Posts tonen met het label La Bohème. Alle posts tonen
Posts tonen met het label La Bohème. Alle posts tonen

dinsdag 1 december 2020

Otto Schenk met La Bohème in München (*****)

Café Momus © Wilfried Hösl

DE ENGEL EN HAAR LOSERS

In het kader van de corona-kolder die onze theaters al 9 maanden gijzelt is deze maand een nieuwe vorm van operabeleving ingezet: de scènische voorstelling zonder publiek! Het kunstwerk resoneert niet langer bij de aanwezigen in het theater maar bij al diegenen die voor luttele euro’s wereldwijd voor hun schermen hebben postgevat. Absurder dan dit wordt het allicht niet meer. Dat de kunstwereld reageert met creatieve oplossingen i.p.v. met verzet tegen de politiestaat zal ze zich nog wel beklagen maar dan zullen we al een flink stuk in 2021 zijn. Hoedanook deze live-stream was een schot in de roos.

Of deze productie geheel volgens het regieboekje van regisseur Otto Schenk is verlopen, is mij niet bekend. Ze verloopt alleszins volgens wetmatigheden die ik in Schenks vroegere werk zelden hebben aangetroffen : er is immers sprake van een èchte acteursregie die bij momenten -occasionele conventionele operagebaren niet te na gesproken- een hoge graad van natuurlijkheid weet te bereiken. Bijvoorbeeld tijdens het quintet waarbij Puccini's bohémien-vrienden een flesje beaujolais kraken op de art déco stoeltjes van het Café Momus. Even opmerkelijk is de afwezigheid van het koor in het tweede bedrijf. Een corona-ingreep?

Otto Schenk mag dan steeds volgens het boekje gewerkt hebben, waardoor alles in deze productie totaal voorspelbaar is, deze “old school”-productie heeft goed stand gehouden. Ze dateert zelfs van 1969! Dat komt omdat de solisten van dienst het stuk leven weten in te blazen met het talent en de ervaring die ze elders hebben opgedaan. Ook al zal de voorstelling 2 uur later applausloos ten onder gaan, waar het op aan komt is de vraag: heeft men van de zakdoekmomenten verschroeiende hoogtepunten weten te maken? Deze vraag kan volmondig met ja worden beantwoord.

De schaars uitgelichte decors van Rudolf Heinrich zetten de scène regelmatig in een clair-obscur ambiance hetgeen als vanzelf fraaie plaatjes aanlevert voor de enige voyeur in de zaal, de camera. Door het koor off-stage te houden valt de drukte op het toneel geheel weg in het tweede bedrijf. Dat werkt verhelderend voor de intiemere momenten. Zoals de belofte van Rodolfo om een mooiere halsketting te kopen wanneer hij zal erven van zijn rijke oom. Tja, Puccini's sympathieke bohémiens eindigen ook hier als de complete losers die ze zijn. Geen van hen heeft Mimi ook maar een sikkepit verder kunnen helpen.

De innemende Rachel Willis-Sørensen scoort over de hele lijn als het naaistertje Mimi. Dat doet ze niet alleen met die kuiltjes in haar wangen maar ook met een fraaie stemvoering en de ongekunsteldheid van haar portret. Wanneer ze een blik lentegevoel opentrekt (“ma quando vien lo sgelo”), tijdens haar grote aria “Mi chiamano Mimi”, lijkt ze te transfigureren in een romantische tragédienne. Dat is geen detail, dat is geniaal opgewoelde Puccini-pathos. In het tweede bedrijf is ze hartverscheurend net als in het zakdoekmoment van de sterfscène. Als naar gewoonte verdeelt goudhaantje Jonas Kaufmann zijn kunnen over zijn looks en zijn talent als “jeune premier” in het tenorvak. Mirjam Mesak zingt Musetta, gaaf en temperamentvol.Andrei Zhilikhovsky is een fascinerende Marcello. Uitstekende Benoit ook van Christian Rieger.

Asher Fisch levert met het Bayerisches Staatsorchester een warmbloedig-romantische lezing af die een tikkeltje nadrukkelijker aanwezig is in het klankbeeld dan de solisten. Die klinken vaak minder helder en minder gedetailleerd dan het orkest.
Rachel Willis-Sørensen (Mimi), Jonas Kaufmann (Rodolfo) © Wilfried Hösl

woensdag 16 december 2015

Robert Carsen met LA BOHEME in Antwerpen (****)


© Annemie Augustijns / ROH

DE DOOD ALS WAKE-UP CALL

Giacomo's Puccini's "La Bohème" is best wel een beetje autobiografisch. Als berooide student aan het conservatorium van Milaan deelt hij een tijd lang een kamertje met Pietro Mascagni. Het is zo klein dat de beide vrienden afspraken dienen te maken over de uren die ze wensen te besteden aan hun studie om mekaar niet teveel te storen. s'Avonds zetten ze een stapje in de wereld en versieren ze meisjes in de Galleria. Toch geven ze samen, in verhouding, een enorme som uit om de partituur van Parsifal te kopen. Zowel Mascagni als Puccini zal van zijn "vie de bohème" relatief snel afscheid kunnen nemen. Tien jaar later hebben beide componisten zich opgewerkt tot supersterren, Mascagni met Cavalleria Rusticana, Puccini met Manon Lescaut.

Maar hoe zit het met de dichter Rodolfo en zijn bohémien-vrienden uit Henry Murgers "La vie de bohème", dat aan de basis ligt van Puccini's opera? Gaat het om echte professionele kunstenaars of talentloze vagebonden? Murgers vriend Theodore Pelloquet meende in 1861 reeds : "La vie de bohème is hoegenaamd geen poëtisch boek over jeugd, over zorgeloosheid en vrolijkheid. Integendeel, een ziekelijk en ronduit bedriegend boek is het, van waaruit de zonde je toegrijnst en waarin de jeugd zich opdirkt als een overjarige verleidster ; de zorgeloosheid is geveinsd en probeert niet zozeer een poëtisch aandoende leegloperij te verbergen, als wel de verachterlijke apathie van mensen die moed noch talent hebben. Dichters noemen ze zichzelf, Denkers en Artiesten, maar in werkelijkheid houden deze mensen noch van de wetenschap, de poëzie of de kunst. Ze hebben zich uitgedost in de kleren - of eerder de vermomming - van dichters, denkers en artiesten, en dit om toch maar geen eerlijk beroep te moeten uitoefenen en om elke gelijkenis te vermijden met de bourgeoisie, die ze belachelijk maken en waar de meesten van hen zich boven stellen"

Hier wringt het schoentje inderdaad. Puccini oefent kritiek uit op de personages en voelt tegelijk met hen mee, zegt dramaturg Ian Burton. Van kritiek merk ik niets, van medeleven des te meer. Bij Mimi's dood beweent hij zijn eigen jeugd als bohémien-student. Wanneer hij die passage componeert, schrijft hij : "Ik begon te wenen als een kleine jongen. Het was alsof ik mijn eigen kind zag sterven."

In feite heeft Puccini geen catharsis voorzien voor zijn vrolijke bende, niet voor de dichter Rodolfo en zijn vrienden, niet voor het publiek dat 2 uur lang aan hun lippen heeft gehangen. Na de dood van Mimi stort Rodolfo in mekaar. De bohémiens eindigen als complete losers want geen van hen heeft Mimi ook maar een sikkepit verder kunnen helpen. Eén van de aangrijpendste momenten van deze legendarische productie van Robert Carsen doet zich daarom voor, helemaal op het einde. Tijdens de slotmaten zien we hoe de vier vrienden zich langs de vier windstreken van het toneel verwijderen terwijl Rodolfo, alleen achterblijvend, zich vermant en zich aan het schrijven zet. Voor hem is Mimi's dood een wake-up call voor een meer voldragen kunstenaarsschap. Zoals hij daar aan zijn schrijftafel plaatsneemt durf je hopen dat hij alle poëtisch aandoende leegloperij in de steek zal laten om de volgende Mimi in zijn leven een betere kans te gunnen. Een sterker beeld voor de beëindiging van de "vie de bohème" van deze jonge mensen had Carsen wellicht niet kunnen bedenken.

Deze 22 jaar oude productie, één van de succesnummers van Marc Clemeur, en die nu reeds voor de vierde maal door Opera Vlaanderen wordt hernomen, heeft niets van haar oorspronkelijke frisheid verloren. Wat is het dat deze productie zo tijdloos maakt ?

Er is de scenografische stunt van de zolderkamer met niets meer als een buffetpiano, een bed, een schildersezel en de emblematische kachel met schouwpijp die tot in de nok van de toneeltoren reikt. De scène is voortreffelijk uitgelicht door Jean Kalman. Er zijn geen muren, het speelvlak is gereduceerd tot een eiland van 4 op 4 meter, de rest is open ruimte waarin nonchalant de schrijfsels van de dichter Rodolfo rondslingeren. Zo stel ik mij wel eens de componeerruimte voor van de dilettantische veelschrijver Rossini. De toegang tot de kamer is enkel mogelijk via een luik in de toneelvloer, dat hier nooit ouderwets aandoet. Het dwingende van deze scenografische keuze is duidelijk: de acteurs hebben niet de ruimte om zich over te geven aan de holle gestiek waar het operabedrijf al te vaak onder lijdt. Carsen bereikt daarmee vrijwel hetzelfde effect als Carlus Padrissa twee jaar geleden in Keulen door het speelvlak voor het duet tussen Parsifal en Kundry in de ruimte te beperken tot niet meer dan een tafel.

Er is de gedifferentieerde regie van het koor in Café Momus. Dat geldt eveneens voor het goed presterende kinderkoor. Ook hier geen overbodige decors, alleen een uitvergroting van de "vie de bohème" : een decadent spel met kreeften en champagne en een aanzet tot een collectieve strip-tease.

De tolhekscène is volledig gestript van alle decoraanwijzingen uit het libretto. De focus komt daarbij als vanzelf op de interactie van de beide koppels te liggen. In het laatste tafereel zien we de mansarde terug. Ditmaal trekt Carsen een stevig blik lentegevoel open door het dieptragische einde van Mime te laten versmelten met een paasbloementapijt.

Opera Vlaanderen had weer eens een homogene bezetting bijeen gezocht. Ik zag de tweede bezetting. Daarin deed Luciano Ganci als Rodolfo zich het meest opmerken. Ganci is niet meteen een "jeune premier" die sex uitstraalt zoals David Hobson in de legendarische productie van Baz Luhrman maar hij weet vocale zinnelijkheid te paren aan een geëngageerd spel. Ganci klonk een beetje als een ongeslepen diamant met een zeer aangenaam timbre en een mooie projectie. Monica Zanettin had een goede indruk achtergelaten als Amelia in Brussel. In het middenregister klonk de stem niet altijd even fraai en het vibrato soms te weelderig, maar in de spinto momenten kon ze daarentegen heel goed overtuigen. De temperamentvolle Hasmik Torosyan als Musetta kon een uitstekende "Quando men vo" voorleggen. William Berger kon even goed overtuigen als Marcello.

Maar misschien was de beste speler op het veld toch nog dirigent Antonio Fogliani. Hij liet het orkest heerlijk musiceren en we zien hem graag terug in gelijksoortig repertoire. Dynamisch en agogisch was deze lezing heel evenwichtig. Ze had kleur en detail zonder zich ooit over te geven aan overdreven pathos. Opera Vlaanderen mag nu stilaan denken aan een nieuwe Puccini-cyclus.