maandag 4 juni 2018

Marc Soustrot met La Damnation de Faust in Antwerpen (****)

UN GALANT EST DANS LA MAISON

Het theater van la Damnation de Faust is niet het theater van de planken maar het theater van de verbeelding. Deze twintig losse taferelen , door Berlioz bij elkaar gesprokkeld uit Goethes Faust, beschikken weliswaar over een narratieve lijn en een zekere dramatische ontwikkeling maar respecteren nauwelijks de eenheid van tijd en ruimte. Fantasie en realiteit vloeien in elkaar over. Alle actie speelt zich af in de romantische geest van de centrale Faust-figuur; zijn avonturen met Méphistophélès en Marguerite zijn projecties van zijn innerlijke leefwereld.

Berlioz gaf zijn “légende dramatique” schaarse regieaanwijzingen mee waardoor het duidelijk moet zijn dat hij het werk niet louter als een concertopera beschouwde maar er tevens dramatische intenties voor koesterde waarvan hij zich de realisatie wellicht nauwelijks heeft kunnen voorstellen. Zo bekeken blijft La Damnation de Faust een hard noot om te kraken voor elke regisseur die zich met het imaginaire theater van Berlioz wil inlaten. En toch behoort La Damnation de Faust tot de grote reussites die tot stand kwamen onder de artistieke leiding van Gerard Mortier in Salzburg. Voor die legendarische regie en scenografie tekende destijds (1999) het Catalaanse theatercollectief La Fura dels baus. Maar er zijn dus net zo goed uitstekende argumenten om het werk concertant op te voeren.

Faust is bij Berlioz het alter ego van de romantische kunstenaar. Hij is een eenzame estheet en intellectueel, verloren in zijn eigen droomwereld, niet in staat tot enige actie of emotioneel engagement. Hij is de eeuwige twijfelaar, verzonken in een uitzichtloze melancholie. Paul Groves beschikt nog steeds over dat aangename timbre dat hem zo geschikt maakte voor de rol in die legendarische productie van Salzburg. Herinneringen daaraan kwamen al snel terug. Negentien jaar later klinkt de stem wat rauwer, is het vibrato wat minder onder controle en gaat alles moeizamer in de hoogte maar met zijn unieke frazering en gebonden, zalvende zanglijnen weet hij ondanks alles nog steeds te ontroeren in “Merci, doux crépuscule” (3e bedrijf) en in de aanroeping van de natuur (4e bedrijf).

Marguerite wordt door Berlioz toegewezen aan een sopraan, een stemtype dat strookt met haar jeugd en met haar rol als verliefd meisje. Doorgaans wordt het personage ingevuld door een mezzo. Daar is een goede reden voor. Berlioz heeft altijd een voorkeur getoond voor donkere timbres, zowel in vocaal opzicht als in het orkest. Het geeft het jonge meisje de aura van een mysterie. Men denke aan de manier waarop Vesselina Kasarova dat met haar fluwelen timbre heeft ingevuld in Salzburg. Sophie Koch kan niet zuchten met evenveel drama en ze kan haar voordracht ook niet met evenveel mysterie inkleden als haar Salzburgse voorbeeld, ook al omdat haar timbre niet zo heel erg mezzo klinkt. Voor de rest was dit een erg gave voordracht.

Bryn Terfel slaagt er meestal in zijn partij boeiender te maken middels een eigenzinnig rubato maar het is geen partij waarmee hij zich echt in de kijker kan zingen als dramatische basbariton. Zoals elke goede Méphistophélès beleeft hij zijn dramatische hoogtepunt tijdens de aanroeping van de dwaallichten. Uiteindelijk staat alles ten dienste van de finale uitsmijter “Je suis vainqueur”.

Opnieuw leek Edwin Crossley-Mercer tot meer in staat dan wat we op basis van de lengte van zijn rol als Brander mochten verwachten. Zijn samenzang met het mannenkoor in de Amen-fuga behoorde tot de hoogtepunten van de avond. De hele avond lang zal het MDR Rundfunkchor Leipzig uitstekend presteren. Jammer dat er geen knapenstem te horen was in de finale.

Marc Soustrot is een zangervriendelijke dirigent en de tempi die hij hanteert lijken de logica zelve. Dat de strijkers van het Malmö Symphony Orchestra gedisciplineerd kunnen spelen bewijzen ze tijdens de hellevaart. Dat ze ook zilveren draden kunnen spinnen, laten ze horen tijdens de mysterieuze lyriek van “D’amour, l’ardente flamme”. Even opmerkelijk zijn de grappige guirlandes van de klarinetten, de infernale kopers, de magnifieke solistische momenten van de altviool ("Le roi de Thulé") en de engelse hoorn ("D'amour l'ardente flamme") of de mistige wall of sound van de beide harpen tijdens het hemelse slotkoor. Het orkest slaagt erin ten allen tijde transparent te blijven spelen, ook tijdens de halsbrekende finale van de Hongaarse mars. Enkel in de luidruchtige hellevaart-finale leek er enige ontsporing tot chaos merkbaar.

Dit was mijn eerste bezoek aan de vernieuwde Elisabethzaal. Akoestisch voldeed de ruimte uitstekend. Zo kon je een tutti van de kopers een seconde lang horen uitsterven hetgeen bewijst dat de ruimte een mooie nagalmtijd te bieden heeft.

Geen opmerkingen: