Posts tonen met het label Richard Wagner. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Richard Wagner. Alle posts tonen

zaterdag 12 februari 2022

Het Proces van Friedrich Nietzsche. Voorspel.

Hans Peter Janssens als Nietzsche
in Jan Fabre's Tragedy of a Friendship © Wonge Bergmann

THE BOULEVARD OF BROKEN DREAMS. English version

"Het vreemde is dat ik, die me uiteraard altijd al aan de kant van Nietzsche plaatste, nu bij het herlezen Nietzsche's doortraptheid en zelfs oneerlijkheid ten opzichte van Wagner heb leren doorzien. Zijn eerste geschrift over Wagner in Bayreuth bulkt van de zogezegde lofuitingen die eigenlijk subtiele beledigingen zijn, het is geniaal gedaan maar ergens ook minabel omdat hij niet rechtuit durfde te zijn tegen de man die hij een beetje als vaderfiguur zag. En de vadermoord in Der Fall Wagner is eigenlijk hysterisch, onsamenhangend, een filosoof van zijn kaliber onwaardig. Hij wist dit zelf wel; de geestelijke ineenstorting in Turijn die hij nooit meer te boven kwam, manifesteerde zich enkele dagen nadat hij na lang aarzelen het manuscript van Nietzsche contra Wagner naar de uitgever had gestuurd. In zijn laatste jaren waarin hij vaak versuft zat te dommelen, hief hij bij het horen van de naam Wagner het hoofd en mummelde: Den habe ich sehr geliebt. Tragisch genoeg." (STEFAN HERTMANS, Vlaamse Opera Nu 21, 2013)

De vriendschap van Friedrich Nietzsche met Richard Wagner behoort tot de meest fascinerende uit de cultuurgeschiedenis omdat ze eindigt met een breuk en vervolgens woorden zoekt van afkeer. Maar Nietzsche’s afkeer van Wagner is een gefascineerde afkeer, een soort omgekeerde liefde. Zelfs in zijn meest boosaardige stukken klinkt de stem van de geëxalteerde minnaar door, een minnaar waarvan de temperatuur wisselt van ijzige koude tot gloeiende hitte. Het is de geschiedenis van een ongelukkige liefde waaraan beiden hebben geleden, en Nietzsche ontegenzeglijk het meest. Hij raakte daardoor in een steeds groter isolement en werd eenzamer dan hij ooit was geweest, een eenzaamheid die ten slotte zal uitmonden in zijn totale geestelijke ineenstorting.

Wagner is present als een rode draad doorheen heel Nietzsche's oeuvre, van ‘Die Geburt der Tragödie’ tot en met zijn ultieme pamflet ‘Nietzsche contra Wagner’. Dat hij het nodig vond om ‘Der Fall Wagner’, geschreven in het voorjaar van 1888, en gevolgd door ‘Ecce Homo’ in oktober/november van datzelfde jaar, nog te laten volgen door ‘Nietzsche Contra Wagner’, wijst toch wel op een zekere obsessie, een dwangmatige afrekening zo dicht bij zijn geestelijke ineenstorting. Is zijn ineenstorting, naar men vermoedt, te wijten geweest aan een post-syfilitische, progressieve paralyse, de verscheurende vete met Wagner moet hem toch ook zwaar hebben getekend.

Hoe kom je doorgaans voor het eerst iets te weten over de breuk tussen Nietzsche en Wagner? Door het lezen van ‘Der Fall Wagner’, ‘Ecce Homo’ en ‘Wagner contra Nietzsche’, boekjes die in elke boekhandel nog steeds voorhanden zijn. Ze zijn erg goed geschreven en dwingen daardoor alleen al respect af. Steevast zijn ze voorzien van een introductie geschreven door een enthousiaste Nietzscheaan. Van Nietzscheanen weten we ondertussen dat ze doorgaans geen flauw benul hebben waar Wagner voor staat. Er bestaat ook geen wederwoord van Wagner. Nietzsche was sluw genoeg om zijn afrekening te presenteren nadat de componist zijn hoofd had neergelegd. En zo heeft Nietzsche de argeloze lezer meteen daar waar hij hem hebben wil : als toeschouwer bij een titanenkamp, kijkend door zijn bril. De werkelijke redenen voor zijn breuk met Wagner heeft Nietzsche nooit toegegeven. Zijn eigen analyse is een cover-up waarbij hij zijn rhetorisch talent inzet om via mystificaties en rationaliseringen zijn afvalligheid met de glans en het aureool van een filosofische daad te bekronen, één die de argeloze lezer tot de dag van vandaag weet te misleiden. Kortom, wanneer de wedstrijd begint staat het scorebord reeds op 1-0 voor Nietzsche.

Naar de buitenwereld toe toont Nietzsche zich een goede verliezer maar in de feiten is hij precies het tegenovergestelde. Het negeren van Nietzsche’s persoonlijke motieven behoort tot de etiquette van de rechtgeaarde Nietzscheaan die het voor verwerpelijk houdt om van de filosofisch wolk af te dalen naar de parterre van het menselijke, al te menselijke. Nietzscheanen doen deze feiten graag af als "la petite histoire" want het maakt hun held in de ogen van de wereld een heel stuk kleiner. Zo schrijft Hans Driessen in het naschrift van zijn vertaling van ‘Nietzsche contra Wagner’ : "Wanneer we ons realiseren dat Nietzsche zich wel móest afkeren van Wagner om tot zichzelf te komen, om zichzelf te bevrijden, lijkt het al te simpel, om niet te zeggen misleidend en verhullend, op het biografische vlak naar incidenten te zoeken die de breuk zouden verklaren. Dit is overigens in de omvangrijke literatuur die er over Nietzsche Wagner bestaat, veelvuldig gebeurd. Zo zou Nietzsche met Wagner hebben gebroken uit rancune over het feit dat deze hem niet als musicus erkende: Nietzsche als de gemankeerde musicus. Ook schaamt men zich er niet voor allerlei seksuele verwikkelingen voor de breuk verantwoordelijk te stellen. Nietzsche zou volgens sommige would be freudianen een meer dan platonische liefde hebben gekoesterd voor de grote maestro: Nietzsche als de gemankeerde homoseksueel. Weer anderen menen te moeten veronderstellen dat Nietzsche heimelijk verliefd was op Cosima Wagner: Nietzsche als de gemankeerde minnaar. In deze seksuele sfeer hoort ook het steeds weer opduikende verhaal thuis van de "dodelijke belediging". Op een gegeven moment schrijft Wagner een brief aan de arts van Nietzsche, waarin hij oppert dat Nietzsches ziekte wel eens het gevolg zou kunnen zijn van diens overmatige onaneren. Door een indiscretie krijgt Nietzsche deze brief onder ogen en hij voelt zich begrijpelijkerwijs in zijn eer gekrenkt. Als Nietzsche het in zijn latere werk en in zijn latere brieven herhaalde malen heeft over een "dodelijke belediging", hem door Richard Wagner toegevoegd, dan zou hij op deze brief doelen. Uit recent onderzoek van Nietzsches correspondentie blijkt echter dat hij met die "dodelijke belediging" een veel minder smoezelig voorval bedoelt, namelijk Wagners knieval voor het Kruis, zijn langzame en heimelijke terugkruipen in de moederschoot van de Kerk."

Heb je eenmaal besloten om, zoals Hans Driessen, de breuk op te vatten als een filosofische daad -Nietzsche's bedoeling! - dan kom je al heel snel in de problemen: Nietzsche blaast immers koud en warm tegelijk; nooit weet je wanneer de echte Nietzsche aan het woord is. De geproduceerde tegenstrijdigheden lijken onverklaarbaar en zelfs na de publicatie van ‘Der Fall Wagner’ gaan ze nog onverminderd voort. Tot je ze gaat analyseren vanuit het biografische!

Manfred Eger

Dat is precies wat Manfred Eger doet in zijn bijna 600 bladzijden lange kroniek “Nietzsches Bayreuther Passion”. Eger is filoloog en kunstcriticus. Twintig jaar lang stond hij aan het hoofd van het Richard Wagner Museum (1973 - 1993). Zijn boek werd doodgezwegen in de pers, kende maar één druk en is vandaag enkel nog in het antiquariaat te vinden. Het zegt mogelijk iets over het machtsspel tussen Nietzscheanen en Wagnerianen binnen de uitgeverswereld. Immers, Nietzsche komt hier niet ongeschonden uit. Egers kroniek snijdt compromisloos doorheen het dorre kreupelhout van valse overlevering, slordig onderzochte feiten en traditionele vooroordelen. Nietzsche's gedrag ten aanzien van Wagner speelt zich vaak af diep in het souterrain van zijn niveau, zegt Eger geheel terecht. Hij doet grondig onderzoek, evalueert een berg bronnenmateriaal en beschouwt het als een vereiste van eerlijkheid en oprechtheid om de vinger te leggen op allerlei falsificaties van de Nietzsche-literatuur. Zelfs Mazzino Montinari komt er niet ongeschonden vanaf. “Wie Nietzsches verdraaiingen en laster, die Bayreuth blijvende schade hebben berokkend, aan de kaak stelt, moet verdragen dat hij als verklikker wordt gediscrimineerd. Het is alsof een waarheid die Wagner rehabiliteert, moet worden onderdrukt als zij het imago van Nietzsche zou kunnen bezoedelen”, schrijft Eger.

Kort samengevat is Egers stelling de volgende : voor zijn afkeer van Wagner heeft Nietzsche een hele resem tegenstrijdige motieven bedacht. Hij heeft ze bijna allemaal uit zijn duim gezogen. De ware oorzaak daarentegen heeft hij consequent verzwegen. Zo is een wezenlijk hoofdstuk van zijn biografie sterk onderbelicht gebleven met name de geschiedenis en het fiasco van zijn passie voor Bayreuth. In de aanloop naar de eerste Festspiele in Bayreuth is Nietzsche immers grote persoonlijke verwachtingen gaan koesteren. Gaandeweg is hij zichzelf gaan zien als partner, onderwijsofficier en erfgenaam van Wagner. Hij ziet zich zelfs op de schouders van Wagner staan in zijn eigen Forum. De ervaring van 1876 ondergraaft deze illusie compleet en treft hem derhalve als een schok. Deze schok, nog versterkt door enkele kwetsende spotternijen van Wagner, is de eigenlijke oorzaak van de breuk en de directe aanleiding tot ‘Menschliches, Allzumenschliches’. De bedekte maar niet mis te verstane kwetsende opmerkingen aan het adres van de Wagners die je daarin aantreft zijn tegelijk ook revanche voor een andere faux-pas: de zogenaamde “dodelijke belediging”. Eger laat er geen twijfel over bestaan dat hiermee niet het meningsverschil over Parsifal is bedoeld, zoals Nietzscheaan Georgio Colli heeft trachten te bewijzen, maar wel Wagners goed bedoelde indiscretie aan Dr. Eiser over diens onanie. Sterker nog : na Wagners dood verwacht Nietzsche door diens weduwe opgevorderd te worden voor de leiding van de Bayreuther Festspiele. Als Cosima daar steenkoud op reageert weet hij dat hij zijn Bayreuthse ambities definitief kan opbergen. Wat daarna volgt is de pure afrekening : in ‘Der Fall Wagner’, een fanatiek vernietigingspamflet van een kleingeestige revanchist, maakt hij er geen geheim van dat hij Wagner wil vernietigen. En als hij vervolgens ‘Tristan und Isolde’ de hemel inprijst dan ligt de sleutel daartoe bij Georg Brandes, de invloedrijke literatuurcriticus en bewonderaar van ‘Tristan und Isolde’, die plots interesse voor zijn werk is gaan tonen.

Ongetwijfeld was Wagners miskenning en ridiculisering van Nietzsche's muzikale talent van beslissende invloed op het rijpen van Nietzsche's vijandschap. De groteske zelfoverschatting van de filosoof als componist en zijn hallucinante incompetentie als muziekcriticus geeft zelfs Herman Van Campenhout toe in “Die bezaubernde Katastrophe” : "Nietzsche was veel interessanter als muziekfilosoof dan als muziekcriticus of musicus: hij overschatte zijn compositorische vaardigheden soms mateloos, zijn kennis van het repertoire was verbazingwekkend beperkt, en misschien was zijn smaak dat ook. Daarom behoren zijn muziekkritische beschimpingen van Wagner eigenlijk tot de petite histoire". Niet toevallig draagt zijn Wagner-pamflet 'Der Fall Wagner' als ondertitel ‘Een Muzikantenprobleem’ ! Men zal in de muziekesthetische Wagnerkritiek van Nietzsche ook vaak de pen van Eduard Hanslick herkennen.

In het licht van deze beschouwingen verdampen alle tegenstrijdigheden in het gedrag van Nietzsche ten aanzien van Wagner als sneeuw voor de zon. Dàt is de bewijskracht van "Nietzsches Bayreuther Passion". Het objectief van deze artikelenreeks is dan ook om aan te tonen hoe Nietzsche zich als een rancuneuze revanchist heeft gedragen ten aanzien van Wagner, een kunstenaar die, dat mogen we niet vergeten, veel geleden heeft voor zijn kunst en een gigantisch artistiek project heeft voldragen. Aan dat icoon van wilskracht en doorzettingsvermogen heeft Nietzsche zich willen warmen en, éénmaal gefrustreerd in zijn persoonlijke verwachtingen, presenteert hij Wagner de rekening. Ongetwijfeld zag Nietzsche in de 31 jaar oudere Wagner aanvankelijk een vaderfiguur. Wagner was geboren in hetzelfde jaar als zijn eigen vader maar deze overleed toen zijn zoon amper 4 jaar oud was. Waarom kon Nietzsche de oudere vriend niet behandelen met de egards die bij zijn leeftijd, zijn ervaring en zijn status pasten? In plaats daarvan geeft Nietzsche blijk van een zelden geziene boosaardigheid. Was hij soms de eigenaar van "een zeer gemeen en laag karakter" zoals de psychoanalytica Lou von Salomé het formuleerde ?

Deze kritiek aan het adres van Nietzsche doet niets af aan diens rethorisch talent noch aan zijn belang als filosoof van de moderniteit. Ze wil enkel de leugens en de mystificaties blootleggen. Wanneer twee grote geesten mekaar niet langer verstaan, dan gaan ze uit mekaar en laten mekaar verder met rust. Dat is precies wat Wagner heeft gedaan; Nietzsche daarentegen zet niets minder dan een fanatieke vernietigingscampagne in beweging. Terecht merkt Alain Badiou op: "Het moet gezegd worden dat Nietzsche zo'n passie voor Wagner koesterde dat hij de bron is van alle negatieve dingen die ooit over hem gezegd zijn.” Nietzsche’s legenden hebben meer dan wat ook bijgedragen tot het ontwikkelen en blijvend doordrukken van een vervalst, negatief beeld van Wagner. Aan u, de lezer, om hierover een oordeel te vellen aan het einde van deze artikelenreeks.

maandag 16 augustus 2021

Roger Scrutons "The Ring of Truth" : een recensie

Sir Roger Scruton

Brenton Sanderson is de schuilnaam van een Australisch academicus. Hij schrijft cultuurkritische essays vanuit een blanke, conservatieve identiteitsversterkende reflex en gaat daarbij, in navolging van Wagner, de joodse kwestie niet uit de weg. Vandaar de schuilnaam. Dit artikel is een ingekorte versie van zijn recensie van Roger Scrutons “The Ring of Truth”, verschenen in zijn boek “Battle Lines” (2020), een essaybundel over Westerse cultuur, joodse invloed en antisemitisme. Het is tevens de opmaat tot een artikelenreeks in Leidmotief die Wagner zal pogen te bevrijden van de terreur van het postmoderne identiteitsdenken.

INTRODUCTIE

De joodse kwestie is van fundamenteel belang voor de demografische transformatie van het Westen, de revolutie in zijn seksuele en ethische zeden, en voor het traject van de westerse politiek, kunst en cultuur. We kunnen niet vermijden erover te praten als we eerlijk willen zijn over wat er vandaag gebeurt. Maar dat doen is een ondankbare taak, een reden om geminacht en uitgestoten te worden, ontslagen uit je baan, geweerd uit invloedrijke posities in de media en de academische wereld. Sanderson citeert Richard Wagner die in de negentiende eeuw schreef: "Het is verontrustend voor mij om altijd weer terug te komen op het thema van de joden. Maar men kan er niet aan ontkomen als men naar de toekomst kijkt." En 150 jaar na Wagner's uitspraak, is het nog steeds absoluut waar. We kunnen gewoon niet vermijden over de joden te praten. Eerlijke discussies over de joodse invloed zijn absoluut noodzakelijk als blanken een toekomst willen hebben.

Terwijl de joden in staat zijn geweest om bepaalde individuen te promoveren tot de status van cultureel icoon, hebben zij ook geprobeerd om anderen af te breken, Richard Wagner is het meest prominente voorbeeld. In het geval van Wagner vormt zijn torenhoge muzikale genie een groot obstakel in dit streven, maar er kan weinig twijfel over bestaan dat er een campagne tegen Wagner is gevoerd door joodse muziekcritici en producenten. Ondanks zijn wonderbaarlijke talent wordt Wagner nu routinematig bestempeld als een "diep pathologische persoonlijkheid" - een gebruikelijke omschrijving door joden die gretig op zoek zijn naar elke tekortkoming in een persoon die zij om diepere redenen niet mogen.
(Uit de introductie tot Battle Lines door Dr. Kevin MacDonald)

WAGNER TERUGGEVORDERD
Een recensie van Roger Scrutons “The Ring of Truth”
door Brenton Sanderson

Wijlen Roger Scruton (1944-2020) was de meest vooraanstaande conservatieve filosoof en intellectueel van Groot-Brittannië (velen zouden zeggen: van de wereld). Zijn productieve output omvatte boeken over filosofie, politiek, kunst, architectuur, muziek en esthetiek. Scruton, die in 2016 tot ridder werd geslagen, schreef met een ongewone helderheid en vloeiendheid, en was een model voor het combineren van analytische nauwkeurigheid met luciditeit en toegankelijkheid. Zijn kritiek op het linkse gedachtegoed werd echter uiteindelijk gehinderd door zijn onwil om buiten de grenzen van het "aanvaardbare" denken te treden. Scruton vermeed angstvallig zich te begeven op het verboden terrein van het rassenrealisme of een eerlijke discussie over de joodse kwestie.

Een volledige waardering van Wagners genie en opmerkelijke artistieke en intellectuele nalatenschap is de laatste decennia versluierd door de preoccupatie van ons door joden gedomineerde intellectuele establishment met Wagner's antisemitisme en zijn vermeende status als de intellectuele en spirituele voorloper van Adolf Hitler. Zelfs Scruton, die het aura van morele verdorvenheid dat vandaag de herinnering aan de componist ontsiert meestal afwijst, voelt zich gedwongen om de constructie van Wagner als antisemitisch moreel defect op milde wijze te valideren. De taak die de auteur zichzelf stelde in The Ring of Truth - het overbrengen van de intellectuele en artistieke betekenis van Wagners grote meesterwerk - wordt des te moeilijker gemaakt, merkte hij op, door het feit dat: "Enorme hindernissen dit streven in de weg staan, niet in de laatste plaats Richard Wagner zelf, wiens enorme ambities en titanische karakter hem tot een regelmatig mikpunt van denigrerend gedrag hebben gemaakt in ons anti-heroïsche tijdperk. Vanuit het oogpunt van zijn postume reputatie was Wagners leven bezaaid met fouten. Hij maakte geen geheim van zijn antisemitisme, en stuurde het in de wereld via een berucht pamflet. Hij leverde het verhaal en de personages die, in hun nazi-karikatuur, de iconen van het Duitse racisme zouden worden. ... Noch eindigden zijn fouten niet met zijn dood. Niet alleen werd hij Hitler's favoriete componist, maar de nazi-karikatuur van de jood werd ook in Wagners schurken teruggelezen. Alberich, Mime en Klingsor werden regelmatig op het Duitse toneel opgevoerd alsof ze door Dr. Goebbels waren bedacht, en zijn theater in Bayreuth werd gebruikt om Wagner te veranderen in de stichter en hogepriester van een nieuwe en sinistere religie".

De denigratie van Wagner in het tijdperk na de Tweede Wereldoorlog, aangevoerd door joodse musicologen en intellectuelen als T.W. Adorno, bracht het patroon tot stand van het behandelen van zijn werken als uitdrukkingen van een diep pathologische persoonlijkheid, waarbij het de musicologische taak was "ze te analyseren als bewijsstukken in een medische casestudy, en de indruk te wekken dat we ze het best kunnen begrijpen, niet om wat ze zeggen maar om wat ze onthullen over hun schepper". Wagners autobiografie wordt regelmatig doorzocht op bewijzen voor psychopathologie en "op bewijzen - hoe vluchtig en geheimzinnig ook - dat hij in dit of dat opzicht net zo gewoon was als de rest van ons, ook al is de geest die in het boek wordt geopenbaard één van de meest buitengewone en veelomvattende die ooit heeft bestaan".

Theodor W. Adorno

Deze benadering gaat terug tot het einde van de negentiende eeuw, toen Nietzsche in “Der Fall Wagner” (1888) en “Nietzsche Contra Wagner” (1895) probeerde de betovering te verbreken die Wagner op hem had geworpen. In deze boeken verwierp de filosoof Wagners morele visie, die zich volgens hem rechtstreeks vertaalde in esthetische fouten in de muziek, die luisteraars corrumpeerden doordat ze aanzetten tot overgave aan een verontreinigd ideaal. Nietzsche houdt immers vol dat Wagner's muziek onoprecht is en alleen maar doet alsof zij de emotie uitdraagt die zij verkondigt. De nobele muziek dient slechts om te verhullen dat de "heldhaftige" personages die verlossing zoeken in zijn opera's slechts analogen zijn van het moreel zieke afval van de negentiende-eeuwse maatschappij. Nietzsche viel Wagner ook herhaaldelijk aan vanwege zijn persoonlijke antisemitisme.

Wagner was verrast, maar niet ontevreden, over het verzet dat volgde op de publicatie van “Das Judenthum in der Musik”. In een brief aan de componist Franz Liszt merkte hij op dat "ik blijkbaar met verschrikkelijke kracht heb toegeslagen, wat uitstekend past bij mijn doel, want dat is precies het soort schok dat ik hen wilde geven". In een paniekerig antwoord op Wagner's overtuigende en scherpe kritiek op de joodse invloed op de Duitse kunst en cultuur, besloten joodse critici al snel om de componist psychiatrische stoornissen toe te schrijven en dit is sindsdien de standaard benadering gebleven. Al in 1872 gaf de joodse psychiater Theodor Puschmann een psychologisch oordeel over Wagner dat breed werd uitgemeten in de Duitse pers. Hij beweerde dat Wagner leed aan "chronische grootheidswaanzin, paranoia... en morele gestoordheid". Cesare Lombroso, de beroemde negentiende-eeuwse joods-Italiaanse criminoloog, bestempelde Wagner als "een seksuele psychopaat".

Later, met de opkomst van de Freudiaanse psychoanalyse en het expressionisme in kunst en muziek, ontstond de gewoonte kunstwerken te beschouwen als reizen naar het innerlijke leven van hun schepper. Scruton merkt op dat: "Vanaf de eerste dagen van de psychoanalyse werden Wagners werken aangewezen als zowel bevestigend als eisend voor een psychoanalytische lezing. Hun oververzadigde verlangen, hun schreeuw om verlossing door seksuele liefde, hun verheerlijking van de vrouw als het vehikel van zuiverheid en opoffering - al deze kenmerken hebben, voor de psychoanalytische geest, op natuurlijke wijze incestueuze kinderfantasieën gesuggereerd, die een fixatie op de moeder als echtgenote inhielden. Dat is de interpretatie van [joodse psychoanalytici] als Max Graf en Otto Rank rond 1911. Daarna werd de gewoonte om de werken te lezen in termen van het leven stevig verankerd in de literatuur.”

Het was echter pas na de Tweede Wereldoorlog dat het idee dat Wagners muziekdrama's impliciet fascisme en antisemitisme bevatten, aan kracht won. De intellectueel van de Frankfurter Schule, Theodor Adorno, leidde de aanval en veroordeelde Wagner als een symbool van alles wat hatelijk was in de cultuur van het negentiende-eeuwse Duitsland. Scruton merkt op hoe Adorno's kritiek op Wagner diep werd beïnvloed door "de holocaust en alles wat die betekende met betrekking tot de wortels van het Duitse nationalisme".

Adorno viel Wagner aan als een leverancier van "fantasmagorieën" met als doel en effect de werkelijkheid te vervalsen, en vergeleek Wagners systeem van leidmotieven met reclame-jingles in de manier waarop zij zich in het geheugen prenten. Adorno ontdekte een sinistere agenda achter Wagners verklaarde doel met betrekking tot De Ring: "Ik zal er binnen deze vier avonden in slagen mijn doel artistiek over te brengen op het emotionele - niet het kritische - begrip van de toeschouwers." Adorno herhaalde hier Nietzsche's afwijzing van de Wagneriaanse magie als een soort manipulatie. Wagner's muzikale innovaties (later ironisch genoeg geïmiteerd door Hollywood) bedwelmden het publiek, waardoor het gevaarlijk vatbaar werd voor politieke indoctrinatie. In elke menigte die applaudisseerde voor een Wagneriaans werk, benadrukte Adorno, "schuilt het virulente oude kwaad" van "demagogie".

Elizabeth Whitcombe wijst erop hoe: "Adorno vond dat Wagners werk "proselitisme" en "collectief narcisme" uitstraalde. Adorno's klacht over de "collectieve narcistische" kwaliteit van Wagner's muziek is eigenlijk een klacht dat Wagner's muziek appelleert aan diepe emoties van groepscohesie. Net als de Germaanse mythen waarop zijn muziek vaak gebaseerd was, roept Wagners muziek de diepste passies van etnisch collectivisme en etnische trots op. In Adorno's visie, zijn zulke emoties niets anders dan collectief narcisme, althans gedeeltelijk omdat een sterk gevoel van Duitse etnische trots de neiging heeft joden te zien als buitenstaanders - als de "ander". Het is ook niet verwonderlijk dat Adorno, als zelfbewuste joodse intellectueel, zulke muziek afschuwelijk zou vinden."

Adorno gaf de toon aan voor een generatie joodse intellectuelen en musicologen als Robert Gutman, die in 1968 in zijn afschuwelijke boek “Richard Wagner : The Man, The Mind and His Music”, zijn onderwerp afschilderde als een racistisch, psychopathisch, proto-Nazi monster. Gutman's wetenschappelijke onderbouwing werd destijds in twijfel getrokken, maar dit weerhield zijn vaak gerecenseerde en gepromote boek er niet van om een bestseller te worden. Een bron merkt op hoe "een hele generatie studenten is aangemoedigd om Gutman's karikatuur van Richard Wagner te accepteren. Zelfs intelligente mensen, die nooit Wagner's geschriften hebben gelezen of hebben geprobeerd er in door te dringen en daarin faalden... hebben Gutman's boek gelezen en zijn meningen als feiten geaccepteerd."

De oude joodse muziekcriticus van de New York Times , Harold Schonberg, was één van hen, die Wagner in zijn “Lives of the Great Composers” beschreef als "amoreel, hedonistisch, egoïstisch, virulent racistisch, arrogant, vervuld van de evangeliën van de superman ... en de superioriteit van het Duitse ras, hij staat voor alles wat onaangenaam is in het menselijke karakter."

Gutman's karakterisering werd obsessief versterkt door Marc A. Weiner in zijn polemische “Richard Wagner and the Anti-Semitic Imagination” (1995) . Door Wagner op de bank van de psychoanalyticus te leggen, benadrukte Weiner dat: "Wagner's felle jodenhaat was gebaseerd op een projectiemodel dat een diepgewortelde angst inhield voor precies die kenmerken van het Zelf (klein postuur, nerveuze houding en gierigheid, evenals wulps karakter) die worden geprojecteerd op en vervolgens herkend en gestigmatiseerd in de gehate Ander". Het moderne publiek is door mensen als Gutman en Weiner aangemoedigd geworden om in Wagners opera's latente tekenen van antisemitisme te lezen, waarbij bijvoorbeeld de op goud beluste Nibelungen-heerser Alberich in Siegfried een symbool is van joods materialisme.

Voor de joodse muziekcriticus Larry Solomon is Alberich onbetwistbaar "de hebzuchtige joodse koopman, die de machtswellustige kobold-demon wordt die uit is op Arische maagden, die probeert hun bloed te besmetten, en die zijn lust opoffert om het goud te bemachtigen". Hij verklaart dat dit virulent racisme "alle aspecten van zijn muziekdrama's doordringt door metaforische suggestie," en Solomon benadrukt dat Wagner altijd "slechts een stap verwijderd is van het noemen van zijn slechte personages als ‘joden’, ook al was dat voor zijn tijdgenoten vanzelfsprekend."

Volgens deze analyse, zijn Wagner's opera's onbetwistbaar "instrumenten van racistische, proto-nazistische haatpropaganda, geschreven met het doel het Duitse ras te verlossen van joodse besmetting, en om de joden uit Duitsland te verdrijven." Bovendien blijft Wagners kwaadaardige invloed voortduren in zoverre "de subtekst van racistische metaforen in Wagners opera's niet is verminderd, zodat zij een subliminale invloed zullen blijven uitoefenen".

Scruton merkt op hoe dergelijke interpretaties de bespreking van Wagners werken sterk hebben beïnvloed, waar "wraak op Wagner" een tijdlang "een bijna verplicht onderdeel van de leertijd van de intellectueel" is geweest. Boeken als Jean-Jacques Nattiez's “Wagner Androgyne” en Joachim Kohler's “Richard Wagner : Last of the Titans” zetten een inmiddels eerbiedwaardige traditie voort in het beschouwen van "antisemitisme als de betekenis en oedipale verwarring als de oorzaak van zo ongeveer alles wat de meester componeerde". Zelfs de gerespecteerde Britse musicoloog Barry Millington schrijft regelmatig "alsof het antisemitisme ergens bovenaan Wagners muzikale en intellectuele agenda staat".

De oneerlijke constructie van Wagner als antisemitische morele paria, en de psychoanalytische interpretatie van zijn werken om dit tendentieuze vooroordeel te bevestigen, gaat door ondanks de in diskrediet gebrachte status van de Freudiaanse psychoanalyse, en ondanks het feit dat Wagner-kenners Michael Tanner en Brian Magee krachtige weerleggingen van deze benadering hebben geboden. Wagner stelde in “Das Judenthum in der Musik” expliciet dat wat joden in het echte leven tot zulke onbevredigende karakters maakt, hen ook ongeschikt maakt voor representatie in de kunst, ook in de dramatische kunst.

Hij schrijft: "In het gewone leven valt de jood, die zoals wij weten een eigen God bezit, ons allereerst op door zijn uiterlijk, dat, tot welke Europese nationaliteit wij ook behoren, iets onaangenaams vreemds heeft aan die nationaliteit. Wij voelen instinctief dat wij niets gemeen hebben met een man die er zo uitziet. ... Het morele aspect van deze onaangename speling van de natuur buiten beschouwing latend, en alleen het esthetische in overweging nemend, willen wij er slechts op wijzen dat dit uiterlijk voor ons nooit aanvaardbaar zou kunnen zijn als onderwerp voor een schilderij; als een portretschilder een jood moet portretteren, neemt hij gewoonlijk zijn model uit zijn verbeelding, en verandert hij wijselijk alles wat in het werkelijke leven het uiterlijk van de jood kenmerkt, of laat hij het geheel weg. Men ziet nooit een jood op het toneel: de uitzonderingen zijn zo zeldzaam dat zij deze regel bevestigen. Wij kunnen ons geen enkel personage voorstellen, historisch of modern, held of minnaar, dat door een jood wordt gespeeld, zonder instinctief de absurditeit van zulk een idee te voelen. Dit is zeer belangrijk: een ras waarvan wij het algemene uiterlijk niet geschikt achten voor esthetische doeleinden, is evenmin in staat zijn aard artistiek voor te stellen".

In deze passage (voor het eerst gepubliceerd in 1850 en daarna nog eens ongewijzigd in 1869) verwerpt Wagner volledig het idee van joden die personages spelen en personages die joden spelen op het toneel, door categorisch te verklaren dat het joodse ras "niet in staat is tot enige artistieke presentatie van zijn natuur," en deze uitspraak in te leiden met de woorden: "Dit is zeer belangrijk." Magee merkt op dat Wagner hier "positief en actief het idee afwijst om te proberen joden op het toneel te presenteren; en als we een verklaring zoeken voor waarom hij dat nooit heeft gedaan, dan hebben we die hier".

Wagner zou, tegen de wens van veel van zijn vrienden (en zijn eigen professionele en geldelijke belangen) in, geen moeite hebben gedaan om dit in 1869 opnieuw te publiceren, als hij, zoals algemeen wordt beweerd, juist het tegenovergestelde had gedaan en van Beckmesser een joods personage had gemaakt in Die Meistersinger von Nürnberg dat het jaar daarvoor in première was gegaan.

Wagner produceerde duizenden pagina's geschreven materiaal waarin elk aspect van zichzelf, zijn opera's, en zijn opvattingen over joden (en ontelbare andere onderwerpen) worden geanalyseerd; en toch worden de vermeende joodse karakteriseringen die door Gutman, Weiner en anderen zijn geïdentificeerd nooit genoemd; noch zijn er enige verwijzingen naar hen in Cosima Wagner's overvloedige dagboeken. Men kan moeilijk beweren dat Wagner zijn ware gevoelens verborg, want hij was er zeer trots op zich luidruchtig uit te spreken over de joden, en het kon hem niet schelen wie hij beledigde - hij noemde hen zelfs de "de plastische demon van ontbinding". Bovendien werd geen van Wagners zogenaamd voor de hand liggende karakteriseringen ooit gebruikt in de propaganda van het Derde Rijk. Daarom is het volledig speculatief om karakters als Beckmesser, Alberich, Mime, Klingsor en Kundry als joodse karikaturen aan te merken.

Zelfs Nietzsche, die Wagner herhaaldelijk aanviel vanwege zijn persoonlijke vijandigheid tegenover joden, heeft nooit beweerd dat er antisemitisme in de opera’s te vinden was. Bovendien heeft het publiek dat over de hele wereld naar Wagners werken stroomde, de veronderstelde overduidelijke anti-joodse ondertoon ervan niet opgemerkt, want, zoals Magee opmerkt, "in de enorme literatuur die we over het onderwerp hebben, zowel ongepubliceerd als gepubliceerd, komt de vraag zelden aan de orde tot het midden van de twintigste eeuw".

Magee merkt op dat veel critici (vooral de joodse) "gewoon worden meegesleept door het momentum van hun eigen woede" in het beweren van de alomtegenwoordigheid van antisemitisme in Wagner's opera's. Hij merkt op: "Voor een aantal van hen komt het toch wel heel gemakkelijk, bedreven als zij zijn in het vinden van antisemitisme op plaatsen waar niemand het eerder had ontdekt. ... Aan de wortel van dit alles ligt een onvergeeflijke woede over de mega-uitbarsting van het antisemitisme - en aan de wortel daarvan in de moderne wereld ligt de holocaust."

Wagner was de eerste artistieke reus die een overtuigd Duits (en later blank) nationalist was. Na het lezen van Gobineau's bestseller “Essai sur l'Inégalité des Races Humaines”, verklaarde hij dat "we helemaal geen geschiedenis van de mens zouden hebben, als er geen bewegingen, scheppingen en prestaties van de blanke man waren geweest". Als een man die zich oprecht inzette om de belangen van zijn eigen volk voorop te stellen, was het onvermijdelijk dat Wagner de joodse kwestie onder ogen zou zien. In 1878 bekende hij: "Het is verontrustend voor mij om altijd weer terug te komen op het thema van de joden, maar men kan er niet aan ontkomen als men naar de toekomst kijkt." Voor de hyperbolische Larry Solomon had geen andere componist een grotere invloed op de geschiedenis dan Richard Wagner, en "zijn verwoestende politieke nalatenschap is de op één na grootste na Hitler."

Ondanks het gebrek aan bewijs dat Wagner de hoge mate van intellectuele invloed op Hitler heeft uitgeoefend zoals vaak wordt beweerd, is Wagner voor de joodse muziekcriticus David Goldman bij uitstek een executie waard op grond van het feit dat hij "de composthoop heeft gemengd waarin de bloemen van het grootste kwaad van de twintigste eeuw wortel hebben geschoten". Voor Goldman "heeft het joodse volk geen vijand gehad die meer toegewijd en gevaarlijker was, juist vanwege zijn enorme talent."

"You Will Not Play Wagner" looks at the mean little man behind his music (Sidney Morning Herald)

De joodse obsessie met Wagner vertoont geen tekenen van afzwakking twee decennia in de éénentwintigste eeuw. Een nieuw toneelstuk van de joodse toneelschrijver Victor Gordon, getiteld “You Will Not Play Wagner” draait om het feit dat "sinds de holocaust het uitvoeren van werken van de componist Richard Wagner taboe is in Israël". Het stuk speelt zich af in het hedendaagse Tel Aviv, waar een jonge Israëlische dirigent "een storm veroorzaakt" door Wagner, "wiens antisemitisme en het gebruik van zijn muziek door de nazi's welbekend zijn," op te voeren in de finale van een internationale dirigentenwedstrijd. Zijn beslissing brengt hem "in conflict met Esther, overlevende van de holocaust en beschermvrouwe van de wedstrijd, die haar eigen tragische connectie met Wagners muziek heeft."

Hoewel Scruton graag verder wil gaan dan deze joodse constructie van Wagner als proto-Nazi belichaming van het kwaad, noemt hij de beroemde smeedscène uit Siegfried er één die "oncomfortabel is voor degenen die gevoelig zijn voor de 'blonde beest' interpretatie van Wagner". Hier vijlt, smelt, giet en verhardt de onverschrokken Siegfried het staal van het verbrijzelde zwaard van zijn vader Siegmund, terwijl de boosaardige Mime, de hatelijke, pluimstrijkende dwerg die Siegfried heeft opgevoed (en uiteindelijk door hem wordt gedood), zich op de achtergrond verheugt over zijn aanstaande toekomst als lord van de Ring. Voor Solomon wordt Mime hier door Wagner afgeschilderd "als een stinkende gettojood", terwijl "Siegfried de gewetenloze, onverschrokken teutoon vertegenwoordigt, hij voelt geen wroeging... Hij wordt verheerlijkt als de strijderheld van de Ring, de archetypische proto-Nazi." Scruton noemt de scène "een muzikale en dramatische triomf" en merkt op dat het uiteindelijk niet uitmaakt of Wagner stereotiep joodse elementen heeft gebruikt in zijn karakterisering van Mime, omdat het kunstenaarschap van de componist uitstijgt boven de elementen waaruit het is opgebouwd.

Door dit soort politiek incorrecte beoordelingen aan te bieden, en door onvoldoende eerbiedig te staan tegenover de orthodoxe opvatting van Wagner als proto-nazistisch antisemitisch monster, kreeg Scruton de afkeuring van een recensent van The Ring of Truth voorgelegd, die als volgt protesteerde: "Sir Roger is niet altijd zo alert op de historische en filosofische context. Neem zijn bespreking van het antisemitisme, dat een grote rol speelt in het populaire begrip van Wagner. Geleerden zoeken graag in de opera's naar bewijs hoe anti-joods Wagner "echt" was (Alberich, de geld-graaiende dwerg, is een bijzonder controversieel personage). Maar naar Sir Roger's mening betekent de focus van deze critici op Wagner's antisemitisme dat zij de vele andere ideeën die in de opera's worden verkend, niet begrijpen. Hoewel dit een kern van waarheid heeft, overcompenseert hij in zijn eigen analyse, door ervoor te kiezen het antisemitisme als thema bijna volledig te negeren. Het is een bizarre keuze, die de discussie onvolledig laat."

Het succes van het cultureel-marxistische establishment in het pathologiseren van Wagner wordt weerspiegeld in de manier waarop Wagner en zijn werken worden besproken in universitaire cursussen, in de populaire cultuur en in de media. Het wordt ook weerspiegeld in producties van de opera's. Het resultaat, merkt Scruton op, is dat: "Het antagonisme heeft het nu bijna onmogelijk gemaakt om deze werken te ervaren zoals hun schepper ze bedoeld heeft, omdat ze regelmatig op zo'n manier worden geproduceerd dat hun innerlijke betekenis wordt gesatiriseerd of ontkend." Geen enkel werk van Wagner heeft meer te lijden gehad onder dit soort creatieve censuur dan De Ring van de Nibelung, dat het verhaal van de beschaving vertelt van begin tot eind.

CONCLUSIE

Scruton heeft in “The Ring of Truth” bewonderenswaardig werk verricht door een pad te banen door het opeengestapelde intellectuele afval van de laatste halve eeuw dat een volledig begrip en waardering van Wagners grote meesterwerk in de weg staat. Hij analyseerde het drama, de muziek, de symboliek en de filosofie van De Ring op basis van het feitelijke bewijsmateriaal, en vermeed de gebruikelijke vermoeiende preoccupatie met speculaties over wat de tetralogie onthult over de vermeende morele tekortkomingen van zijn schepper. Daarmee hield hij een pleidooi voor een werk dat meer dan enig ander werk in het operarepertoire wordt verkwanseld, maar waarvan de visie niettemin even belangrijk is voor de tijd waarin wij leven als voor die van de schepper ervan.

Het post-christelijke Westen heeft in de afgelopen decennia een rampzalige herschikking van zijn openbare moraal ondergaan om in overeenstemming te komen met de joodse intellectuele bewegingen die Kevin MacDonald onderzocht in “The Culture of Critique”. Richard Wagner zou absoluut walgen van de toestand van het hedendaagse Duitsland, Europa, en van het Westen in het algemeen. Hij anticipeerde pessimistisch op onze huidige toestand, en de joodse etno-politieke grondslagen ervan, toen hij in een laat essay voorspelde dat "wij Duitsers vóór hen ten onder zullen gaan, en misschien ben ik de laatste Duitser die weet hoe hij als kunstminnend mens moet opkomen tegen het judaïsme dat nu al alles in zijn macht krijgt."

In “Das Judenthum in der Musik” verklaarde Wagner "niet in staat te zijn te beslissen" of "de ondergang van onze cultuur kan worden tegengehouden door een gewelddadige verwijdering van het destructieve vreemde [joodse] element", omdat "daarvoor krachten nodig zouden zijn met wier bestaan ik niet bekend ben". Wagner's bevel in De Ring om materialisme af te zweren en betekenis te vinden in opoffering is een boodschap die zou moeten weerklinken bij het huidige Dissidente Rechts. Wagner drong er in De Ring op aan dat een leven dat in een geest van opoffering wordt geleefd de moeite waard is, ondanks de enorme kosten die het met zich meebrengt. Niets is opoffering meer waard dan het veiligstellen van het biologische voortbestaan van het eigen ras. In zijn eigen leven had Wagner de vastberadenheid (in weerwil van zijn geldelijk eigenbelang) om die krachten te identificeren en zich publiekelijk te verzetten tegen de krachten die strijdig waren met zijn eigen etnische belangen.

In zijn intellectuele integriteit en, natuurlijk, in zijn ontzagwekkende muzikale nalatenschap, blijft Richard Wagner één van de meest inspirerende figuren die ons ras heeft voortgebracht.

Bron: Brenton Sanderson, "Wagner reclaimed" in "Battle Lines. Essays on Western Culture, Jewish Influence and Anti-Semitism", The Occidental Press, 2020

zaterdag 7 augustus 2021

Krzysztof Warlikowski met Tristan und Isolde in München (****)

Jonas Kaufmann (Tristan) & Anja Harteros (Isolde) © Wilfried Hösl

THE SINKING OF THE TITANIC

Hoge verwachtingen werden gesteld aan dit canonieke treffen van debuterende en afscheidnemende artiesten binnen de muren van het huis waar Tristan und Isolde anno 1865 zijn première beleefde. In plaats van een verschroeiend evenement werd het een geforceerde hoogmis van Duitse ernst die geheel haaks stond op de levensbevestigende lezing die Peter Konwitschny van het werk gaf, inmiddels weeral zo’n 23 jaar geleden. Mij kon ze slechts matig boeien. De twee debuten waarnaar halsreikend werd uitgekeken, pakten, zoals verwacht, eerder teleurstellend uit. Blijft over : de visuele impact van een aantal geïsoleerde scènes.

Heeft Krzysztof Warlikowski in de openingsbeelden die de prelude begeleiden een beeld willen scheppen van de inhumane wereld waar wij thans met een duizelingwekkende vaart op afstevenen? Een wereld waaraan Tristan en Isolde op het hoogtepunt van hun liefdesduet zullen trachten te ontsnappen via een dodelijke injectiespuit? Twee humanoïden, hand in hand, ergens tussen Suske en Wiske en Japanse manga-stripfiguren, voeren een ontroerende pantomime op. Terwijl hij haar in zijn armen neemt blijven hun gezichten uitdrukkingsloos, bevroren in een latexmasker. De impotentie tot het liefhebben lijkt reeds in een vergevorderd stadium. Dan roept de zee en verschijnen twee meeuwen op de videowand, eeuwige symbolen van ongerepte vrijheid, gezien door de patrijspoorten van een boot. Aber sehen Sie auch das Schiff ?

Malgorzata Szczęśniaks eenheidsdecor is een exacte kopie van de Parijse Galerie Paul Rosenberg die in de jaren 1920 dienst deed als tentoonstellingsruimte voor Braque, Matisse, Picasso en door de nazi’s werd leeggeroofd. Ze herinnert ook aan de lobby van de Titanic, meent Warlikowski. Daarmee dompelt de regisseur ons meteen in een ondergangsparabel. Links staat een pharmaciekast, rechts een sofa waarvan we durven vermoeden dat die ooit in Siegmund Freuds spreekkamer heeft gestaan. Met citroengele blouse en zwarte broekpak, nippend van een glas water, geeft Isolde lucht aan haar frustratie. De travelling van de camera langs de hutten van deze “Titanic” resulteert in een prachtige symbiose tussen videowand en scènebeeld. Maar zulke momenten zijn zeldzaam. De rest van de voorstelling zullen op de videowand enkel trage beelden te zien zijn van Isolde’s ontmoeting met haar minnaar op een hotelkamer. Als visueel complement aan de scène zullen ze meestal redondant blijken.

Warlikowski plaatst Isolde’s narratief van het eerste bedrijf in de context van De Grote Oorlog. Het is daar dat Tristan Isolde ontmoet, haar verloofde doodt, zelf dodelijk gewond raakt en door haar kunsten weer op de been geraakt. Beiden zijn getekend door dit oorlogstrauma en een vaag doodsverlangen heeft zich in hun breinen geïnstalleerd. Aan zijn obsessie, Wagner te linken aan de man met het snorretje -één van de grootste fans van het werk- kan de regisseur niet weerstaan. Niet alleen plaatst hij het titanenwerk uit de Wagnercanon in de context van een leeggeroofde joodse kunstgalerij, de jonge zeeman met bordkartonnen koningskroon op het hoofd en een verband rond de ogen, die als de kleine gekke despoot van zijn eigen dromen, geruime tijd in beeld blijft, lijkt sprekend op de jonge Adolf Hitler die in Pasewalk van zijn mosterdgasblindheid herstelde. Brangäne trekt er alvast een schort van het Rode Kruis voor aan en wordt zijn verpleegster. Veel meer aandacht wordt er niet besteed aan deze oorlogsepisode. De productie oogt daardoor nogal gefragmenteerd.

Gewillig geeft Tristan zich over aan zijn dominante meesteres in een stralend witte officiersjas. De werking van de liefdesdrank zet de videowand in lichterlaaie : Kamil Polak bedacht er psychedelische beelden bij van een iriserende vuurzee. En stelt u zich de verbazing van Isolde eens voor wanneer zij, aangekomen in Cornwall, van de nietsvermoedende Koning een coupje champagne aangeboden krijgt!

Een druk op de lichtschakelaar start het tweede bedrijf. Vestimentair is Isolde nu overgeschakeld op passioneel rood; ze lijkt zo uit een schilderij van Klimt te zijn gestapt. Ongeduldig speelt ze met de lichtschakelaar want ”Frau Minne will: es werde nacht!”. Centraal staan nu twee chesterfields, hetgeen de iconische foto zal opleveren die bovenaan dit stuk staat. Dat de geliefden zich vooral bekwamen in social distancing levert het voordeel op dat de toeschouwer zich kan concentreren op het zingen. Op een schaaltje liggen twee injectienaalden, dodelijke instrumenten voor een tweede zelfmoordpoging. Ook die mislukt. Verder dan het opstropen van de linkermouw geraken de “Nachtgeweihte” niet. Koning Marke’s oude bediende zet de spuitjes netjes terug in de kast. Na de klacht van de Koning bekroont Tristan Isolde’s instemming met een kus op het voorhoofd.

Jonas Kaufmann als Tristan © Wilfried Hösl
In Kareol wordt Tristan terug gecatapulteerd naar het weeshuis van zijn jeugd. Poppen gezeten aan een lange tafel stralen dood en eenzaamheid uit wanneer de camera langs loopt. De Engelse hoorniste speelt de “alte Weise” in een hoek als een tot leven gekomen herinnering. Tristans humanoïde avatar mag een deel van zijn doodsstrijd overnemen op Freuds sofa. De humanoïden in de zaal, het FFP2 gehoorzaamheidsmasker urenlang voorgebonden, lijden mee. Uiteindelijk zal Isolde Brangänes “fout” rechtzetten en het flesje met de doodsdrank naar binnen werken. Scènisch wordt de liefdesdood verrassend eenvoudig opgelost. De geprojecteerde beelden waarbij het bed van de twee onder water komt te staan lijken een citaat uit James Camerons "Titanic" (1997). Die bevatte, behalve het onmogelijke liefdesverhaal van Jack en Rose, ook een glimp van het lot van Isidor en Ida Straus, die liever samen stierven dan gescheiden te worden en daar - innig omarmd op hun bed - in de diepte van de Atlantische Oceaan te verdwijnen.

Voor Anja Harteros betekende het eerste bedrijf gelijk een moeilijke start. Een uitgebalanceerde stem kreeg ik niet te horen. De voordracht was onevenwichtig, de stem flakkerde zelfs in het liefdesduet. In het borstregister werd de stem erg dun. Steeds was er dat koele, ongepassioneerde timbre. Boeiend werd het voor mij nooit, vaker hysterisch dan beheersd.

Voor Jonas Kaufmann is dit zijn Mount Everest. Hij beklimt hem wel, bereikt de top door zijn krachten goed te doseren maar daar eindigt het dan. Er zit te weinig in de rugzak om van deze beklimming een roldebuut voor de geschiedenisboeken te maken. Opwindend, zinnelijk wordt het nooit, zelfs niet in de lyrische delen. Kaufman klinkt op een vreemde manier onnatuurlijk, zingt met weinig reserve; in de finale van het liefdesduet gaat dat zelfs tegen het schreeuwen aan. Ongetwijfeld zal Kaufmann er zorg voor dragen dat de partij niet zijn Titanic wordt. Hij zal er spaarzaam mee omgaan, de producties zorgvuldig uitkiezen en hopelijk nog wat groeien in de rol – enkel in interpretatieve zin weliswaar, want de vocale mogelijkheden zijn nu eenmaal wat ze zijn. Het ijkpunt voor alle Tristan-tenoren, naar mijn mening, is Max Lorenz. U kan hier 7 minuten pauzeren met een audio-fragment van zijn legendarische Tristan-opname uit 1942 o.l.v. Robert Heger.
U zal merken dat Lorenz geen 3 maten nodig heeft om u het kippenvel te bezorgen dat hier niet te bespeuren viel. Wanneer Wagner schreef dat een geheel geslaagde uitvoering de mensen gek zou maken, dan kan hij alleen maar dit bedoeld hebben. De auteurs van de vele oververhitte commentaren in de pers dienen goed te beseffen dat Kaufmann dit nooit zal bereiken. Maar zelfs de geschiedenisboeken kunnen gesloten blijven voor de allergrootste talenten: er bestaat van Max Lorenz niet eens een biografie!

Een stralend, open timbre kon Mika Kares niet voorleggen als Koning Marke. Alles klonk gevoileerd en zonder ooit echt interpretatief uit te breken uit de saaiheid van het voorspelbare. De voluptueuze Okka von der Dammerau weet haar no-nonsense Brangäne ook op te laden met een romige sopraanklank en met een catalogus aan gelaatsuitdrukkingen waar zij alleen een patent op lijkt te hebben. Wolfgang Koch zong en ongelijke Kurwenal, soms chaotisch, soms beheersd met mooie zanglijnen. Uitstekend was de herder van Dean Power.

Kirill Petrenko stort zijn manschappen in een onontkoombare maalstroom van chromatische klanken. Die blijft ten allen tijde transparant en meestal sparend voor de solisten. Maar was dit zoveel stringenter uitgevoerd dan Simon Rattle in Aix? Eerlijk gezegd word ik van zijn heiligverklaring in de pers een beetje ongemakkelijk. Als afscheidnemend GMD werd hij gefêteerd met Presley’s “Herz aus Holz” (een binnenpretje voor het orkest?) en de wals uit Der Rosenkavalier. Het kunnen de zenuwen geweest zijn maar de botte manier waarop Nikolaus Bachler de microfoon uit de handen rukte van “Oper für Alle”–presentator Thomas Gottschalk past in het beeld van zelfvoldaanheid dat hij met de jaren over zichzelf heeft afgeroepen. Daarmee is ook een einde gekomen aan de era Bachler, een era die de laatste jaren nogal wat teleurstellende producties te zien gaf. Ook deze Tristan past in het lijstje van de niet ingeloste verwachtingen. Ondertussen gloort een nieuwe dageraad aan de oevers van de Isar : het eerste seizoen van Serge Dorny en Vladimir Jurowski oogt sterk en vol beloften !

Jonas Kaufmann (Tristan) & Anja Harteros (Isolde) © Wilfried Hösl

woensdag 28 juli 2021

Dmitry Tcherniakov met Der Fliegende Holländer in Bayreuth (****½)

Asmik Grigorian als Senta © Enrico Nawrath

SPIEL MIR DAS LIED VOM TOD

Romantisch-mythologische constructies krijg je aan Dmitry Tcherniakov niet verkocht. In het slechtste geval volgt dan een gratuite postmoderne deconstructie, meestal echter een verademende actualisering die spoort met de gevoeligheden en de mindset van de hedendaagse mens. Hoe pijnlijk dat proces kan verlopen konden we onlangs nog zien in Der Freischütz in München, een stuk dat een dergelijke behandeling moeilijk verdraagt. De in de Schauerromantik verankerde Fliegende Holländer van Wagner bevindt zich in een gelijkaardig parket. Tcherniakov maakt er een krimi van die Wagners tenenkrommende mythe over een man gedoemd om door het offer van een vrouw verlost te worden, volledig laat verdampen. Dat is op zich geen groot verlies maar de motivatie van de Hollander en zijn mysterieuse karakter als personage krijgen hier een zeer onaangename twist. Echter, wanneer de intenties van de regisseur sporen met de rebelse, onconventionele Senta die ook Wagner opvoert in zijn opera dan ontstaat groots theater, zeker wanneer de twee vrouwelijke actoren van dienst (Asmik Grigorian als Senta en Oksana Lyniv in de orkestbak) ook nog eens een sensationeel debuut afleveren.

Allereerst leren we dat de prelude “de steeds terugkerende droom van H.” illustreert waarbij H. staat voor Tcherniakovs versie van de Hollander. Een pantomime gunt ons een blik achter de schermen van een dorp, getekend door obscurantisme, als in een soort Cavalleria Rusticana in het Noorden. Een (ongehuwde ?) vrouw met een zoontje wordt tot zelfmoord gedreven door sociale druk na een gewelddadige liefdesaffaire met Daland, een man die in het dorp een vooraanstaande rang lijkt te bekleden. Een veelvoud van 7 jaar later zal het zoontje zinnen op wraak en als H. terugkeren naar Tcherniakovs Sandvike, een modulair poppenkastdorp met bakstenen huizen, een kerk, een dorpscafé en sfeerbrengende lantaarns. Zijn kindheidstrauma heeft hem inmiddels veranderd in een kaalhoofdige psychopaat die enkel zelfgenoegzaamheid uitstraalt, geen sympathie kan opwekken en zich uiteindelijk overgeeft aan geweld.

De voor het café verzamelde zeemannen tonen meteen hoe meticuleus-realistisch Tcherniakovs acteursregie werkt. Boten en spinnenwielen worden buitenspel gehouden, een omvallende klaptafel simuleert het lawaai van de aanmerende boot. “Die Frist ist um” is niet gehuld in mysterie en John Lundgren kan er ook geen hoogtepunt mee scoren. Hij betaalt wel een rondje aan zijn toehoorders. Zowel de “düstere Glut die ich fühle brennen” als “wann alle Toten auferstehn” transformeren hier tot de pretext voor een wraakengel. “Mit Gewitter und Sturm” klinkt voluit vanuit de coulissen via de electronische versterking. De overige koorscènes gaan wél door op het toneel, zij het slechts met een acterend koor (dagelijks getest!); het zingende koor zit in de repetitiezaal achter panelen van plexiglas (!). Hoe dit klinkt in de zaal kan ik niet beoordelen, het koor moest wat boegeroep incasseren.

Het tweede bedrijf is het sterkste. Hier speelt de regisseur zijn voornaamste troef uit. Wat hij aan gedifferentieerd spel ontlokt aan Asmik Grigorian (later ook aan Marina Prudenskaja als Mary), een puberende snotaap, is nauwelijks te overtreffen. Met rode en groene tressen in de complimenteuze blonde pruik, bottines en een te grote anorak, rebelleert ze tegen de beklemdheid van haar dorp en onrechtstreeks tegen haar verloofde. “Summ und brumm, du gutes Rädchen” is een koorrepetitie o.l.v. van Mary, een vroege bewonderaarster van de Hollander. Zijn foto weet Senta uit haar tas te rukken. Tijdens de ballade begraaft Mary haar gezicht in haar handen alsof ze zich de hormonenopstoten uit haar jeugd herinnert. Erik, de sentimentele loser die Senta in een conventioneel burgerhuwelijk wil strikken, wordt net niet gewelddadig.“Ich bin ein Kind und weiss nicht was ich singe” is net zo zeer van toepassing op Senta’s gedrag als het tegenovergestelde dat is.

John Lundgren (Hollander), Marina Prudenskaja (Mary),
Georg Zeppenfeld (Daland), Asmik Grigorian (Senta) © Enrico Nawrath

Erg mooi is de scènewisseling na Eriks eerste interventie die Senta, verwijlend onder een lantaarn, oog in oog brengt met de Hollander via de ramen van de prachtig uitgelichte wintertuin van haar ouders (we vernemen nu dat Mary Dalands echtgenote is). De burgerlijke scène die volgt dient als contrapunt voor het liefdesduet: de tafel wordt gedekt voor een kaarslichtdiner voor het stel maar Vader en Moeder zelf blijven aanwezig om hun soep te slurpen. De Hollander schuift aan in witte zeemanstrui. Opnieuw herkent de nagelbijtende moeder zich in de gevaarlijke passie van haar dochter. De overenthousiaste, fiere vader ziet er allemaal geen graten in.

Op kampeerstoelen gaan de twee zeemanskampen de confrontatie aan. Wanneer het uit de hand loopt knalt de Hollander enkele mensen af, zijn trawanten steken huizen in brand. Senta (“Hier steh ich, treu dir bis zum Tode”) wordt de suïcidale beslissing van de finale bespaard. De verlossing van de Vliegende Hollander komt wel vaker uit de loop van een geweer. Moeder knalt hem af met een tweeloop. Anders uitgedrukt: in het universum van Tcherniakov zijn er geen vrouwen die zich voor mannen offeren maar sterke, opstandige, zelfbewuste vrouwen die uiteindelijk ook niet aarzelen om het recht in eigen handen nemen. Een onbedaarlijke lach later neemt Senta haar moeder liefdevol in de armen. Radeloos zijgt ze neer op een stoel, meters ver van de met open mond starende, moegestreden Erik. Wie weet komt het tussen hen nog wel goed. Eerst verhuizen naar de stad misschien ?

Asmik Grigorian heeft alles in huis voor deze rol waarvoor een licht dramatische sopraan volstaat. Jeugd en charisma zijn de andere troeven van de échte Senta-sopraan of zoals Daland terecht opmerkt: “ Sie zieret ihr Geschlecht!“. De laatste tijd heb ik dat alleen maar van Elena Stikhina gezien. De gehele partij blijft gespaard van de hysterische schrilheid die we van andere sopranen wel eens horen. Ze verzorgt zelfs haar medeklinkers! Met dit debuut positioneert zij zich weer een trede hoger op het ereschavot van de leidende sopranen. Het is het sterkste wat ik van haar al gezien heb. John Lundgren leent zijn mollentimbre aan een sombere Hollander. Hij kan niet overtuigen met klankschoonheid, het zingen klinkt onvast, er is gebrek aan kleur en interpretatieve intelligentie. In het duet heeft hij geen schijn van kans tegen Grigorian, tot een romantische vocale symbiose komt het niet. Georg Zeppenfeld is zoals steeds zijn middelmatige zelf met zijn gecultiveerde maar autoriteitsloze, hoge bas. Eric Cutler zingt een meeslepende, viriele Erik, geenszins meelijwekkend maar ook zonder belcantistische charme, daarvoor is de stem te ruw, het timbre te weinig stralend, het vibrato te mekkerend. Attilio Glaser is een soliede Steuermann maar echt geen Fritz Wunderlich.

De 43-jarige Oekraïnse dirigente Oksana Lyniv was vier jaar lang assistente van Kirill Petrenko in München (o.a. tweede dirigent van Die Soldaten) en betrokken bij de Castorf-Ring in Bayreuth. Vanaf de eerste seconde laat ze het permanent bezielde orkest in deze temperamentvolle lezing puur spektakel afleveren met alle toeters en bellen. De lage strijkers en pauken sturen schokgolven door de orkestbak, de kopers blaken van zelfvertrouwen. Ondanks de explosieve fortes, de extra moeilijke coördinatie met het off-stage koor blijft alles transparant klinken, althans in deze electronische relay. De geheimzinnige sfeer van Eriks droom “Auf hohen Felsen” was zelden spannender. Keurig afgelijnd zijn de ritmische accenten in het matrozenkoor.

De openingsscène © Enrico Nawrath

Nooit was Bayreuth verder verwijderd van de Wagnerslogan die dezer dagen voor het laatst aan het fanfarebalkon hangt tijdens Kratzers Tannhäuser: “Frei im Wollen! Frei im Thun! Frei im Geniessen!”. Niet eens in de jaren 1930. De immer scherpe Manuel Brug reageerde pisnijdig in Die Welt op de surrealistische veiligheidsgruwel waarmee Markus Söders absurde en disproportionele maatregelen de gemaskerde cultuurzoeker van het festival tot smekeling degraderen. Eindelijk lezen we eens wat tegenwind in de mainstream media. De aanwezige bondskanselier en de drie ministerpresidenten, alle vier representanten van de vigerende Duitse politiestaat, dienen te beseffen : “Wer baut of Wind, baut auf Satans Erbarmen!”

zaterdag 17 juli 2021

Simon Stone met Tristan und Isolde
in Aix-en-Provence (****)

Kerstavond bij Tristan en Isolde © Jean-Louis Fernandez

DE ABONNEE VAN LIJN 11

Regisseur Simon Stone koos niet voor een rechtlijnige vertelling van Wagners tekst : hij omsluit het stuk met een raamvertelling die verankerd is in onze tijd en van waaruit hij de drie vertrouwde bedrijven van Wagners opera presenteert als een soort fantasmen, beleefd door de hoofdpersonages. Binnen die raamvertelling vindt dan een niet geheel onverwachte deconstructie plaats voor onze postmoderne wereld: Stone gelooft niet in het larger-than-life formaat van Tristan en Isolde’s mythische liefde noch in hun suïcidale verbintenis. In enkele uiterst herkenbare scènes reflecteert hij over de houdbaarheidsdatum van Wagners hoogromantische “as-if”-utopie van de liefde. Wagners narcotisch werkende muziek vindt zijn weg naar de luisteraar zoals vanouds maar ze bevindt zich nu in het spanningsveld van een hedendaags, realistischer beeld van de liefde. Daartoe mixt Stone verleden en heden, droom en werkelijkheid, alsof het een cinematografisch procédé betrof. Dat zijn we in het theater niet gewoon, in de huiskamer daarentegen wel want elke Netflix-serie doet precies het zelfde. Niet toevallig zegt de regisseur : “Voor een film moeten we de partituur vinden die de film nodig heeft; maar in de opera heb je de partituur al en moet je op zoek naar de film die ermee overeenkomt. En dat is precies waar ik van hou!”.

Het realiseren van dit gewilde contrapunt, volgehouden tot op het eind, gaat niet zonder slag of stoot maar het resultaat is steeds fascinerend, virtuoos omgezet in de scenografische oplossingen van Ralph Myers en ondersteund door Simon Rattle’s pakkende lezing met het London Symphony Orchestra. Het premièrepubliek bedacht de regisseur daarvoor met oorverdovend boegeroep. Die boeroepers hoor je nooit wanneer een regisseur weer eens een al te letterlijke lezing presenteert van een werk die zo voorspelbaar is dat ze ronduit vervelend wordt. Of zoals Winifred Wagner, jarenlange heerseres over De Groene Heuvel, het na de première van Chéreau’s Ring ooit formuleerde : “Isn’t it better to be furious than to be bored ?”

Stuart Skelton (Tristan) & Nina Stemme (Isolde)
© Jean-Louis Fernandez

Tristan en Isolde zijn niet langer een paar geliefden; integendeel, zij zijn getrouwd en gevestigd. Beiden zijn van middelbare leeftijd, de tijd heeft hun verbintenis op de proef gesteld. Meteen na de opening, tijdens een kerstavondfeest met vrienden in een luxueus appartement in een grote Westerse stad (de ramen tonen een videopanorama van wolkenkrabbers en stedelijke snelwegen), zien we Tristan één van de gasten kussen, terwijl ze in de keuken aan de kant staan om een nieuwe fles wijn te openen. Als Isolde getuige is van dit moment, en we Tristan met een smoesje het huis zien verlaten samen met de gasten, gaat ze alleen, ontredderd naar bed. Dan vervalt zij in een meditatie over de geschiedenis van haar relatie met Tristan, synchroon met een scenografische aanwijzing : het achter de ramen geprojecteerde stadsgezicht verdwijnt en wordt vervangen door een ruwe zee. Zo krijgt de eerste akte de kontoeren van een droom waarin Isolde de cathartische confrontatie herbeleeft om Tristan zijn verraad te doen verantwoorden.

Wat meteen opvalt is de enorme natuurlijkheid waarmee de acteurs over het toneel bewegen. Wat helpt is dat ze in de huid gekropen zijn van personages die met hun leeftijd overeenkomen. Ik heb Stemme, eerder bedeesd qua persoonlijkheid, nooit met zulk zelfvertrouwen en nuancenrijk spel op het toneel zien staan. Hetzelfde geldt voor Stuart Skelton en Jamie Barton, twee acteurs wier scènische prestaties mij tot dan toe enigszins gehypothekeerd leken te zijn door hun bmi. Met een Japanse haarspeld en een kamerjas met kimonomotief lijkt Isolde op het zusje van Madama Butterfly, waarmee de regisseur handig anticipeert op het suïcidale ritueel dat zal volgen. De liefdesdrank komt druppelsgewijs uit een flacon, net als de andere voedingssupplementen die Brangäne bewaart in een schoenendoos. Met getatoeëerde armen, plateauschoenen en paarse mèches in het haar, zet Jamie Barton een overtuigende punkversie neer van Brangäne. En ja, er wordt gekust in deze productie, niet één keer maar tien keer. Tenminste wanneer Wagner aan het woord is.

Koning Marke is het grootste slachtoffer van Stone’s concept. Wij leren hem kennen als de baas van het kantoor waar Tristan en Isolde werken. Hoe zij beiden slachtoffer worden van een verboden liefde wordt nooit duidelijk. Wanneer het kantoor leegloopt, de afhaalmaaltijd is uitgepakt en de sfeerkaarsjes aangestoken, kan het vertrouwde liefdesduet beginnen. Terwijl de muziek de soundtrack van de nacht aanvat, begint Stone samen met vier paren, de utopische liefde die heerst voorbij het verontrustende daglicht, geleidelijk aan te ontmantelen met illustraties van de stadia van menselijke relaties: van uitbundige seks op het directiebureau van de overspelige vrouw die betrapt wordt door haar zoontje en haar echtgenoot, tot de zorgende vrouw die haar man in een rolstoel van zuurstof voorziet. Na de betrapping doet zich een aardig symmetrisch moment voor : met de zakdoek waarmee hij het bloed van zijn borst veegde toen Isolde hem licht verwondde tijdens de confrontatie van het eerste bedrijf, herinnert hij Isolde aan het moment toen zij hem vroeg samen in de dood te stappen. Nu retourneert hij de vraag. Melot drukt hem een box cutter in de maagstreek.
Dominic Sedgwick (Melot) & Stuart Skelton (Tristan) &
Nina Stemme (Isolde) © Jean-Louis Fernandez

De prelude tot het derde bedrijf klinkt nog een stuk tragischer door de aanblik van de zwarte mondkapjes waarmee de strijkers van het LSO zich verschansen tegen de aerosolen in de orkestbak. Opgekleed, alsof ze de opera gaan bezoeken, zitten Tristan en Isolde in de Parijse metro. De voorbijflitsende lichten zijn als bliksemschichten; ze bezorgen de toeschouwer een gevoel van urgentie. Myer slaagt er in dit alles bijzonder levensecht weer te geven, alleen de metro-geluiden ontbreken of toch niet helemaal want de Engelse hoornist is een metro-muzikant. Isolde, die haar man opnieuw betrapt met één van zijn veroveringen op zijn mobieltje, stapt uit aan de Porte des Lilas. Melot herhaalt zijn verwonding. Het woord is nu weer geheel aan Wagner voor Tristan’s laatste tour-de-force, eenzamer in zijn stervensuur dan ooit door de onverschilligheid van de metroreizigers. Alleen Kurwenal ondersteunt hem als een trouwe knecht, zonder homosexuele connotaties. Grandioos is het in- en uitstappen van de reizigers tijdens de climaxen van Tristan’s agonie. Isolde’s liefdesdood, die ons terug catapulteert naar het heden, vormt de apotheose van Stone’s kijk op de betrekkelijkheid van relaties: gedecideerd schuift ze haar trouwring van haar vinger en verlaat de metro in Châtelet met haar nieuwe vriend Melot. Weinigen zullen hierdoor niet gechoqueerd zijn.

Zonder twijfel is Isolde Nina Stemme’s beste Wagnerrol, beter passend bij haar vocale mogelijkheden dan Brünnhilde. Nog steeds is het mij een raadsel waarom ze niet meer werkt aan haar dictie, medeklinkers blijven meermaals hangen in de keel, Todestrank wordt Todesdrank, “Nun leb wohl, Brangäne” was onverstaanbaar. Voor de rest was dit een gepassioneerde en stralende voordracht. Stuart Skelton heeft wat mij betreft niet het ideale (baritonaal gekleurde) timbre voor Tristan. In de hoogte klinkt hij al snel gespannen en daarmee zijn de beide deficits genoemd die Tristan-interpreten ervan weerhouden om van hun rol de gekmakende partij te maken die Wagner voor ogen stond. Ongetwijfeld zou Wagner een fan van Max Lorenz geweest zijn. Skeltons Tristan is een soliede prestatie, soeverein heersend over de lyrische hoogtepunten.

Franz-Josef Seligs bas klinkt nog steeds zo goed als ongehavend. Voorlopig heeft de stem nog al haar kern behouden over het hele bereik. Uiteraard is dit weer prachtig gearticuleerd. Jamie Barton verraste eens te meer met haar klare dictie en stralende dramatische uitbraken in het voor het overige boeiend gearticuleerde partij. Wellicht wordt dit haar doorbraak op het Europese continent. Josef Wagner was een geschikte Kurwenal, vooral in de het derde bedrijf. Ook de kleine rollen waren goed bezet met Linard Vrielink als de jonge zeeman.

Simon Rattle laat het orkest zelden echt uitbundig klinken. Dynamisch is dit nogal ingehouden, de tempi zijn nooit gehaast. Het is een soliede uitvoering met kleur voor de luisteraar en adem voor de solisten. Aan de “Bayreuth bark” heeft hij geen boodschap. Ik ben benieuwd of Kirill Petrenko een snedigere lezing zal geven in München.

woensdag 21 april 2021

Kirill Serebrennikov met Parsifal in Wenen (2) (*****+)

Jonas Kaufmann als Parsifal © Wiener Staatsoper/Michael Pöhn

REQUIEM VOOR EEN PANDEMIE

Elk regieconcept dat zich niet slaafs laat leiden door de regieaanwijzingen van de componist, veronderstelt het maken van een keuze. Elke keuze impliceert winst en verlies. De winst moet afgestemd zijn op het maximaal laten gloriëren van de partituur – de eigenlijke Graal van het operabedrijf. Zo krijgt de toeschouwer, als reine dwaas in het theater, veel terug voor het verlies aan coherentie in de details van de vertelling. De nieuwe Parsifal aan de Weense Staatsopera is op dat vlak exemplarisch te noemen. Regisseur Kirill Serebrennikov is zo eerlijk deze Parsifal een bewerking te noemen, ook al gaat hij daarin lang niet zo ver als Romeo Castellucci in Brussel. Serebrennikov vermijdt alle tenenkrommende bloedrituelen die collega-regisseurs meestal uit Wagners meta-religie puren maar verliest de poëtisch-spirituele lading van het Bühnenweihfestspiel niet uit het oog.

Het eerste wat opvalt is de natuurlijkheid waarmee de acteurs over het toneel bewegen. Jonas Kaufmann is de enige die af en toe terugvalt op zijn bekende arsenaal van clichématige gebaren. De acteursregie is zeer gedetailleerd en dat is des te opmerkelijker aangezien de regisseur vanwege een uitreisverbod alle repetities via Zoom heeft moeten volgen (co-regie: Evgeny Kulagin). Voor verduistering van 1.5 miljoen euro staatsgeld werd Serebrennikov in 2017 gearresteerd en vervolgens met huisarrest geplaatst. In het proces dat volgde kreeg hij 3 jaar voorwaardelijk, het huisarrest werd onlangs opgeheven. Serebrennikov wordt door Westerse muziekjournalisten, die geen flauw idee hebben van geopolitiek, in één adem genoemd met de clown Alexei Navalny, held van de Washington Post en pion van de NATO. Het verleidde Joachim Lange van de Neue Musikzeitung tot de bespottelijke uitspraak dat deze productie in Rusland niet mogelijk zou zijn. Seriously ?

Is een gevangenis niet de meest volmaakte metafoor voor Wagners gevleugelde maxime “Zum Raum wird hier die Zeit”? Bijgevolg is Monsalvat een detentiecentrum geworden, de Graal staat voor de Vrijheid. Serebrennikov die zijn persoonlijke lockdown van de afgelopen jaren zag overgaan in een globale lockdown, betrekt die laatste ook in de voorstelling. Immers, voelen wij ons niet als de Graalgemeenschap van het derde bedrijf ? Wanneer het finale “Enthüllet den Gral! Öffnet den Schrein” weerklinkt, gaan de celdeuren open.

Er wordt op drie niveau’s gespeeld, een voortoneel, een soort binnenhof omringd door getraliede cellen, daarboven nog een videowand. De drie videoschermen herinneren vaak aan de poëtische mystiek in zwart/wit van Andrei Tarkovsky. Daarvoor hebben videasten Aleksei Fokin en Yurii Karih winterbeelden geschoten van een ruïneuze Grieks-orthodoxe kerk in de omgeving van Moskou. Het ritme van de videobeelden spoort met de partituur. Nergens legt de toneelhandeling noch de videowall Wagner’s partituur een strobreed in de weg. Sterker nog, de beeldenvloed en de gedetailleerde regie geeft de partituur zodanig vleugels dat er geen enkele behoefte is om de beide orkestrale hoogtepunten, bekend als Verwandlungsmusik, nog verder te illustreren. Er is geen publiek in de zaal. De grotere beweeglijkheid van de camera maakt de registratie daardoor filmischer dan ooit.
Elina Garanca als Kundry © Wiener Staatsoper/Michael Pöhn

Het openingsbeeld stelt meteen duidelijk dat Parsifal het centrale personage is. De camera zoomt in op het hoofd van Kaufmann om terug uit te zoomen op het hoofd van Nikolay Sidorenko, zijn jongere zelf. Parsifal is ontdubbeld tussen de rijpe Parsifal die naar het stuk kijkt vanuit zijn herinnering en zijn jongere zelf. Grote delen van het stuk beleeft Kaufmann dan ook als toeschouwer. Soms zal hij zijn jongere zelf trachten te beschermen door in te grijpen in de handeling.

De gevangenen-figuranten beheersen het vocabularium van de machotaal van delinquenten. Op de videowall zien we hun torso’s met getatoëerde religieuze symbolen. Serebrennikov, zelf een Boeddhist, zegt : “Boeddhisten waren vaak oorlogszuchtige, bloeddorstige kerels. Het is pas vandaag zo dat het boeddhisme nu voor ons een teken is van de absoluut vreedzame oproep tot geweldloosheid, tot humanisme.” Uiteindelijk toont de voorstelling hoe vanuit een gesloten mannelijke gemeenschap iets van een nieuwe sekte, een nieuwe meta-religie tot stand komt. Gurnemanz, bedreven in de tatoeëerkunst, brengt religieuze symbolen aan op de rug van de medegevangenen tijdens zijn monoloog. Kundry, in beige trenchcoat en een passende grijsblonde pruik, smokkelt medicijnen, magazines en sigaretten binnen en schiet foto’s van de gevangenen.

De zwaan is een androgyne knaap, met vleugels getatoeëerd op de rug, die onder de douche erotische toenadering zoekt en door Parsifal met een ingeslikt scheermesje vermoord wordt. Als personage slaat hij de brug met de zwevende duif aan het eind. Op dat moment zal Parsifal’s slachtoffer, de dode “zwaan”, de ogen open slaan en lachend terugkeren in het leven, een teken van ongebreidelde hoop, zegt de regisseur. Er zijn geweldige details te zien zoals de medegevangene die bladert in het binnengesmokkelde magazine Jail 24 met als kop “So wird unser Urlaub mit grünem Pass”. Serrebrenikov heeft de cipiers in Amerikaanse uniformen gestoken. Dat kan ik moeilijk anders interpreteren als een politiek statement om Amerika te stigmatiseren als de politieagent van de wereld.

De eerste orkestrale climax, voor het verschijnen van het mannenkoor, is gereserveerd voor de mystieke ontmoeting van de rijpe Parsifal met zijn jongere zelf. Grandioos is de graalsonthulling: op de tonen van Wagners geheimzinnige muziek inspecteren de cipiers de toegekomen postpakjes voor de gevangenen. Daaronder een perzisch tapijt, een joodse kandelaar en tenslotte een kelk die ze tonen alsof het een conventionele enscenering betrof. Amfortas' Titurel-hallucinaties leiden tot zelfverminking. Het is Kundry zelf die de finale woorden uit de hemel zingt net voor ze Parsifal trakteert op een korte erotische fotoshoot en daarmee een brug legt naar het tweede bedrijf.

Mannelijke pin-ups sieren de wand in het kantoortje van de als Harvey Weinstein ogende mediamagnaat Klingsor. Zijn uitdagende en opstandige redactrice Kundry behandelt hem als een Skandinavische ijskoningin. Zijn streken heeft hij nog niet afgeleerd. “Hüt’ ich mir selbst den Gral” zingt hij met zijn handen tussen haar benen. De bloemenmeisjes trakteren Parsifal op een fotoshoot voor het glossy magazine Schloss. Een speer krijgen we in het laatste tafereel van het tweede bedrijf niet te zien. Kundry bedreigt Parsifal met een pistool tegen de slaap. Zijn mentale kracht breekt haar wil zodat ze het pistool vervolgens op haar baas richt. Geheel terecht zegt de regisseur : “Kijk naar de scenische oplossingen van conventionele voorstellingen voor het wonder van de speer die midden in de lucht tot stilstand komt: dergelijke pogingen om de muzikaal gerealiseerde wonderen van Wagners partituur te illustreren hebben allesbehalve de gewenste magische effecten. Daarom wil en kan ik Wagners Parsifal niet één op één illustreren.”
Elina Garanca(Kundry) en Nikolay Sidorenko (Parsifal)
© Wiener Staatsoper/Michael Pöhn

Jaren later bestaat Monsalvat nog steeds. Als gevangenis is ze opgeheven. Er is nu ook een naaiatelier met enkele oudere vrouwen. Hoe Kundry zich te pletter verveelt met een kruisbeeld is heerlijk om zien. Een ijzeren buis in Parsifals hand verschaft de illusie van een speer. Karfreitagszauber verloopt in een kring van bloemen, kaarsen en kruisen waarmee de devote oude vrouwen de inmiddels in een wit verlossershemd geholpen Parsifal omsingelen. Vanzelfsprekend zijn er talloze bloedmooie individuele shots te zien van Kaufmann en Garanca. Hoogtepunt daarvan is de doop van Kundry (“Die Taufe nimm und glaub an den Erlöser”) waarbij de camera beiden reveleert als het optisch ideale operapaar. Een geagiteerde Amfortas strooit de as uit de urne van zijn vader. Zijn wonde geneest door handoplegging. Amfortas en Kundry verlaten het toneel arm in arm, Gurnemanz gaat zijn eigen weg. Parsifal blijft alleen achter. Verraadt zijn bekommerde blik twijfel of dit allemaal wel zo’n goed idee was?

Georg Zeppenfeld is geen ideale Gurnemanz. Het talent om een morele/religieuze autoriteit neer te zetten ontbreekt. Daarom is hij bijna komisch in de soepjurk van een conventionele enscenering. Hier hoeft hij die schijn niet op te houden en valt hij niet uit de toon. Zoals altijd articuleert hij helder met zijn gecultiveerde, jeugdige bas. “O wunden-wundervoller Heiliger Speer” gaat zijn krachten ten boven, net als “O Gnade! Höchstes Heil”. De rest is uitstekend, dynamisch goed gedifferentieeerd met de Karfreitagszauber als hoogtepunt. Goudhaantje Jonas Kaufmann zet zijn gerookte timbre nog maar eens in voor een rol die hem ligt. De lyrische passages laadt hij op met een zelden gehoorde intensiteit, de dramatische delen geeft hij alle heldentenorale luister. Elina Garanca heeft haar Kundry- tevens Wagnerdebuut niet gemist. Haar spel was minstens zo indrukwekkend als haar vocale prestatie. Die was gaaf en zonder problematische registerovergangen. De finale van het tweede bedrijf levert ze af met alle toeters en bellen. Wij gaan haar zeker nog terugzien in deze rol. Wolfgang Koch, ooit een middelmatige Amfortas heeft zijn plek gevonden in dit stuk. Klingsor past beter bij zijn temperament. Dit was nog maar eens een fraaie, bijtend gearticuleerde Klingsor. Ludovic Tézier heeft al lang de top bereikt als Verdibariton. Wellicht zijn er geen uitdagingen meer op dat vlak. Het is mij niet bekend of hij Wagner verder wil verkennen in de grotere rollen. Ik vermoed van niet. Zijn dictie van het Duits was zeer acceptabel. De voordracht intens en doorleefd, zij het niet zo verschroeiend als die van Peter Mattei in New York. De stem mocht wat aan helderheid winnen en meer oog hebben voor medeklinkers. Het spel van Nikolay Sidorenko als de jeugdige Parsifal was een echte meerwaarde. Het mannenkoor bereikte alle gewenste intensiteit in de beide Graalscènes.

Philip Jordan, de nieuwe muziekchef van Wenen, houdt zich aan het Haenchen tempo dat zowat een standaard is geworden. De prelude klokt af net onder de 12 minuten. Dramatisch ondervoed is deze lezing op geen enkel moment, de transformatiemuziek zorgt voor de vertrouwde opwindende orkestrale hoogtepunten. Mooi afgelijnd klinken de pauken. De balans tussen solisten en orkest is uitstekend, niet zoals in de oudere relays die onlangs te zien waren van de Weense staatsopera. Dit alles zag eruit zoals opera, zonder afstandsregels, eruit moet zien. Hier geen flauwekul met mondkapjes in de orkestbak en ja, er wordt gekust in deze Parsifal! Ik mag hopen dat de solisten en klasbakken van de Wiener Philharmoniker niet om de haverklap een vervelend wattenstaafje in de neus moeten dulden. De nieuwe Weense intendant Bogdan Roscic lijkt te ijveren voor de vrijheid van de kunst. Dat hij de productie van Alvis Hermanis uit 2017 zo snel aan de kant zou zetten heeft mij verbaasd. Mij lijkt het dan ook dat hij door Serebrennikov te engageren een statement wilde maken. Dat is hem ook gelukt : met deze Parsifal, een Wagnerevenement van de eerste orde, heeft hij de Weense Staatsopera met verve de 21e eeuw binnen geloodst.
Finale van het derde bedrijf © Wiener Staatsoper/Michael Pöhn

Nog te zien op Arte concert tot midden mei

zaterdag 3 april 2021

Christine Mielitz met Der Fliegende Holländer in Wenen (****½)

Pretty Yende als Violetta Valery © Wiener Staatsoper/Michael Pöhn

FLAMMENTOD

De opdeling die mensen maken tussen traditioneel en modern vind ik in de context van het theater weinig interessant. Wat je hebt zijn goede en slechte ensceneringen. De vorm is daarbij van secundair belang. Waar het om gaat is dat de vereende krachten in de orkestbak en op het toneel de partituur doen schitteren als een ongeslepen diamant. Als zangers en acteurs dat op hun beurt doen door de toeschouwer via hun talent in het stuk te trekken, dan is succes verzekerd. Dat is wat hier gebeurt. Enkele achterdoeken doen misschien wat gedateerd aan in deze uit 2003 stammende productie maar Christine Mielitz toont vakmanschap en talent voor het releveren van de werkzame momenten in de partituur. Zo lijkt Wagners vroegste werk uit de Bayreuther canon helemaal geen vreemde eend in de bijt. De casting van deze reprise uit februari 2015 is voortreffelijk. Het resultaat een grote Wagneravond.

Mielitz maakt er grotendeels een nachtstuk van dat mij wel eens doet denken aan de producties van Wieland Wagner zoals ik mij die wel eens voor mijn geestesoog haal op basis van de overgeleverde foto’s. De belichting is daardoor vaak suggestief zoals bijvoorbeeld tijdens de monoloog van de Holländer, een entree die moeilijk te overtreffen is. De groupuscule die zijn schurkachtige, in zwarte trenchcoats gestoken handlangers vormen, en waaruit hij zich losweekt, onderlijnt zijn mythisch karakter, net als de grote wijnvlek rond zijn rechteroog. De benedendekse belichting priemt bloedrood door de spleten van het plankier van Stefan Mayers houten scheepsromp. Michael Volle is daarbij een fantastische Holländer. De monoloog is intelligent gefraseerd, dramatisch mooi opgebouwd en opwindend tot en met de finale climax van “Wann alle Toten auferstehn”. Echt niets om bij in te dommelen zoals de Steuermann. Omdat ik de laatste weken zoveel teleurstellende Wagnerinterpreten gehoord heb, heb ik dit wel driemaal gebisseerd. Ik heb Bryn Terfel routine-Holländers weten zingen die hier niet aan kunnen tippen. Het enige probleem bij deze relay is dat de klank niet optimaal is. Ik weet niet hoe het momenteel gesteld is met de Weense streams maar De Ring van 2016 gaf precies hetzelfde suboptimale klankbeeld te horen : de stemmen missen présence, verdwijnen enigszins naar de achtergrond ten koste van de balans met het orkest. Dat is jammer wanneer iemand met zo’n om aandacht smekende stem staat te zingen. In september nog hoorde ik hem live in Zürich en ik kan u verzekeren van de intensiteit waarmee hij de stem in het auditorium kan catapulteren. Volle beschikt over een echte heldenbariton en dat is de stem waarvoor Wagner Wotan heeft geschreven. Een bezoek aan zijn Walküre-Wotan dringt zich op.

Ricarda Merbeths licht geëxalteerde Senta dreigt in de lyrisch-dramatische passages wel eens af te glijden naar een zekere hysterische schrilheid maar ze doet dat gelukkig nooit. In de hoogte heerst ze soeverein, uiterst belangrijk in deze partij. Erg goed is het duet met de Holländer. Voor de finale reserveert ze een verrassing: met de inhoud van een jerrycan simuleert ze haar zelfverbranding.

Hans-Peter König heeft alles in huis voor Daland. Zijn Lamme Goedzak persoonlijkheid stoort in deze rol geenszins. Herbert Lippert zingt een heel overtuigende, doorleefde Erik. Thomas Ebenstein is een soliede maar onopvallende Steuermann.

Kapitein Peter Schneider loodst de Wiener Philharmoniker vakkundig door de woelige wateren van Wagners partituur, het spektakel van de orkestrale explosies niet schuwend. Opnieuw moet ik de opname in vraag stellen: ik miste detail en helderheid in de orkestrale fortes en de Engelse hoornsolo van de ouverture bijvoorbeeld. Een merkwaardige decalage tussen koor en orkest in “Mit Gewitter und Sturm” was een duidelijk minpuntje.