste bedrijf.

Mijns inziens wordt de “Entarte Kunst” van de nazi’s vandaag teveel gezien als een kwaliteitslabel. Rest de prangende vraag : wanneer krijgen we “Peer Gynt” eens te zien bij Opera Vlaanderen?