woensdag 20 december 2017

Olivier Py met Dialogues des Carmélites in Brussel (*****)

Sophie Koch (Mère Marie) & Patricia Petitbon(Blanche)
© Clärchen & Matthias Baus

SEVEN DAYS WITHOUT PRAYER MAKES ONE WEAK

Je zou kunnen twijfelen aan de ernst van het commitment waarmee Francis Poulenc zich halfweg de jaren 1930 als componist bekent tot de katholieke kerk na een aantal desastreuse relaties als homosexueel met jongere mannen. De olijke Poulenc gold immers jarenlang als de playboy van de Franse muziek. Een bezoek aan de Zwarte Madonna van Rocamadour triggert zijn spirituele renaissance en er volgen een aantal religieuze werken waarvan “Dialogues des Carmélites” het hoogtepunt vormt. Daarvoor recycleerde hij één en ander uit eigen werk en voor de rest was hij vooral eerlijk wanneer hij toegaf het werk geschreven te hebben onder invloed van Debussy, Monteverdi, Verdi en Musorgski. Luisteren we naar de fanfares en het vinnige, gekapte stro van de koperblazerssectie dan had hij aan dat lijstje gerust Stravinsky kunnen toevoegen.

“Dialogues des Carmélites” dankt zijn plaats in de operacanon aan de harmonische inventivitieit en de doorwerking van een twintigtal leidmotieven die het werk structuur en een nooit aflatende spanningsboog bezorgen. Er is het fantastische openingsthema dat we, naar verluidt, met het ancien régime dienen te associëren. Het spookt doorheen de hele partituur en we vinden het getransformeerd terug aan het einde van het stuk. Evidente hoogtepunten zijn de sterfscène van Madame de Croissy (Acte I, tableau 4), het duet tussen Blanche en haar broer met zijn korte maar opwindende orkestrale inleiding (Acte II, tableau 3) en de finale met het Salve Regina, ingeleid door een mars naar het schavot, het eigenlijke orkestrale hoogtepunt van het werk (Acte III, tableau 4). De 12 taferelen van het stuk worden ingeleid door orkestrale tussenspelen die nooit oninteressant zijn. Vier intermezzi bedoeld om bij gesloten doek (“rideau special”) te spelen onderbreken het tweede en derde bedrijf.

Hoe Poulenc, in navolging van Debussy, het natuurlijke ritme van de Franse taal volgt, is bewonderenswaardig. De heldere vocale stijl balanceert tussen recitatief en arioso. De toonspraak is volledig diatonisch, enkel een piano breekt af en toe in om een modernere kleur toe te voegen.

Poulenc maakte zich zorgen over het ontbreken van een amoureuze plot. Die is er weldegelijk: het is de liefde van de karmelietessen voor God, God als hersenspinsel van religieuzen die hen de kracht bezorgt om de angst voor de dood te overwinnen. Dat levensvernietigende proces, bereikt door gebed en ascese, is wat Blanche de goddelijke genade noemt. Eenmaal bereikt rest haar enkel de zelfmoord : ze biedt zich aan uit eigen beweging onder de valbijl van de revolutionaire guillotine. Hoewel Blanche geen bommengordel draagt is ze een spirituele zuster van alle hedendaagse martelaren en zelfmoordterroristen. “Dialogues des Carmélites” focust daarmee op de niet te ontwijken spanning tussen het levensbevestigende karakter van spiritualiteit, door de scheppende rol die ze speelt in de kunsten en het levensvernietigende van diezelfde spiritualiteit in de weg naar ascese en martelaarschap.

Net als in Parsifal hoef je geen talent te hebben voor een religieus leven om, in deze tijden van spirituele ontmoediging, de spiritualiteit van een stuk als “Dialogues des Carmélites” te beleven. Empathie volstaat.

Vanaf de eerste maat komt Olivier Py’s productie voor De Munt (afkomstig uit Parijs) sterk uit de startblokken. Een kroonluchter tegen een wand in anthraciet is de eenzame getuige van het ancien régime. Hier houdt de Markies zijn prachtig gearticuleerde Debussyaanse dialoog met zijn zoon, en wanneer Blanche met aria-achtige intensiteit haar intrede in het klooster heeft aangekondigd heeft Poulenc reeds al zijn kaarten op tafel gelegd en zijn de belangrijkste muzikale thema’s van het werk de revue gepasseerd.

De wand verdeelt zichzelf in 4 gelijke delen en legt dan de contouren bloot van een kruis. Zo vlot kan de scenografische vertaling verlopen van een intrede in het klooster. Wanneer licht binnendringt langs spleten in de zijwanden denk je aan Leonard Cohens “There is a crack in everything, that’s where the light comes in”. Bertrand Killy’s lichtregie is steeds sfeervol en beleeft zijn hoogtepunt tijdens de gevangenisscène van het derde bedrijf.

De nabijheid van de dood brengt Madame de Croissy uit haar comfortzone. De vloer is 90 graden gekanteld, haar bed zweeft als het ware in de hoogte. Het valt niet mee om de dood recht in de ogen te kijken ondanks de jarenlange oefening in onthechting.

Heeft Py met een knullig schimmenspel de straatgevechten tijdens de dagen van De Terreur geschetst in het eerste tafereel, de intermezzi offert hij op aan tableaux vivants uit het leven van de Zoon van God: de annunciatie, de geboorte, het Laatste Avondmaal, Golgotha.

Sandrine Piau (Constance) & Mireille Capelle(Mère Jeanne)
© Clärchen & Matthias Baus

Het Salve Regina, onweerstaanbaar wanneer de nonnen samen forte zingen bij de aanvang om vervolgens na de onthoofding met gespreide armen een sterrenhemel tegemoet te treden spoort mooi met het beroemdste diminuendo uit de operageschiedenis.

Het koor dat volgens de regievoorschriften moet samenstromen op het plein, maar vocaal een zeer ondergeschikte rol speelt, is niet te zien op het toneel. Is het omdat de revolutie zich een beetje schaamt voor zichzelf?

Ik zag de beide bezettingen. Anne-Catherine Gillet en Patricia Petitbon zijn aan mekaar gewaagd in de rol van Blanche. Toch kon Gillet mij meer overtuigen. Ze zingt met een grote inleving, klinkt gaaf over het hele bereik met een projectie en power die het zuiver lyrische overtreffen. Met haar beslissing in het klooster te treden (Acte I, tableau 1) en het duet met haar broer (Acte 2, tableau 3) zorgt ze voor vocale hoogtepunten. Ik vond haar eerlijker en boeiender in haar engagement dan Petitbon.

Stanislas de Barbeyrac als de Chevalier de la Force is de Mozartiaanse tenor die Poulenc wilde hebben. We hopen hem volgende zomer te horen als Tamino in Aix, ook al klinkt hij virieler dan een Tamino. Hij zou ook een ideale Pelléas kunnen zijn. Sandrine Piau was verkouden. Toch zong ze Soeur Constance speelser en vocaal boeiender dan Hendrickje van Kerckhove, dichter bij de Zerlina die Poulenc voor deze rol moet hebben bedoeld. Karine Deshayes werd enigszins overtroffen door Sophie Koch als Mère Marie. Sylvie Brunet-Grupposo als Madame de Croissy is geen echte contra-alt maar ze beschikt wel over een donkerder timbre dan al haar zusters. Haar stervensmonoloog was aangrijpend en voorzien van de noodzakelijke dynamische differentiatie.

Als Madame Lidoine geef ik de voorkeur aan Marie-Adeline Henry. Veronique Gens’ voordracht was bleker en in de dramatische passages kwam de stem al snel onder druk. Henry liet wat aarzelende registerovergangen horen maar in haar troostende tirade na de eerste nacht in de gevangenis (Acte 3, tableau 3) kon ze krachtiger en zinnelijker uitpakken dan Gens. Nicolas Cavalier zong een prachtig gearticuleerde Marquis de la Force, Guy de Mey een uitstekende aalmoezenier.

Alain Altinoglu wist zijn manschappen tot streng gedisciplineerd musiceren te dwingen. Hier was een Muntorkest in topvorm te horen. Vanaf de eerste maat was het duidelijk dat de tempi perfect zouden zitten en dat hij het orkest met grote efficiëntie doorheen de pulserende ritmes van de partituur zou leiden. De orkestrale inleiding van het Salve Regina was grandioos.

Geen opmerkingen: