Posts tonen met het label Die Walküre. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Die Walküre. Alle posts tonen

zondag 31 maart 2019

Robert Lepage met Die Walküre in New York (***½)

Eva-Maria Westbroek als Sieglinde
©Richard Termine
VAN DE EDDA NAAR HOEDJE WIP

De wipplanken-Ring van Robert Lepage is met zijn 26 miljoen dollar niet alleen de duurste Ring uit de geschiedenis, hij zal allicht ook de geschiedenis ingaan als één van de saaiste. De duurste non-enscenering van de Ring uit de geschiedenis te zijn: het is een triest record. Lepage was zeker niet de eerste regisseur die geen flauw idee had hoe hij er moest aan beginnen. Uiteindelijk is hij er nooit aan begonnen. Hij leverde het stuk gewoon over aan een monster, The Machine, dat met zijn twee hydraulische torens en een horizontale as, bestukt met 24 wipplanken, als een gigantische xylofoon, alle scenografische configuraties moest weten te dekken en tevens als canvas voor videoprojectie moest dienen. Technisch was het een huzarenstukje van coördinatie maar vanop een afstand bekeken leek het alsof er met een kanon naar een mug werd geschoten. Het leverde enkele bloedmooie plaatjes op maar de acteursregie was primitief, de relevantie van deze verteltrant voor een publiek van vandaag onbestaand.

Behalve Jonas Kaufmanns Siegmund-debuut was het vooral Bryn Terfels Wotan die de eerste uitgave van de Lepage-Ring tot een evenement maakte. Terfel smeet zich in de Walküre-Wotan met een voor hem nooit geziene overgave. Dat resulteerde in een erg zinnelijke voordracht. Niet zelden ontwikkelde hij een spannend rubato en de monoloog, de lakmoesproef voor elke Walküre-Wotan, was grandioos van nuancering en dynamiek : een prestatie die haar plaats opeiste in de interpretatiegeschiedenis van de laatste 50 jaar. In zijn aan de kitsch grenzende borstkuras zag hij er bovendien fantastisch uit, in elk frame van elke close-up.

Greer Grimsley is Terfel niet. Hij lijkt eerder op een ordinaire dief dan op een met natuurlijke autoriteit bezielde god. In de pauze konden we zijn onaangename spreekstem horen. Dat vertaalt zich ook in de vocale prestatie : het timbre is onaangenaam, het personage oncharismatisch en vooral : hij kan niks bedenken –en dat geldt voor alle scènes- om zijn voordracht te illumineren met inbreng van persoonlijke aard. Ex-basklarinettiste Christine Goerke maakte op mij ook al geen verpletterende indruk. Het timbre is warm, het vibrato goed onder controle en de stem projecteert genereus. Afdalingen naar het borstregister gingen niet probleemloos. Ze is temperamentvol maar met dat temperament weet ze uiteindelijk weinig aan te vangen bij gebrek aan regisseur. Haar uitdrukkingsspectrum is beperkt. Haar dictie is niet beter dan die van Nina Stemme.

Günther Groissböck is geen ideale Hunding. Het is een rol voor een èchte bas, dat is Groissböck niet. Ik hoor een bas-bariton. In de pauze bevestigde hij dat hij in principe de drie Wotans zal zingen in Bayreuth volgende zomer. Jamie Barton zong een uitstekende Fricka, vol nuance, misschien zelfs iets te mooi. Stuart Skelton is een artiest die behalve zijn BMI nog wel meer gemeen heeft met de onlangs overleden heldentenor Johan Botha. Net als Botha beweegt hij zich zoals een pop in een poppenkast met een bezieling die van elders komt en niet vanuit zichzelf. Het liefst zingt hij de partij zittend op een stoel. Hij is niet het type zanger dat op zoek gaat naar een persoonlijke insteek om zijn partij te overstijgen. Grote delen van de partij klinken alsof hij uit het telefoonboek reciteert. Daarmee was Eva-Maria Westbroek het meest natuurlijke personage op de scène. Ze kan een bussel hout voor het haardvuur aandragen alsof ze het elke dag doet. Interpretatief was dit genuanceerd en doorleefd, het vibrato had ze steeds onder controle.

Dat er in de finale toch nog wat ontroerende orkestrale momenten zaten was vooral te danken aan de componist en zijn trouwste dienstknecht Philip Jordan. Die baande zich een weg door het stuk met vlotte tempi en snedige orkestrale interventies. Het klankbeeld tijdens deze relay was voldoende helder.

woensdag 10 januari 2018

Claus Guth met Die Walküre in Hamburg (****)

De Walkürenritt
© Monika Rittershaus
THE TRUMAN SHOW

Sinds Claus Guth “Der Fliegende Holländer” in Bayreuth ensceneerde anno 2003 zijn alle canonische werken van Wagner tussen zijn handen gepasseerd. De Ring leverde hij af in Hamburg in 2008-2009.

Pas in het tweede bedrijf ontvouwt zich het idee achter Guths conceptuele kijk op Die Walküre. Het is in een soort warroom dat we Wotan aantreffen als ontwerper van grootse plannen te midden van een aantal maquettes. De maquette van het eerste bedrijf ligt op zijn bureau, in een hoek ligt de maquette van het derde bedrijf. De wereldschijf, die vermoedelijk een rol speelde in Das Rheingold, hangt aan de muur, nog half verpakt in noppenfolie. De wereld van Die Walküre is Wotans marionettentheater. Net als Truman Burbank in Peter Weirs “The Truman Show” zullen Siegmund en Sieglinde zich niet bewust zijn van hun deelname aan Wotans realitysoap. En zo ontspint zich een spel tussen realiteit en schijnwerkelijkheid. Het kost weinig moeite om in Wotans machtshonger en zelf gecreëerde werkelijkheid de droom van “full spectrum dominance” te herkennen van de Amerikaanse neoconservatieven. Of hoe Wagner te allen tijde actueel zal blijven.

En zo vinden we bij de start van het eerste bedrijf het decor van de maquette terug, dit keer op mensenmaat. Het openingsbeeld toont een verstarde Siegmund en Sieglinde; hij in de buurt van een wandelement met geincrusteerde deur die toegang verschaft tot Hundings huis; zij aan het aanrecht van haar Ikea-designkeukentje. Van de voorbij wandelende Wotan, met breedgerande hoed, krijgen ze elke om beurt het startsein als van een dirigent.

De vloer is een vlak van wit neonlicht en erotiek spat niet meteen van het toneel, het meest nog tussen de echtelieden zoals wanneer Sieglinde zich ontworstelt aan Hundings fel erotische houdgreep om de ongenode gast te ondervragen. Naast Hunding in leren jekker is Siegmund een beetje een boyscout in losse vrijetijdskledij. Kinderen spoken door het beeld wanneer Sieglinde plots herinneringen ophaalt uit haar kindertijd (“O still!Lass mich der Stimme lauschen”) en soms worden details passend uitvergroot zoals het kapitale herkenningsmoment van Sieglinde (“Da wusst’ ich wer der war”) terwijl ze zich aanvlijt tegen de klinisch witte wand in het licht van een zachte spot.

Het wandelement kan zich uit eigen beweging verplaatsen en dienst doen als scheidingsmuur of als essestam. Bij Winterstürme laat Wotan een spot uit de toneeltoren dalen en zet de scène in een warme gloed.

Terug naar het tweede bedrijf wanneer de Walküre haar intrede doet langs het oversized raam in Wotans bureau. Het aardige trompe-l’oeil-effect doet haar een kind lijken. Fricka haalt haar gram probleemloos in een zwart mantelpakje. Bij de tweede scène zitten we terug in Wotans marionettentheater. Acht figuranten helpen Siegmund vorm te geven aan zijn stress tijdens de Todesverkündigung. Het is wachten op het derde bedrijf voordat Guth uitpakt met zijn “coup de maitre”: het is de Walkürenritt en de eerste scène van het derde bedrijf. In een kelder van een bouwvallige fabriek of weeshuis staan vier stapelbedden. Het plafond is verwoest door een bominslag, ijzers pulken uit het beton. Twee gore wasbakken en een spiegel hangen aan de muur. De acht Walküren dragen zwarte bottines en Victoriaanse poppenkleedjes als in een horrorfilm. Met hun verwilderde blik lijken ze op autistische adolescenten als Helen Keller in Arthur Penns “The Miracle Worker”. Ze stoeien met de bedden en geven zich over aan een wilde choreografie van martiale gebaren, ritmisch geaccentueerd met stampvoetende bottines. Guth levert hier een staaltje af van zijn talent als acteursregisseur. Het is de knapst geregisseerde Walkürenchoreografie die ik ooit zag en één die wonderwel spoort met de muziek die Wagner ervoor schreef. Daar blijft het bij en nadat Wotans opstandige dochter haar toilet heeft gemaakt aan de gore wastafel en haar matras heeft ontrolt, rondt Guth af met een conventionele vuurkring.

Falk Struckmann als Wotan
© Monika Rittershaus

Robert Dean Smith heeft nog steeds veel stem in huis, ondanks de zowat 20 jaar lange Wagnerervaring op het toneel. Timbre, vibrato, registerovergangen, alles is nog intakt dankzij een goede techniek. Hij komt alleen wat glans en kracht te kort om de echte heldentenorale zon te laten schijnen.

Liang Li liet een fraai timbre horen en zong Hunding met ingehouden woede en nagenoeg perfecte dictie.

Jennifer Holloway als Sieglinde intoneerde nogal problematisch. Ze speelt de rol aanvankelijk beter dan dat ze hem zingt maar de projectie is goed en haar dramatische uithalen zijn heel aardig. Het tweede bedrijf ligt haar beter zodat ze toch een vrij indrukwekkende prestatie kan neerzetten tot en met “O, hehrstes Wunder” van het derde bedrijf.

Gelijkaardige problemen deden zich voor bij Lise Lindstrom als Brünnhilde. Grote delen van de partij brengen haar in de problemen wanwege de registerovergangen maar de “hojotoho”-salvo’s doet ze erg goed. In de pianissimo-gedeelten heeft de stem de neiging te breken. “War es so schmählich” kwam er slechts zwaar gehavend uit.

Mihoko Fujimura als Fricka was in bloedvorm. De stem was steeds in focus en projecteerde geweldig. Fujimura was daardoor de meest zinnelijke vocaliste van de avond. Dat hadden we niet verwacht na eerdere teleurstellende ervaringen.

Matthias Goerne brombeerde zich een weg door de Wotanpartij met zijn erg onaangenaam en duister timbre waarin alle helderheid ontbreekt. Zijn Wozzeck in Salzburg had ons al niet kunnen overtuigen en de projectie van de stem is eerder beperkt. Tjdens “Götternot” kon hij het gevecht met het orkest niet aan en in de finale van zijn monoloog kon hij geen hoogtepunt scoren. Hij nuanceert weliswaar met de kunde van een ervaren liedzanger en daardoor wordt zijn voordracht desondanks nooit saai. Zijn beste prestaties reserveerde hij voor het derde bedrijf.

Na drie voortreffelijke Wagnervoorstellingen moet ik mijn aanvankelijke scepsis ten aanzien van de akoestiek van de Hamburgse staatsopera grotendeels terugnemen. De contrabassen klonken warm en resonant, de pauken waren iets minder goed gedefinieerd. Het operahuis beschikt zeker niet over de beste akoestiek van het land maar het klankbeeld was voldoende transparant, het orkest klonk nooit diffuus of slordig. In het tempogevoel en de dynamische differentiatiekunst van Kent Nagano kon ik mij goed vinden. De solistische momenten van de cello (eerste bedrijf), de klarinet (tweede bedrijf), basclarinet (derde bedrijf) klonken plastisch en waren telkens meeslepende momenten. Enkele uitschuivers in de kopers zien we graag door de vingers. Fascinerend om te horen was hoe het orkest zich stortte in een wolk van pessimisme na het optreden van Fricka. De Feuerzauber liet geen wensen open.

dinsdag 12 juli 2016

Valery Gergiev met Die Walküre in Baden-Baden (****)

VAN PALMYRA TOT WALHALLA

Twee maanden geleden had Valery Gergiev zich nog maar eens geprostitueerd door samen met zijn manschappen van het Mariinsky Orkest in de tredmolen te stappen van de propagandamachine van de Russische nummer één, Vladimir Poetin. In de Syrische woestijn, te midden van de Romeinse ruïnes van Palmyra, had de maestro Bach, Prokovief en Shchedrin in golven over het gewillige zand gejaagd. Als een druppel op een hete plaat want niemand luisterde behalve een peloton Russische militairen. Maar het nieuws haalde wereldwijd alle journaals en Putin kon er zich mee profileren als het absolute tegendeel van de cultuurvernietigende barbaren van IS. Welke fratsen Poetin nog allemaal in petto heeft, daarover kan men best niet te onbekommerd zijn. Gergiev is dat wel. We weten ook waarom. Het is met dit soort lippendiensten dat hij zijn artistieke droom kocht: Mariinsky II, het nieuwe operatheater aan de oevers van de Neva. Een bezoek aan de St-Petersburgse tempel dringt zich op en de jaarlijkse passage van Gergiev in Baden-Baden maakt dat plan telkens urgenter.

Kregen de Sommerfestspiele vorig jaar voor Berlioz de zaal maar half gevuld, dit keer bleef geen enkel zitje in de zaal onbezet ondanks de finale van het EK. Maar de Mannschaft had gefaald en het Duitse ego kon nu worden gestreeld in de concertzaal. Opnieuw bevestigde het Mariinsky Orkest de uitstekende indruk die het vorig jaar had nagelaten. Deze goed geoliede machine, bestaande uit overwegend jongere muzikanten, reveleerde zich opnieuw als een toonbeeld van gedisciplineerd musiceren, en dat ondanks de tropische temperaturen in het Festspielhaus. Waarbij zich dan de vraag stelt: hoe is de maestro in staat om zulke discipline bij zijn manschappen te bereiken? Door het voorbeeld van zijn eigen legendarische werkkracht?

Gergiev joeg vlotte tempi door het orkest maar demonstreerde tegelijkertijd ook hoe flexibel hij op agogisch gebied weet om te gaan met Wagners vertrouwde partituur : hij liet zich erg vaak verleiden tot adembenemend trage passages, vervuld van een grote dramatische spankracht. Vooral de Todesverkündigung blonk daarin uit. De kopersectie verblufte over de hele lijn. Alle intieme solistische momenten ontstonden vanuit een trefzeker opgebouwde spanning. Dat gold voor de cello en meer nog voor de onaards klinkende basclarinet, solistische momentjes waarvan ik vermoed dat je ze nooit zo mooi uit de overdekte orkestbak van Bayreuth kan horen. Maar in tegenstelling tot vorig jaar leek de maestro zich weinig te bekommeren om het dynamisch evenwicht met de solisten. Stralende climaxen in de finale van het eerste en tweede bedrijf waren daarvan het resultaat.

De Walkürenritt, niet direct mijn favoriete muziek in de Ring, transformeerde het Festspielhaus in een pandemonium van orkestrale pracht, loeihard en barstend van detail, daarbij ondersteund door voortreffelijk zingende Walküren uit St-Petersburg. Het geeft een idee van het niveau dat de Ring met huiseigen krachten in St-Petersburg zou kunnen bereiken. De afsluitende Feuerzauber tintelde alsof de vlammen te zien waren rond Brünnhildes imaginaire rots. Deze vijfsterrenlezing van Die Walküre werd evenwel geëclipseerd door enkele minder goed gekozen solisten.

Andreas Schager had de ondankbare taak op zich genomen om publiekslieveling Jonas Kaufmann te doen vergeten. Stuart Skelton had het hem twee dagen voordien reeds voorgedaan. Een stralende tenor bezit hij niet. De zon laten schijnen kan hij niet. Echte heldentenorale zinnelijkheid behoort niet tot zijn mogelijkheden. Op de Wälse-Rufe had hij hard gestudeerd. Daarop zou hij immers worden afgerekend door de Kaufmannfans. Hij schakelde in een soort turbo modus waarvan ik geen flauw benul heb of dit wel gezond was voor zijn hevig gesolliciteerde stembanden om dan vervolgens terug te vallen op zijn eerder benepen voordracht. Dit was een excursie in het ijle want ze werd niet geschraagd door een baritonaal timbre zoals bij al zijn illustere voorgangers uit het verleden. Zelfs de lyrische delen van de Todesverkündigung kon hij niet het nodige gewicht geven door gebrek aan timbre. Om het met een boutade te zeggen : er gaan twee Schagers in één Max Lorenz of één Lauritz Melchior. Intendant Andreas Mölich-Zebhauser wist zijn keuze voor de invaller goed te verkopen aan zijn publiek, dat aangemoedigd door enkele luidruchtige claqueurs in de zaal, de afwezigheid van Kaufmann snel leek te vergeten.

Eva-Maria Westbroek kon putten uit haar rijke ervaring als Sieglinde. Ze zat dan ook meteen in haar rol. In haar zwarte glitterjurk zag ze er schattig uit en ze leek ook een succesje te hebben geboekt bij het lijnen. Dat het liefdesduet van het eerste bedrijf dynamiet kan zijn daarvoor was alleen zij verantwoordelijk. Haar partner bleef gekluisterd aan zijn lessenaar. Haar powerhouse sopraan kon moeiteloos tegen het orkest opturnen en in dat opzicht was ze het eigenlijke wagneriaanse raspaard van de avond, ook al was niet alles even gaaf qua intonatie en vibrato.

René Pape kampt met een iets te geringe projectie. We hebben het al vaker aangestipt. Is dat de reden waarom hij zo spaarzaam omgaat met deze veeleisende rol? Tijdens "Götternot" kon hij toch nog redelijk goed standhouden. Tot zover onze reserve want het timbre, de frasering en de articulatie was grandioos. Hij leverde daarmee een Wotan van formaat af, zowel in de monoloog als in het derde bedrijf. Bijzonder fraai was de passage waarin hij Erda citeert. Hij was ook de enige op het podium die alle medeklinkers wist te debiteren. Op zijn bekende zalvende toon, zong hij de partij van het blad, een beetje ondramatisch, zo leek het wel. Maar vergis u niet, hij bewees vooral hoeveel de Wotanpartij te winnen heeft door in te zetten op pure schoonzang.

Evelyn Herlitzius was een monument van slordigheid, slordig in de intonatie, slordig in het vibrato. Ze produceerde zoveel zwevende tonen dat je er duizelig van werd. Af en toe haalde ze dramatisch uit maar binnen een voordracht waarin een totaal gebrek aan justesse overheerste, werd dit volledig betekenisloos. Ze speelde weer haar schaapachtige zelf, een overjaarse spring-in-'t-veld. Wellicht had ze een half uur voor de spiegel gestaan alvorens zich te hullen in een bijna clownspak. Dat de castingverantwoordelijke deze stem festivalwaardigheid gunt zegt misschien iets over de heersende laagconjunctuur inzake Brünnhildes. Anderzijds kan ik moeilijk geloven dat er geen karaktervolle sopraan te vinden zou zijn die deze partij met veel meer succes van het blad had kunnen zingen. Schager en Herlitzius worden twee pijlers van de Ring in Wiesbaden. Hun derde bedrijf van Siegfried wil ik liever niet meemaken.

Ekaterina Gubanova gaf een fraaie vertolking van Fricka al verliep het frequente afdalen naar de passagio niet geheel zonder problemen.

Mikhail Petrenko is er sinds zijn internationaal debuut in Aix geen sodemieter op vooruit gegaan als Hunding. Nog steeds ontbeert hij de noodzakelijke gravitas voor de rol. Soms doet hij een beroep op vulgariteiten om dramatische waarachtigheid the faken. Waarom Gergiev hem zo vaak inzet voor dramatische basrollen, die zijn mogelijkheden te boven gaan, is mij niet duidelijk.

Het volgende rendez-vous met Valery Gergiev is voorlopig pas gepland met Eugen Onegin in 2017. In Baden-Baden, dat spreekt voor zich.


woensdag 29 april 2015

Achim Freyer met DIE WALKÜRE in Mannheim (***½)


TWINKLE, TWINKLE, LITTLE STAR

Achim Freyer noemt zich wel eens "ein durch dem Faschismus gebranntes kind". Net voor het einde van de Tweede Wereldoorlog werd zijn vader door de nazi's neergekogeld omdat hij de oorlogswaanzin niet langer kon verdragen. Partijen, sekten, georganiseerde groepen boezemen hem sindsdien wantrouwen in. Voor een deel bepaalt het zijn moeilijke verhouding tot Wagner. Hitlers wagneridolatrie deed de rest. Na Tristan und Isolde in De Munt (1994) kwam er lange tijd niets meer. Aan Bayreuth deed hij een voorstel voor De Ring nadat Lars von Trier de opdracht had teruggegeven maar een antwoord van de Groene Heuvel kwam er niet. Zelf beweert hij wel 20 verschillende concepten voor De Ring in het hoofd te hebben. Eén daarvan haalde het toneel in Los Angeles (2009), nauwelijks drie jaar later volgde een tweede in kwadratenstad Mannheim (2012).

Freyer is regisseur, scenograaf, costumier en lichtontwerper. Net als dat van Robert Wilson is zijn theater anti-naturalistisch en anti-psychologisch en gooit hij alle historische of politieke ballast overboord. Net als Wilson creëert Freyer zijn eigen realiteit en laat hij volop dromen. Freyer geeft toe dat de geconstrueerde werkelijkheid van Robert Wilson een overweldigende invloed op hem heeft gehad na het zien van diens regie van "Einstein on the beach" in Hamburg. Dat hij een gelijkaardige licht- en bewegingsregie hanteert is overduidelijk. Aan Opernwelt verklaarde hij onlangs :" Theater ist eine bewegte Kunst. Sie hat mit Bilder eigentlich nichts zu tun. Auf der Bühne sind keine Bilder zu sehen, sondern Bewegung, Zustände. Auch wenn die Malerei im 20. Jahrhundert versucht, das Bild zu erweitern, in Räume vorzustoßen, die uns das Theater bietet, so produziert sie doch Bilder. Wenn Theater Bilder produziert dann haben wir Stilstand, Leerlauf. Man läuft dann Gefahr, ins Dekorative abzugleiten. Bilder wie Kulissen einzusetzen. Wenn man existentielle Probleme des Menschen in Dekorationen behandelt, ist man ein Verräter."

Achim Freyer is geen verrader maar na de vliegende start in Das Rheingold oogt het werk van de theatermagiër in deze Walküre nu eerder vermoeid en zijn de ideeën minder geïnspireerd.

Bij gesloten doek zien we het lijk van Fasolt liggen als een reminder van Rheingold. Hij zal daar de hele avond blijven liggen. Poppen hangen vanuit de toneeltoren verspreid over het achterdoek. De aardigste daarvan is het paard Grane.

Opnieuw is er de langzaam draaiende Bühne die zelden stilvalt en een heel aparte dynamiek verleent aan dit eerder statische bewegingstheater. Alle conventionele gestiek is verdwenen en vervangen door rituele armbewegingen die door hun voorspelbaarheid uiteindelijk ook gaan vermoeien. Oogcontact is er nauwelijks tussen Siegmund en Sieglinde. Op alle cruciale momenten maken ze contact met de handen. Dat is dan weer erg fraai.
Tijdens Winterstürme daalt een gaasdoek naar beneden die het koppel in het perspectief stelt van een sterrenhemel. Achter het scherm zien we hun doubles in spiegelbeeld die naarmate het duet vordert in de toneeltoren worden gehesen. Echt overtuigen deed het niet.

De handlangers van Hunding, geschminkt met hondenhoofden, kruipen over de bodem. Levende honden doorkruisen het beeld telkens Hunding ter sprake komt.

De Walküren rijden af en aan met karretjes. Daarin de afgehakte ledematen van gevallen soldaten. Ze komen in actie telkens het slagveld ter sprake komt.

Op deze manier is er teveel volk op de scène. Voor de spanning van de aan gang zijnde driehoeksverhouding van het eerste bedrijf werkt het eerder verlammend. Er is geen essenstam, Nothung hangt in de lucht als een neonlamp.

Ook in de tweede bedrijf laat Freyer zich weinig invallen. Fricka verschijnt met een verkoold stokbrood op het hoofd. Siegmund en Hunding zijn als poppetjes te zien. Heel voorspelbaar gaan ze dienen als pionnen in het schaakspel tussen Wotan en Fricka.
Tijdens Wotan's monoloog krijgen we een herinneringsflash van de grappige Alberich te zien.
Brünnhildes hoofd is getooid met een zwarte raaf. Haar zwarte vleugels kan ze uitslaan als een doodsengel tijdens de Todesverkündiging.

Siegmund eindigt met een zwarte kous over het hoofd. Zijn pop-double wordt ondersteboven in de toneeltoren gehesen.

Het derde bedrijf is het meest geslaagde. Eindelijk kunnen de Walküren hun ritje doen zoals bedoeld. Dat ze dat voordien al zo vaak gedemonstreerd hebben verzwakt het effect. Ze dragen lange zwarte mantels en hun gezichten zijn wit geschminkt als clowneske hyena's.
Allen hebben ze een gebruiksvoorwerp op het hoofd: een handschoen, een kapstok, een naaimachine, een bugel, een strijkijzer, een metstruweel, een schaar. Zingen doen ze bijzonder goed en gedifferentieerd. Sterker nog, ze hoeven zich niks aan te trekken van de rituele gestiek en daarmee worden ze plots boeiender dan aĺ de andere personages.

Wat volgde was een heel gave Feuerzauber die ook scènisch kon overtuigen. Terwijl Wotan zijn finale zingt zien we zijn double de ontgoddelijking van de bestrafte dochter uitvoeren. Heel leep van Freyer om te wachten op de stijgende intervallen in het orkest om de raaf, de vleugels en Brünhilde's kleed omhoog te trekken in de toneeltoren. De hele avond lang is Loge telkens opnieuw verschenen om een sigaar aan te steken en vervolgens onmiddellijk weer te verdwijnen. Nu cirkelt hij rond de ontgoddelijkte Brünnhilde, driftig toneelmist spuitend; witte vlammen geprojecteerd op het gaasdoek maken de scène af. Het laatste beeld is voor de Siegfriedpop, een knalgele ragebol op een schommel die uit de toneeltoren daalt en het vervolg aankondigt.

John in Eichen als Hunding was quasi perfect. Hij had alle nodige power en gravitas in huis en zijn articulatie en dictie was uitstekend.

Voor Endrik Wottrich is Siegmund een grenspartij. Hij had zijn krachten goed gedoseerd om de zwaarste passages zoals de Wälse-Rufe behoorlijk door te komen. De mezza-voce passages tijdens de Todesverkündigung klonken niet zo fraai.

Heike Wessels als Sieglinde presteerde merkelijk beter. De overgangen naar het borstregister verliepen niet zonder moeite maar de dramatische uithalen wist ze explosief en met een grote zinnelijkheid in de zaal te projecteren. Ze kon dit volhouden tot en met "O hehrstes Wunder" in het derde bedrijf. Naast die van John in Eichen was dit een prestatie die het provinciale oversteeg.

Edna Prochnik als Fricka klonk hysterisch, niet omdat de rol het vroeg maar omdat het haar mangelde aan techniek en de registerovergangen zeer problematisch konden klinken.

Galina Shesterneva's prestatie als Brünnhilde was heel ongelijk. Haar dictie was erg goed voor een Russische en haar hoogdramatische sopraan klonk jeugdig en karaktervol. Bij het afdalen naar het borstregister werd de stem eerder dun hetgeen een nogal problematische Todesverkündigung opleverde. Haar laatste poging tot krachtpatserij, vlak voor het slapen gaan, maakte op deze toeschouwer grote indruk. Voor Shesterneva was dit debuut een klip die niet zonder moeite werd genomen, te oordelen aan het persoonlijke bedankje dat ze veil had voor de onzichtbare medewerker in het souffleurshok.

Karsten Mewes als Wotan was niet van het kaliber van Thomas Jesatko. Grote delen van de voordracht waren saai en vaak liet hij een lelijk, blatend vibrato horen. Naarmate het einde naderde begon hij boeiender te zingen om in de finale zijn beste momenten te laten horen.

Dan Ettinger had niet het meest geraffineerde orkest ter beschikking. De tuba's daverden er op los, de trombones knorden als nergens anders, soms expressief soms een tikkeltje vulgair. En er waren ook verschillende foutjes te horen in het koper. Het orchestraal fortissimo dat volgde op Brünnhildes aanvaarding van de straf was oorverdovend luid en daardoor, merkwaardig genoeg, bijzonder overweldigend. De balans tussen solisten en orkest was meestal erg goed.

Siegfried is vaak het beste deel in een tetralogie. Laten we eens testen of Freyers speelse omgang met Wagner deze regel bevestigt aan de hand van de dvd's die we aan de kant hebben gelegd tot na deze voorstelling. De volledige Ring is volgend seizoen weer te zien in Mannheim in mei en juni.