Posts tonen met het label Das Rheingold. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Das Rheingold. Alle posts tonen

zondag 7 maart 2021

Francesca Zambello met Das Rheingold in San Francisco (****)

De Rijndochters © Corey Weaver

GOLDRUSH IN BAYREUTH-AT-THE BAY

Vertelt Francesca Zambello de Ring vanuit een Amerikaanse, zelfs Californische insteek? Heeft ze het stuk bedoeld als parabel van een milieucatastrofe en krijgt het stuk ook een feministische toets? "It suggests the power of female leaders to heal the scars of destruction", zegt ze in het programmaboek. Dat alles zal nog moeten blijken want in deze Rheingold, die ze zeer tekstgetrouw aflevert, is daar voorlopig nog weinig van te merken. Wat wel meteen duidelijk is, is dat ze alles vertelt met een grote helderheid en een grote dramatische coherentie. Kortom, dit zou de ideale instapproductie voor Ring-neofieten kunnen zijn. Voorspelbaar ja, maar als voorspelbaarheid leidt tot een kijk- en luisterervaring die geen seconde verveelt, dan heeft het hele team toch wel iets opmerkelijks gepresteerd, niet ? Je ziet hier zelfs geen wijdse conventionele operagebaren. Die kon je vorige week wél zien in het theater van de postmoderne woke-regisseur Lotte de Beer. Om maar te zeggen, Zambello doet het allemaal eenvoudig en vanzelfsprekend lijken en is dat niet het beste bewijs dat ze uitstekend handwerk heeft afgeleverd?

Op de ouverture kleeft Zambello een wonderland van ijskristallen op de videowand. Het water van de Rijn – of is het de Sacramento? – verkeert hier nog in zijn puurste staat. Alle tussenspelen zullen door kosmische natuurbeelden naadloos worden opgevangen en inspelen op de "mood" van de partituur.

Nevel alom in de aanvangsscène. Het is in wolken van koolzuursneeuw dat Alberich, in werkmans-overall, zich laat verleiden door de ingesnoerde tailles van de in Belle Epoque jurken geprangde Rijndochters. Vocaal vullen Stacey Tappan, Lauren McNeese en Renée Tatum dat voortreffelijk in. Scenograaf Michael Yeargan brengt ons vervolgens naar een belvedère terras in het hooggebergte. De popperige Freia heeft geen wonderbra nodig om het libido van Fasolt aan te vuren. Julie Adams zingt haar voortreffelijk en gunt Fasolt bovendien verlangende blikken bij het afscheid. De Reuzen, moeizaam stappend op cothurnen en grijpend met cybernetische vingers, zijn redelijk grappig, vooral door Fafners gestiek die een zekere mentale achterstand verraadt. Wotan, met rijlaarzen en adellijke blazer, completeert zijn goddelijke outfit met de speer op kritische momenten.
Falk Struckmann als Alberich © Corey Weaver

De Nibelheimse hel dompelt de scène in Luciferiaans rood met Alberich als de brutale mijneigenaar. Het koor en de figuranten zijn deels verticaal opgesteld. Falk Struckmann beheerst de scène en dat is wat mij betreft een grote verrassing want van Struckmann had ik de laatste jaren weinig meer gezien dan saaie voordrachten van een uitgebluste vertolker. Hier is hij de karaktervolle anti-Wotan, verzot op zijn rol als heerser over het Nibelheimse slavenleger. Hij articuleert met grote welsprekendheid, legt alle nodige dramatisch accenten en maakt vooral duidelijk waarom het de heerlijkste rol is om te doen in Das Rheingold. “Bin ich nun frei” heeft referentiestatus naast die van Gustav Neidlinger en Franz Mazura.

Donner creëert bliksemschichten door zijn hamer in de lucht te tillen. Brian Mulligan, een luxe-bezetting, zingt daarbij een erg mooi “Heda-Hedo”. Tijdens de finale weeklacht van de aan lager wal geraakte Rijndochters steekt Loge het contract met de Reuzen in brand met een aansteker terwijl de godenfamilie zich een weg baant langs de loopplank naar een onzichtbare oceaanstomer.

Stefan Margita maakt een fantastische beurt als Loge, Wotan’s fixer, één van de beste vertolkingen die ik in deze partij ooit gehoord heb. Het is ook de meest gave prestatie van de avond. De passage waarin hij de verzwakking van de goden bekommentarieert nadat Freia, meegesleurd door de Reuzen, de fruitschaal met appels heeft meegenomen, is ontroerend mooi.

Is Greer Grimsley de zwakste schakel in deze Ring? Dat zal volgende week in Die Walküre duidelijk worden tenzij hij merkelijk beter presteert dan 2 jaar geleden in de Lepage-Ring aan de Met. Het timbre is vaak onaangenaam, gekleurd door nasale klanken. Wat toen vooral ontbrak was muzikale intelligentie.

Jamie Barton toont weinig stem in de mezza voce gedeelten. De furie van het Walküre-duet zal ongetwijfeld beter passen bij haar vocale mogelijkheden. Ronita Miller zingt Erda’s tussenkomst als een indrukwekkende Mama Africa.

De klank is niet optimaal. Sommige mannelijke zangers (Wotan, Alberich) klinken bij momenten onaangenaam hard en ruw.

Nog te bekijken tot morgen maandag 09.00. Die Walküre : 13-14 maart
Brian Mulligan (Donner), Brandon Jovanovich (Froh),
Julie Adams (Freia), Jamie Barton (Fricka) © Corey Weaver

woensdag 19 juli 2017

Dietrich Hilsdorf met Das Rheingold in Düsseldorf (***½)

Michael Krauss als Alberich
© Hans Jörg Michel
UND FÜR DAS ENDE SORGT ALBERICH

In Das Rheingold wilde Wagner de demonische geest van de industriële revolutie bezweren. In Nibelheim wordt uit het geroofde Rijngoud een ring gesmeed die de drager ervan onbeperkte macht verleent. Net voordien is het goud nog pure schoonheid, nog niet opgenomen in de fatale kringloop van macht en bezit, nog niet aangetast door hebzucht en door het verlangen die schoonheid te exploiteren. Dat laatste is de oerzonde van Alberich, de rover van het goud. Voor de schoonheid van de schat heeft hij geen oog. Hij kan hem niet laten voor wat hij is, hij wil hem bezitten om zijn macht te vergroten. Hij ontwijdt de waarde ervan door hem te willen exploiteren. Die houding van willen-exploiteren is er één van liefdeloosheid. Zijn koude hart is machtig omdat het geen liefde kent. Wagner meende een bevolkingsgroep te kennen die excelleerde in het exploiteren van schoonheid en het corrumperen van de kunst. Hij hield hen graag een spiegel voor maar wij, slachtoffers van de heersende terreur van de politieke correctheid, zijn het antisemitisme gaan noemen. Zijn tijdgenoten die hem daarvoor bewonderden en zelf tot die bevolkingsgroep behoorden zijn we zelfhatende joden gaan noemen. Het is een voorbeeld van hoe wij in onze postmoderne samenleving geleerd hebben om problemen niet langer meer te zien als problemen. Liever smeren we de klokkenluider in met pek en veren.

Dietrich W. Hilsdorf neemt Wagners jodenkritiek ernstig. Alberich krijgt van hem immers de trekken van een archetypische jood. Molenwiekend baant hij zich een weg doorheen het stuk, met een bochel, graaierige handen en een gestoorde motoriek. Dat Wagner ook veel sympathie had voor zijn tragische zondaar, meer nog dan Shakespeare voor Shylock, wordt wel eens over het hoofd gezien en Michael Krauss is de geknipte figuur om doorheen dat pantser van liefdeloosheid flitsen van die sympathie te tonen. Wordt vervolgd volgende week in Bayreuth met Die Meistersinger von Nürnberg.

Hilsdorf liet zich ook inspireren door Les Rougeon-Macquart, de monumentale romancyclus van Emile Zola die net als Wagners Ring één van de essentiële apocalyptische familiekronieken is van de 19e eeuwse burgerwereld. Zoals Hilsdorf dat heeft uitgewerkt loert Patrice Chéreau voortdurend om de hoek. Daarmee is het grootste gebrek van deze eerder conventionele productie blootgelegd. Hilsdorf vindt geen beelden die gelijke tred kunnen houden met Chéreau’s eeuwfeest-Ring in Bayreuth en vindt hij die wel dan zet hij stevig in op spektakel. Driemaal zal hij Wagners partituur aanvullen met onverwachte decibels: tijdens Donners "Heda, Hedo" zal het donderen tot in Keulen; bij het verschijnen van de Wurm (een wuivend drakenpootje) donderen stenen uit de toneeltoren; bij het betreden van het onderaardse Nibelheim zullen twee mijnwagons luidruchtig door de wanden van het eenheidsdecor denderen.

Maar eerst laat hij het stuk openen in een soort hyperrealiteit à la Twin Peaks. Als een magiër verschijnt Loge voor het Lynchiaanse rode gordijn in een ceremonieel kostuum in wijnrode moiré tinten. Het proscenium is dat van een variété-theater, afgeboord met gloeilampen die later ook de kleuren van de regenboog zullen aannemen. Hij steekt zijn handen in brand en fluistert ons toe: "Ich weiss nicht was soll es bedeuten". Het is de eerste regel van “Die Lore-ley”, een gedicht van Düsseldorfs meest bekende burger Heinrich Heine. Vervolgens legt hij in deze korte, raadselachtige conférence de klemtoon weer op "es". Dan pas starten de Es-dur akkoorden van de Rheingoldprelude.

Even later zal hij een geblinddoekte Alberich in het spel brengen. Hij lokt hem in een bordeel, het speeloord van valse dromen en geluk. Menig aan lager wal geraakte bourgeois zal hier voorbij komen, de fles absynth meestal binnen handbereik. Op een stalen trap spelen de Rijndochters, hoertjes zoals we ze kennen uit de prenten van Toulouse-Lautrec, hun fatale spel van aantrekken en afstoten. Later zal Loge onder één hoedje spelen met de Rijndochters.

Waarom Wotan per rolstoel door Fricka op het toneel wordt gereden wordt nooit duidelijk. Een zonnebril verhult zijn geofferd oog maar een interessant profiel krijgt hij, ondanks Simon Neals uitstekende vertolking, eigenlijk nooit. Rokkostuum en cilinderhoed bevestigen de status van de reuzen als suksesvolle ondernemers. Fricka manifesteert zich vooral als de jaloerse echtgenote. Het verschijnen van Erda en de Rijndochters als rivalen baart haar grote zorgen.

Nibelheim is de wereld van Germinal, met mijnwerkers in blote bast, blinkend van het zweet als de moderne slaven van de industriële revolutie. Albericht verliest zijn hand tijdens de worsteling om de Ring. Die komt hij grappig genoeg terug ophalen tijdens zijn laatste grote nummer "Bin ich nun frei".

Waarom bij het weerklinken van het Walhall-thema de zaallichten aan gaan is voorlopig niet duidelijk. In de finale hervalt Hilsdorf in een klassieke dramaturgie wanneer hij Wotan laat uitpakken met de speer. Ook het zwaard Nothung introduceert hij vroegtijdig in het stuk.

Simon Neal zingt Wotan als een heldenbariton. Mijn voorkeur gaat echter uit naar een basbariton. Maar dit was heel intelligent gearticuleerd met een perfecte dictie en de stem projecteerde goed. " Zu mir, Freia!" was schitterend en zijn finale uitsmijter "So grüss ich die Burg "was heel behoorlijk.

Michael Kraus' timbre is nog altijd mooi maar een tikkeltje grauwer geworden. Deze Alberich was mooi gearticuleerd maar uiteindelijk kwam hij toch iets aan kracht te kort om van deze partij een echt zinnelijke ervaring te maken. Renée Morloc als Fricke had niet alleen last van de escapades van haar overspelige echtgenoot, ze worstelde ook met de registerovergangen.

Norbert Ernst als Loge presenteerde zich met een weinig aantrekkelijke stem en de saaiste voordracht van de avond. Cornel Frey zong dan weer een uitstekende Mime en Bogdan Talos liet zich opmerken als een uitstekende Fasolt met een mooie projectie. Thorsten Grümbel als Fafner stak daar wat bleek tegen af. Susan Maclean is geen alt. De aardse tonen van een alt zijn haar vreemd.

De Düsseldorfer Symphoniker is de Berliner Philharmoniker niet en Axel Kober kan van hen niet altijd de gewenste precisie verkrijgen. In het algemeen klonk deze lezing een beetje ruw zoals tijdens de ouverture of de “Einzug der Götter”. De balans tussen de instrumentgroepen was niet steeds optimaal. Details in de houtblazers waren soms verrassend, soms wat vulgair. Het geluid van de aambeelden kwam van de band en klonk tamelijk luid. Opdat het gelukshormoon oxytocine zich zou nestelen in onze hersenen zal de Oper am Rhein toch nog wat meer haar best moeten doen.

Indien zou blijken dat deze Ring in zijn verder verloop overeind zal worden gehouden door zijn cast dan zou Die Walküre de beste aflevering van dit vierluik kunnen worden met Linda Watson als Brünnhilde, de opkomende Wagnersopraan Elisabet Strid als Sieglinde en Simon Neal als Wotan. De eigenlijke lakmoestest voor het orkest voorzie ik voor Wozzeck in november in de regie van Stefan Herheimer.

woensdag 23 september 2015

Johan Simons met DAS RHEINGOLD in Bochum (*****)


EEN GODDELIJK SPEKTAKEL

René Hooyberghs postte volgend verslag van Das Rheingold in Bochum op 16 september:

De eerste opera van het nieuwe seizoen, en het risico is reusachtig groot dat dit al hét evenement van 2015-16 was. Het begint allemaal een beetje te laat, in de reusachtige fabriekshal die de Jahrhunderthalle ooit was. Dus verflauwt stilletjes het afwachtend gemurmel van het publiek. Het enorme podium van deze wonderlijke plek, een reusachtig schrijn van industriële macht uit een wazig wordend verleden van het rijke Roergebied, blijft leeg. Eén man, in kelnerkostuum, loopt al een tijdje te ijsberen voor het decor boven het orkestpodium: het Walhallah, een Wit Huis, deuren en ramen hermetisch gesloten. Dan sijpelt het orkest binnen, sectie per sectie. De dirigent. De slepende, plechtige ouverture, opgeborreld uit de bodem van de Rijn, die voor het orkest ligt afgebeeld: gekanaliseerd, getemd: drie vrouwen liggen erin, verslagen. Stilstaand water, rotsen. Daaronder ergens ligt de schat waar vier volledige opera’s, twaalf uur muziek, over vertellen. Das Rheingold. Een oude vrouw wandelt door het water, voorzichtig stappend van rotsblok naar rotsblok. De tonen van de ouverture worden scherper, wervelend.

Het machtsspel kan beginnen. De strijd om het monopolie over wereldmacht. Wotan, de oppergod, wil uiteraard de macht voor zich alleen. Alberich, een dwerg, probeert hem te slim af te zijn. Het werkvolk, de smeden, willen hun deel. Bijna alles hebben de rivalen ervoor over: Alberich wil voor altijd aan de liefde verzaken als hij de sleutel – De Ring van de Nibelungen – maar kan bemachtigen. Wotan wil er zijn geliefden voor opofferen. Het is een verhaal dat we nog alle dagen in de tv-journaals live kunnen volgen. Het is een verhaal van lang voor Wagner’s tijd. Regisseur Johan Simons heeft zich niet in bizarre bochten moeten wringen om er een nog maar eens een sensationele interpretatie aan te willen geven. Zijn goden zijn gekleed in tijdloze maatpakken. Zijn smid ziet er als een smid uit, en hoe! Zijn Rheintöchter zijn aantrekkelijke jonge vrouwen. Zijn Freia een tikje exotischer, in s/m-pakje gestoken, aan de leiband gehouden door haar broers. Zijn Fricka een welgeklede vrouw van stand. Zijn Loge een sluwe, elegante vos, die huppelend van kant naar kant overal de dans ontspringt. Zijn dwerg Alberich een tragische would-be heerser. En wat zou Richard Wagner een plezier hebben beleefd aan het onweer dat boven Bochum losbrak, met donder en bliksem en een roffelende stortbui op het dak van de Jahrhunderthalle, net op het cruciale ogenblik dat Alberich de eed uitspreekt nooit aan de liefde te zullen toegeven, zich zo de rechten op de almachtige Ring verwervend, en de Rheintöchter als losers in de stroom achterlaat. Donnerwetter, wat waren de goden ons genadig!

Wat valt verder over deze monsterlijk mooie uitvoering te vertellen? Veel, nooit genoeg. Niemand wil de show stelen, maar zonder twijfel is de absolute uitschieter de tenor Peter Bronder (al in 2007 in Gent gezien als Loge in Rheingold en als Mime in Siegfried, telkens in regie van Ivo van Hove). Zelden werd iemand zo goed gecast en geregisseerd als door Johan Simons: deze kleine, vinnige, elegante acteur, schitterende zanger ook, die zich schijnbaar nauwelijks moeite moet getroosten om als een vos tussen de rivaliserende partijen te sluipen, de perfecte intrigant die overal een giftig woordje gaat rondstrooien. Hoe hij de dwerg Alberich (Leigh Melrose) zich sluw tot slang en pad laat transformeren is heerlijk om zien. Maar even heerlijk is om te zien (en horen) hoe knap Alberich die slang en pad wordt, kruipend en kronkelend en zingend. Hoe de goden die stommiteit monkelend zien gebeuren. Hoe voordien de drie Rijndochters zo prachtig unisono hun verleidelijk gezang laten klinken, maar machteloos moeten toezien hoe Alberich daaraan kan weerstaan.

Al even knap hoe de smeden (geassisteerd door orkestleden én dirigent) met hun hamers tekeer gaan tijdens de scenische pauze, terwijl het orkest doorgaat met spelen. Wat een reus, de bas Peter Lobert! De schitterende acteur Stefan Hunstein, die nauwelijks één minuut niet op de Bühne aanwezig is, en ook nog een tirade afsteekt tijdens het tussenspel. Hoe vertederend, de Amerikaanse Jane Henschel (als Erda), die met een eeuwig jeugdige stem (ze is 63) haar troostend lied brengt en zich dan gedurende een half uur bewegingloos op de Rijnrotsen neervleidt, een uitgeputte Wotan aan haar zijde. Hoe verleidelijk, Freia (Agneta Eichenholz), hoe gedistingeerd tragisch, Fricka (Maria Riccarda Wesseling).

Niemand vergeten? Jawel: de expressieve dirigent Teodor Currentzis, die om de strijkers tot zoetere tonen aan te manen zowat op de buik moest gaan liggen. Het fantastische orkest MusicAeterna, inclusief de elektronische tussenkomsten die nergens Wagner voor de voeten lopen. Het decor van Bettina Pommer. De Jahrhunderthalle op zich, een tempel zoals Wagner die zich zou kunnen gedroomd hebben voor dit werk. Wagner zelf natuurlijk, voor deze heerlijke muziek.

Als dit nu al het hoogtepunt van het nieuwe seizoen is, wordt al wat nog moet volgen dan verloren tijd? Nee hoor, ik zet deze opzij, dit moet of kan met niets vergeleken worden. Zo kan wat nog volgt vrij ademen.
Zal Johan Simons de drie verdere delen van de Ring ook gaan regisseren? Hopelijk wel, maar hopelijk niet met een interval van drie jaar voor de Ruhrtriënnale, zoveel geduld hebben de goden me niet gegund.

Johan Simons met DAS RHEINGOLD in Bochum (*****)


ES IST EIN MÄCHTIG DING, DAS GOLD, DAS GOLD !

Er is geen twijfel mogelijk, in Der Ring des Nibelungen wilde Wagner de demonische geest van de industriële revolutie bezweren. In Nibelheim wordt uit het geroofde Rijngoud een ring gesmeed die de drager ervan onbeperkte macht verleent. Op dat moment is het goud nog pure schoonheid, nog niet opgenomen in de fatale kringloop van macht en bezit, nog niet aangetast door hebzucht en door het verlangen die schoonheid te exploiteren. Dat laatste is de oerzonde van Alberich, de rover van het goud. Voor de schoonheid van de schat heeft hij geen oog. Hij kan hem niet laten voor wat hij is, hij wil hem bezitten om zijn macht te vergroten. Hij ontwijdt de waarde ervan door hem te willen exploiteren. Die houding van willen-exploiteren is er één van liefdeloosheid. Zijn koude hart is machtig omdat het geen liefde kent. Het zijn gedachten die Wagner ook doortrekt in zijn jodenkritiek.

De technologische vooruitgang waar de negentiende-eeuwse maatschappij zich zo lichtvaardig aan overgeeft, bekijkt Wagner met argusogen. Als romantisch kunstenaar weigert hij zich neer te leggen bij de onttovering van de wereld, die hij als het onvermijdelijke gevolg ziet van rationalisering, techniek en economisch denken. "Als mensen bedolven geraken in koolmijnen dan ervaar ik verontwaardiging ten aanzien van een samenleving die voor haar verwarming een beroep doet op zulke middelen", zo vertrouwt hij toe aan het dagboek van Cosima, nauwelijks een jaar voor zijn dood.

Het is haast verbijsterend hoe scherp Wagner het immanente totalitarisme van de ontketende industriële maatschappij heeft voorzien. Terwijl de industriële revolutie in het werk van Rossini slechts een illustratieve muzikale pendant vindt in zijn beroemde crescendi is zij voor Wagner aanleiding tot een indringende schildering van de condition humaine. Nibelheim is niets minder dan de industriële hel. Het is het inferno waar de langgerekte kreet weergalmt van een krioelende en uitgezogen mensenmassa, slachtoffers van een verontmenselijkte industriële dwingelandij. In de onzichtbaar makende Tarnhelm ontdekt Alberich een perfect instrument om zijn geknechte Nibelungen te bespioneren, een handig middel waarmee het oog van de machthebber zich onzichtbaar onder de zwoegers kan begeven om elke poging tot verzet in de kiem te smoren. Wat Alberich aanheft is het triomflied van de totale heerschappij, de proclamatie van de politiestaat.

Alfred Hitchcock wist het al: ieder goed verhaal begint met een goede schurk. Ook al zijn er twee schurken in dit verhaal, het is Alberich die in Bochum de show steelt.

Gespeeld wordt er op drie niveau's. Drie waterplassen simuleren de Rijn. Daarboven troont de witte façade van het Walhalla, een industriële villa uit Wagners eigen Gründerzeit. Daartussen heeft het uitgebreide orkest postgevat, geflankeerd door adventure seats voor het publiek. De meeste actie speelt zich af op het laagste niveau in nauw contact met het publiek. Vooral voor de voorste rijen van de publiekstribune is dat een tractatie. Akoestisch is de ruimte bij gebrek aan reflecterende wanden niet voordelig. De acteurs dragen microfoontjes in het haar maar hoe de klankinstallatie hun stemmen ondersteunt is vrij onduidelijk want je hoort geen stemmen uit de luidsprekers. Straffer nog, nergens zijn monitoren te bespeuren en hoe de acteurs op het Rijnniveau, constant met de rug naar de dirigent, deze klus met zoveel precisie hebben kunnen klaren is mij een volslagen raadsel. Hoe het ook zij, de zangers waren op de voorste tribunerijen probleemloos te horen en de balans met het orkest was uitstekend.

Bezoekers van de Jahrhunderthalle worden verwelkomd met een electronische dreun die naadloos in de Es-Dur akkoorden overgaat van Das Rheingold en van de Griekse muziekmystagoog en dirigent Teodor Currentzis nog een tijdje mag blijven nazinderen. Als een sprookjes-grootmoeder heeft Erda inmiddels plaatsgenomen aan de rand van het bassin waar ze het gebeuren twee uur lang zal gadeslaan alvorens haar grote nummer te brengen. In de waterplassen drijven drie welgevormde etalagepoppen tussen resten van stucwerk en steenbrokken, bedoeld als ontdubbeling van de Rijndochters. De echte Rijndochters zijn bloedmooi en met hun hoerige nylons in hun rubberlaarzen ook heerlijk uitdagend. Ze beginnen hun partij vanaf drie lessenaars maar mengen zich gaandeweg in Alberichs delirisch gestoei met de poppen. Door de regie is dat bijzonder knap opgelost en het valt op hoe gedetailleerd en tekstgetrouw Johan Simons hier te werk is gegaan. Simons wilde ook de geschiedenis van de Ruhr vertellen. Wat Alberich rooft is dan ook een klomp van het zwarte goud.

Mika Kares speelt Wotan gedistingeerd maar zonder veel charisma. Hij zingt hem als een echte basbariton en dat verdient zoals u weet, mijn voorkeur. Zijn projectie was uitstekend en zijn dictie nagenoeg perfect. Peter Bronder kon zich helemaal uitleven als Loge, een partij die hij kent als zijn broekzak.

De reuzen maken hun entree vanuit de hoge zijbeuken van deze industrie-kathedraal. Freia, met zwarte latex body en hondenhalsband, valt vooral in de smaak van Fasolt. Frank van Hove als Fasolt, contrasteerde mooi met de als dommekracht getypeerde Fafner van Peter Lobert. De weg van het Walhalla tot de Rijn is een hele rit die de zangers meermaals doorheen het orkest dienen af te leggen. Zo ook Sintold de Hegeling, een personage dat dramaturg Jan Vandenhouwe vermoedelijk uit het derde bedrijf van Die Walküre heeft opgevist en hier gecast wordt als kamerdienaar van Wotan, een spreekrol voor Stefan Hunstein. Na het verdwijnen van Freia stort hij een schotel papperige goud geverfde appels voor de tribune uit.

Johan Simons had duidelijk de intentie Wagners links-revolutionaire opvattingen in de verf te zetten. Na het aambeeldengekletter - live uitgevoerd door het orkest en aangevoerd door de kolossale Peter Lobert - gaat Wagners partituur on hold. Het intermezzo dat volgt is geen cesuur die de Rheingold-partituur bloedend en verminkt achterlaat maar een perfect geïntegreerde woede-monoloog, een onderonsje tussen wereldverbeteraars Johan Simons en Elfriede Jelinek. Proudhons "Eigentum ist Diebstahl" horen we door de megafoon die Stefan Hunstein naar de tribune zwaait. Miko Vainia deed niet echt een poging om hierbij muziek te schrijven en Wagner voor de voeten te lopen. Het bleef grotendeels bij een bruitage soundscape waarin de aambeelden verder aan zet blijven. Ondertussen zijn leden van het orkest begonnen met hamers op de tribune te kloppen. Wellicht hadden daar ook enkele slavendrijvers uit het Duitse bedrijfsleven postgevat, conform aan het linkse cliché van de kapitalist. We durven hopen dat Johan Simons ook op zoek zal gaan naar teksten die de zegeningen van het kapitalisme reflecteert of het totalitarisme waar de linkse utopie ons naartoe heeft gevoerd. Een zwart-wit verhaal brengen kan nooit de bedoeling zijn van de kunst.

Dan is het tijd voor een bezoek aan de mijn van Nibelheim. Als mijnwerker is Alberich niet te beroerd om door het stof te gaan. Zijn gezicht is net zo zwart geblakerd als dat van Mime. Het maakt hem tot een nog sympathiekere schurk dan hij al is. De Tarnhelm is vanzelfsprekend een mijnwerkershelm. De transformatie in de Wurm kreeg van Simons geen uitbeelding maar de angst die het opriep bij Mime des te meer. Leigh Melrose als Alberich, onlangs nog in de cinema te beleven als de fascinerende Escamillo in Calixto Bietio's Carmen voor ENO, profileerde zich als held van de dag. Zijn zeer fysieke spel ontspoorde nooit in over-acting. Zijn engagement versaagde nooit en met zijn kernachtige bariton en spannende voordracht in vlekkeloos Duits kon zijn prestatie een regelrechte sensatie worden genoemd. De scène in Nibelheim maakte hij tot het vocale en scènische hoogtepunt van de voorstelling. In Elmar Gilbertsson als Mime vond hij een even klassevolle partner. Hij deed dat zo goed dat zijn laatste grote nummer "Bin ich nun frei" daar een beetje bleek tegen afstak. Allicht begon vermoeidheid ook een rol te spelen en ik mag hopen dat hij aan dit avontuur geen enkeldistorsie heeft overgehouden.

Jane Henschel weet haar aparte gestalte steevast in te zetten ten voordele van het personage dat ze speelt. Wie haar Klytemnestra kent weet wat ik bedoel. Erda's vermaning aan het adres van Wotan was dan ook één van de vele hoogtepunten.

De samensteller van dit team van zangers en acteurs verdient een pluim want behalve Peter Bronder en Jane Henschel stond hier niemand op het podium met een grote internationale carrière. Nochtans heb ik zelden zo'n homogene cast met zoveel speelplezier aan het werk gezien in een Wagneropera.

Teodor Currentzis' orkestdirectie is een choreografie op zich. Dansend werkt hij zich doorheen de partituur en schuwt daarbij het effect en het grote gebaar niet. Hij geeft daarbij bijzonder veel aanwijzigingen aan zijn brutaal jonge muzikanten uit Perm, al gaan de bedrijvige handen ook regelmatig door het modieuze kapsel. In de grote climaxen laat hij zijn muzikanten rechtopstaand musiceren, een stunt die het orkest nog overweldigender laat klinken.

Twee dagen voordien had Johan Simons twee uur lang mijn zenuwen op de proef gesteld met Accatone, een nietszeggende tekst van Pier Paolo Pasolini waarin sommigen een kritiek op het kapitalisme menen te herkennen eerder dan het requiem van een leegloper. Deze voorstelling liep synchroon met de steriele ambtenarenmuziek van meester Bach en zijn kinky religiositeit. Theater mag een beetje kloten hebben, had ik luidop naar de regisseur willen roepen, die vrijdagavond in de haven van Gent. Twee dagen later had Simons alles goed gemaakt. Eén ding is zeker: Gerard Mortier, initiator van de Ruhrtriennale anno 2002, zou dit een geweldige voorstelling hebben gevonden. Niet toevallig heeft Johan Simons, die Mortier graag als zijn mentor laat opdraven, een Mortieravond gepland in NTGent. Welcome back in Gent, Johan Simons!

woensdag 25 februari 2015

Das Rheingold op de Ruhrtriennale 2015

Johan Simons, de nieuwe artistieke directeur van de Ruhrtriennale, zal een 4 uur durende versie van Das Rheingold regisseren in de Jahrhunderthalle in Bochum. Voor die gelegenheid zal Wagners partituur worden aangevuld met electronische muziek van Mika Vainio.

Simons legt de nadruk op Wagner de revolutionair en anti-kapitalist en noemt de voorstelling een creatie op de grens van opera, theater, installatie en ritueel.

Dirigent is Teo Currentzis. Bezetting : Wotan - Mika Kares (Bass), Alberich - Leigh Melrose (Bariton), Fricka - Maria Riccarda Wesseling (Mezzosopran), Wellgunde - Dorottya Láng (Mezzosopran), Freia - Agneta Eichenholz (Soprano), Woglinde - Anna Patalong (Soprano), Erda - Jane Henschel (Alto),