Posts tonen met het label Nikolaj Rimski-Korsakov. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nikolaj Rimski-Korsakov. Alle posts tonen

woensdag 12 juni 2019

Dmitri Tcherniakov met Het Sprookje van Tsaar Saltan in Brussel (****½)


Stine Marie Fischer, Bernarda Bobro en Carole Wilson
als de boosaardige zusters © Forster

ABER, WIE SAH MEIN VATER WOHL AUS ?

Van de late 19e eeuw tot aan de Eerste Wereldoorlog is Richard Wagner immens populair in Rusland. Die populariteit heeft hij te danken aan zijn eigen concertreeks in 1863, aan de steun van muziekcriticus Anton Serov en vooral aan de voorstellingen van De Ring die Angelo Neumann met zijn "Richard Wagner Theater" in april 1889 verzorgt in Moskou en St-Petersburg. Vijf maal zal hij De Ring opvoeren in de beide keizerlijke hoftheaters. Karl Muck dirigeerde en als we Neumann mogen geloven dan presteerde het orkest van het Mariinsky Theater even goed als in Bayreuth. Beide cycli kenden een groot succes. Onder de toeschouwers: Nikolaj Rimski-Korsakov. "Germanen und Slawen - das geht", had Wagner enkele jaren voordien nog aan Neumann geschreven in zijn allerlaatste brief vanuit Venetië, twee dagen voor zijn dood.

Het Machtige Hoopje, waartoe ook Rimski-Korsakov behoorde, wees Wagner aanvankelijk af. Nochtans had Modest Moesorgski reeds in 1867 al gewaarschuwd : "Wij steken vaak de draak met Wagner maar Wagner is sterk en hij is sterk omdat hij de kunst aanpakt en haar op haar grondvesten doet daveren". Die aanvankelijke scepsis veranderde radicaal met de opvoeringen van de Neumann-Ring. "Er was een tijd, toen ik hem afwees, nu echter geloof ik vast in hem, zoals in apostel Paulus", zou Rimski-Korsakov schrijven en Glazoenov die samen met hem De Ring had bezocht, schreef aan Tsjaikovski: "Samen met Nikolaj Andrejevitsj (Rimski-Korsakov) bevonden wij ons in een roes" waarop Tsjaikovski in zijn dagboek noteerde : "Brief van Glazoenov. (Hij is Wagneriaan !!)"

Rimski-Korsakov werd daarmee de meest wagneriaanse onder de Russische componisten. Zijn mythologisch opera-ballet Mlada gaat terug op Wagners Ring en zijn opera "De legende van de onzichtbare stad Kitezj en de maagd Fevronia" wordt door sommigen wel eens de Russische Parsifal genoemd. Rimski-Korsakov was vooral geïnteresseerd in Wagners orkestratie en in de beeldende kracht van zijn muziek. Beide kwaliteiten vinden we ook terug in al zijn charmante sprookjesopera’s. Francis Maes noemt hem vooruitstrevend en conservatief tegelijk. Zijn leerling Igor Stravinsky noemde hem dan weer een reactionair die alles principieel verwierp dat uit Duitsland of Frankrijk afkomstig was. Maar binnen Het Machtige Hoopje was hij de enige die de kunst van het orkestreren verstond en op dat gebied is hij even emblematisch voor Rusland als Berlioz voor Frankrijk en Wagner voor Duitsland.

“Het Sprookje van Tsaar Saltan” was het allereerste muziektheaterstuk dat Dmitri Sjostakovitsj zag. De 8-jarige vond het geweldig maar het zal de “Galop” voor piano van de Belgische componist Jean-Louis Goebbaerts zijn die zijn kunstgevoel 3 maanden later zal triggeren om zijn eerste pianoles te vragen aan zijn moeder. Wat valt er muzikaal te beleven in “Het Sprookje van Tsaar Saltan” ? Er is het afsluitende koor van het eerste bedrijf dat thematische verwantschap vertoont met het koor van de Oudgelovigen in Khovansjtsjina. De daaropvolgende prelude tot het tweede bedrijf -de toonschildering van het betoverde eiland Boejan- bevat de origineelste muziek en vormt het orkestrale hoogtepunt van het stuk. Het jubelkoor ter afsluiting van het tweede bedrijf is een andere topper voor het koor. Het zeer bekende “Vlucht van de hommel” moet Rimski-Korsakov niet tot zijn beste muziek gerekend hebben want hij nam het niet op in zijn Tsaar Saltan-suite. Het symfonische tussenspel ter introductie van het laatste tafereel is dan weer een fascinerende reis in cinemascope doorheen het sprankelend-melancholische Korsakov-universum.

Opera noemde Rimsky-Korsakov ooit “de meest betoverende en bedwelmende van alle leugens". In leugens had hij zich namelijk gespecialiseerd : als componist hield hij zich veilig binnen de contouren van folklore en fantasie. Stravinsky beweerde dat zijn literaire smaak die van een provinciaal was en dat hij geen oren had naar enig religieus of filosofisch idee. Elke opvoering van één van zijn weinig gespeelde werken kan daarom niets anders zijn dan een reddingspoging, een demarche waarin totnogtoe vooral Dmitri Tcherniakov succesvol is gebleken.

Svetlana Aksenova (Militrisa) en Bogdan Volkov (Gvidon)
© Forster

Tcherniakov vertelt het stuk door de ogen van Tsarevitsj Gvidon en zijn moeder Militrissa, pas aangespoeld in een ton op de oevers van het betoverde eiland Boejan, als straf van de misleidde Tsaar van Tmoetarakan. Dat de tsarevitsj een autist is, zijn vader niet kent, en nog moet leren om de echte wereld te ontdekken, legt zijn moeder uit nog voor Alain Altinoglu de opmaat heeft gegeven voor de eerste priskazka-trompetstoten van het stuk. En natuurlijk zoekt de prins ook een bloedmooie prinses. Het kost weinig moeite om in prins Gvidon een soort Russische Siegfried te zien en Bogdan Volkov vindt wel honderd manieren om via zijn gestoorde motoriek gestalte te geven aan het autisme van de jongeman.

De kostuums van Elena Zaytseva voor de wereld van Tmoetarakan doen schreeuwerig aan, alsof ze gebict zijn door Jan Fabre. Het is een oude voorbijgestreefde wereld die de regisseur ons toont en hij lijkt er ook zijn kritiek op de conventionele wereld van het theater op te projecteren, de wereld van Bolshoi en Marinnsky met name die zoveel ondraaglijke kitsch-producties van het werk van Rimski-Korsakov hebben overgeleverd. De proloog en het eerste bedrijf spelen zich dan ook af voor het gesloten doek. Voor Tcherniakov begint het stuk dan ook pas met het tweede bedrijf en dat vereist dit keer de inzet van een videowand en animatie.

Animatie illustreert de kinderlijke verhaallijn. Ruw geborstelde stripfiguren flitsen over het doek en vertellen van de roofvogel die de tsarevitsj met pijl en boog neerhaalt om het leven van de Zwaanprinses te redden. Een alkoof als een sprookjes-iglo doorbreekt de tweedimensionele videowand in de diepte en herbergt de mooiste scènes, gehuld in het atmosferische licht van Gleb Filshtinsky. De Zwaanprinses houdt er haar betoverende interventies, liggend gehuld in een pak van sneeuwwitte veren. Het bezoek van de als hommel vermomde tsarevitsj aan Tmoetarakan is een ander hoogstandje van vermakelijke animatie waarin de wereld van Gvidons vader tot in het groteske wordt vertekend. Tijdens het laatste symfonische tussenspel betreedt ook de prins de sprookjes-iglo voor een dialoog met zichzelf als stripheld. Dit alles is bloedmooi en erg sprookjesachtig.

De lokroep van het utopische Rusland rond de stad Ledenets is zo sterk dat de Tsaar en zijn gevolg op bezoek komen in stadskledij. Het weerzien van vader en de zoon is ontroerend. De feestende menigte brengt de autistische prins tot wanhoop. Een happy end was voor Tcherniakov wellicht te gemakkelijk. Zijn kersverse bruid, de onttoverde Zwaanprinses, zal hem zonder twijfel op het rechte pad weten te houden.

Bogdan Volkov (Gvidon), Olga Kulchynska (Zwaanprinses)
© Forster

De kwaliteiten van Olga Kulchynska konden we vorige week nog in de cinema bewonderen toen zij haar kunstjes toonde in het belcantovak in een productie van Zürich van 3 jaar geleden. Daar toonde ze dat haar warm getimbreerde sopraan over het hele bereik homogeen klinkt zonder registerbreuken en dat ze probleemloos dynamisch kan differentiëren. In Brussel toont ze iets anders : dat ze inmiddels over een geweldig projecterende stem beschikt die haar voordracht van de Zwaanprinses op een erg zinnelijke manier deed nazinderen. Er is geen enkele reden voor haar om zich op te sluiten in het belcantovak. Peter de Caluwé beloofde dat we haar terug te zien krijgen in het Italiaanse repertoire, wellicht in Puccini.

Svetlana Aksenova als de moeder kan zich niet in dezelfde mate in die topregionen van de sopranenhemel begeven met een stem die niet gelijkmatig in focus blijft over het hele bereik. Bogdan Volkov imponeert meer door zijn spel dan door zijn vocale prestatie. Ante Jerkunica moet wachten tot de finale om zijn prachtbas glansrijk te kunnen inzetten tijdens zijn ultieme verzoeningsmonoloog. De kleinere rollen zijn één voor één uitstekend bezet met Nicky Spence als de bode en Vasily Gorshkov als de Oude man. Stine Marie Fischer, Bernarda Bobro en Carole Wilson beleven veel lol aan de drie boosaardige zusters.

Alain Altinoglu heeft zowel oog voor de kleuren als voor de dynamische en ritmische vereisten van de partituur en iets zegt mij dat hij een uitstekende Janacek-dirigent zou kunnen zijn. Het koper klinkt messcherp tijdens de vele trompetfanfares. De solistische momenten van de cello en de harpen komen goed uit de verf. De koorfinales stuurt hij dynamisch tot echte hoogtepunten van de avond.

Ondertussen is ook duidelijk dat Dmitri Tcherniakov De Ring in Bayreuth niet zal doen. Weggekaapt door Daniel Barenboim voor de staatsopera in Berlijn, zal de Russische Ring wellicht reeds vanaf 2022 te zien zijn, na het afronden van de Herheim-Ring aan de Deutsche Oper. Barenboims mandaat werd zopas verlengd tot 2027. Een contract met Bayreuth heeft Tcherniakov inmiddels wel op zak: wordt het Der Fliegende Holländer (2022) ? Rest de vraag wie de Ring in Bayreuth zal doen? Wordt het Tatjana Gürbaca of vier vrouwelijke regisseurs waarvan Katharina Wagner Götterdämmerung voor haar rekening zal nemen, zoals een gerucht beweert dat de ronde doet ? De Munt van haar kant belooft het sprookjesrepertoire van Rimski-Korsakov verder te zetten met Sadko.

donderdag 22 juni 2017

Daniel Kramer met Sadko in Gent (***½)

Zurab Zurabishvili als Sadko
© Annemie Augustijns
FAKE IT TILL YOU MAKE IT

“Zoals altijd na een lange pauze was Wagners muziek me totaal vreemd geworden en moest ik eraan wennen. Toen ik er een beetje aan gewend was geraakt, ging ik er toch van houden, maar dan ervoer ik weer iets dat dicht bij afkeer komt. Ik werd verontwaardigd over al zijn blunders van het gehoor, en zijn niet aflatende overschrijdingen van wat mogelijk is in harmonie – eenvoudig gezegd, de onzin en de fouten die je overal in Siegfried vindt uitgestrooid. (…) Zou mijn muzikaal oor dan beter zijn dan dat van Wagner? (…) Neen, natuurlijk, niet beter, misschien zelfs slechter; maar ik heb een geweten in de muziek, waaraan ik gehoorzaam, en Wagner versplinterde zijn geweten in zijn streven naar het grandioze en het nieuwe”.

Aan het woord is Nikolaj Rimski-Korsakov in een brief aan Jastrebtsev. Het is altijd interessant om een componist te horen spreken over de blunders van een collega, al moeten we meteen ook toegeven dat Rimski-Korsakov tot flinke zelfkritiek in staat was. Francis Maes noemt hem vooruitstrevend en conservatief tegelijk. Zijn leerling Igor Stravinsky noemde hem dan weer een reactionair die alles principieel verwierp dat uit Duitsland of Frankrijk afkomstig was. Maar binnen Het Machtige Hoopje was hij de enige die de kunst van het orkestreren verstond en op dat gebied is hij even emblematisch voor Rusland als Berlioz voor Frankrijk en Wagner voor Duitsland.

Opera noemde Rimsky-Korsakov ooit “de meest betoverende en bedwelmende van alle leugens". In leugens had hij zich namelijk gespecialiseerd : als componist hield hij zich veilig binnen de contouren van folklore en fantasie. Stravinsky beweerde dat zijn literaire smaak die van een provinciaal was en dat hij geen oren had naar enig religieus of filosofisch idee. Elke opvoering van één van zijn weinig gespeelde werken kan daarom niets anders zijn dan een reddingspoging, een demarche waarin totnogtoe vooral Dmitri Tcherniakov succesvol is gebleken.

Net als ik zal u het werk Sadko –opera in 7 scènes- vermoedelijk van niets anders kennen als van de video- en geluidsopname die Philips ervan maakte in de jaren 90 in het Mariinsky Theater onder Valery Gergiev: een sprookjeswereld van bordkarton geregeerd door een werkelijk onuitstaanbare acteursregie. Een pleidooi voor een renaissance van de opera’s van Rimski-Korsakov was dit bepaald niet en met de ogen toe kon je ook horen dat Sadko in muzikaal opzicht zelden hoge toppen scheert. Er is het fascinerende thema in de lage strijkers dat de alomtegenwoordigheid van de zee illustreert. Het beheerst de ouverture en het zal nog verder worden ontwikkeld in de vijfde scène. Het zal ook reeds de tragische sfeer van de finale van Lady Macbeth van Mzensk (Sjostakovitsj) aankondigen.
Er zijn de hypnotiserende akkoorden die het lied van de Varjaagse handelaar omlijsten. Er is de bezwerende charme van het lied van de Indische handelaar –de oorwurm van het stuk- en de indrukwekkende onderzeese finale van de zesde scène. Al de rest, ook het vaak geroemde wiegelied van Volchova, reken ik tot de middelmaat qua muzikale ideeën. Het koor heeft een aanzienlijke partij te zingen maar klinkt nergens zo boeiend en gedifferentieerd als in Snegoerotsjka. Tenslotte zijn er de overduidelijke verwijzingen naar Wagner, naar Rheingold en Siegfrieds Waldweben en de bloemenmeisjes in Parsifal. De epische recitatiefstijl van Sadko, die bijna 3 uur lang op het toneel staat, is nooit vervelend maar kan anderzijds ook nooit echt boeien. Dit alles maakt het stuk in muzikaal opzicht nogal vermoeiend en dat is nooit een goede zaak voor de overlevingskansen van een stuk in het repertoire.

In Gent doet Daniel Kramer een halfslachtige reddingspoging. Kramer plaatst het stuk in het spanningsveld tussen kunstenaar en maatschappij. Als een soixante-huitard houdt hij zijn zelfvoldane medeburgers (handelaars, moneymakers, beursspeculanten) een spiegel voor. Het zijn allemaal mannen, want hebzucht is patriarchaal, meent Kramer. Terecht wordt hij met pek en veren wandelen gestuurd. In ondergoed belandt hij aan de oevers van het Ilmenmeer waar zijn idealen een nieuwe adem krijgen na zijn spirituele hergeboorte in de schoot van de Zeeprinses. Ze geeft hem de sleutels voor het winnen van een weddenschap en het verwerven van rijkdom. Zijn succesvol ondernemerschap is, in tegenstelling tot de handelaars van Novgorod, niet de vrucht van eigen vlijt en kunnen maar een gift van een hogere macht. En zo faket hij zich een weg naar de top. Hij verlaat zijn erg huiselijke vrouw, kiest het ruime sop naar Venetië om 12 jaar later tot het besef te komen dat de vermarkting van de kunst bezit heeft genomen van zijn leven en van dat van zijn metgezellen. Die identiteitscrisis doet hem flirten met het idee van zelfmoord, we zien hem zelfs zijn eigen dood ensceneren. Tenslotte keelt hij de Zeeprinses met een mes. Het sprookjeslibretto wil nu eenmaal dat zij verandert in een rivier. Het is een rivier van bloed, de resultante van een nationalistische, economische mannenlogica, zo lijkt Kramer te zeggen. Als dit alles u verwarrend overkomt, dan heeft u volkomen gelijk. Alleen, het sprookje van Rimski-Korsakov is nog erger. Tenslotte zien we onze wereldverbeteraar als een gearriveerde held van het establishment in het finale nationalistische tableau. Een illusie rijker, zo vernemen we uit het programmaboek. Is het niet de tol van elk kunstenaarsleven?

Op scenografisch gebied werd gekozen voor eenvoudige oplossingen. Het koor sjouwde zijn eigen stoelen en zetels aan, een licht gehelde videowand (video :Darrel Maloney) ondersteunde de scène met duistere natuurbeelden en hypothekeerde de scène anderzijds met een rist aan triviale beelden van voetballers en luchthavens. We durven hopen dat het projecteren van youtube-trivia geen trend wordt in het operatheater.

Sadko is een tamelijk gespierde partij. Ze vereist veel stem en gedijt het best in een Slavische keel. Ze vergt een lyrische heldentenor, meent Jurowsky. Dat vinden wij maar een rare omschrijving. Zurab Zurabishvilli als Sadko heeft geen onaangenaam timbre maar een echt Slavische voordracht met lang aangehouden noten zoals van Vladimir Galusin is dit niet. Zijn tenor klinkt veel benepener en in de hoogte moet hij al eens forceren.

Betsy Horne als Volchova maakte op mij weinig indruk. Anatoli Kotscherga, nog steeds niet uitgezongen, verspilde zijn talent aan een compleet oninteressante rol als de Zeekoning. De Varangische en de Venetiaanse Handelaar waren met Tijl Faveyts en Pavel Yankovski adequaat bezet. Adam Smith daarentegen beschikt niet over de stralende tenor die vandoen is om de werkelijke magie van het lied van de Indische Handelaar te vatten. Raehann Bryce-Davis speelde Nezjata als een met de jaren-vijftig-microfoon vergroeide Ella Fitzgerald in glitterjurk. Ze is een mezzo en geen contralto zoals voorgeschreven hetgeen deels verklaart waarom deze partij elk Slavisch karakter ontbeerde. Victoria Yarovaya als Ljoebava Boesnajevna was de beste vocaliste van de avond met een Slavisch ingekleurde voordracht, een mooie projectie en een gaaf mezzo-timbre. We zien haar graag eens terug.

Koor en orkest presteerden uitstekend. Orkestraal detail en kleur ontbraken niet. De contrabassen die de voornaamste kleur van het stuk leveren, waren prominent aanwezig in het klankbeeld. Rest de vraag waarom Dmitri Jurowski zijn termijn bij Opera Vlaanderen zo nodig wil afsluiten met twee middelmatige werken. Volgend seizoen staat met De Speler (Prokofiev) weer zo’n kneusje van het Russische repertoire op de affiche terwijl De Vuurengel een ware zegetocht houdt in de theaters van Europa.

Sadko is ook te zien via streaming op The Opera Platform vanaf 2 juli

vrijdag 28 april 2017

Dmitri Tcherniakov met Snegoerotsjka in Parijs (****)

Vasily Gorshkov (Bobyl Bakula) en Aida Garifulinna (Snegoerotsjka)
© Elisa Haberer
CELESTE AIDA

Nikolaj Rimski-Korsakov had ons dit seizoen als operacomponist al eens weten te bekoren in Brussel met De Gouden Haan in het Muntpaleis. Ook Snegoerotsjka, een vroeger werk, is kleurrijk georkestreerd. De muziek klinkt nooit banaal, is gedrenkt in Russische folklore en zit vol kostelijke details die herinneren aan het leven in de natuur. De componist van "De vlucht van de hommel" leek het werk te verkiezen boven al zijn andere opera's. Het is vooral het koor dat de hoogste toppen scoort: het maslenitsa-afscheidsfeest van de winter herinnert aan Moesorgski net als de fantastische rituele optocht voor het feest van Jarilo in het vierde bedrijf dat mij aan de finale van Khovanstsjina doet denken.

Snegoerotsjka is een parabel over de overgang van winter naar lente, in allegorisch zin voorgesteld door de overdracht van de macht van de winterkoning aan de zonnegod Jarilo. Die wenteling van de natuur weerspiegelt zich ook in de harten van de mensen en in hun zucht naar de warmte van het erotisch verlangen. Snegoerotsjka, een meisje van sneeuw en ijs, is de dochter van de winterkoning en de lentefee. Haar ouders houden haar ver van de noodlottige stralen van de zon. Ze is veilig zolang ze geen hartstocht kent. De liefde wordt gerepresenteerd door het herderspaar Koepava en Lel, de Slavische Eros. Wanneer Snegoerotsjka uiteindelijk in het huwelijk treedt met Mizgir, smelt zij en wordt het bevroren land van Berendej bevrijd uit de greep van de winter.

Dmitri Tcherniakov, nagenoeg onklopbaar als het gaat over het herinterpreteren van de vermolmd gewaande operageschiedenis van zijn eigen natie, is ook dit keer weer zijn eigen scenograaf. Hij laat de proloog starten in het repetitielokaal van een dansschool met schattige kindertjes in de rol van de vogeltjes maar met Snegoerotsjka's intrede in de mensenwereld, brengt hij ons te midden van de weelde van de natuur. Een jongerencommune leeft er in houten huisjes en caravans aan de rand van een bos. Ze vermaken zich met paganistische rituelen die naarmate de temperatuur stijgt ook met naakte bosnimfen worden bevolkt.
De scenografische stunt van de avond doet zich voor tijdens het laatste optreden van de lentefee wanneer hij het hele woud laat roteren, congeniaal ondersteund door de knappe lichtregie van Gleb Filshtinsky.

Het mag duidelijk zijn dat met Aida Garifullina, het sneeuwmeisje van dienst, een nieuwe ster in de maak is. En alweer komt dit talent uit Rusland. Ze is in staat tot een zeer genuanceerd spel en met haar vlekkeloos klinkende lyrische sopraan weet ze ook het hart te beroeren. Martina Serafin zong Koepava als een lichte dramatische sopraan. Ze deed dat met zoveel brio dat ze nauwelijks te onderscheiden was van de rest van de Slavische cast. Tcherniakov wist bovendien het beste uit haar te halen in het eerste bedrijf.
Lel, een travestierol, werd door Tcherniakov bezet met een contratenor. Yuriy Mynanko liet een erg viriele contratenor horen met een verbazende projectie en een soliede techniek. Thomas Johannes Mayer als Mizgir stelde nog maar eens teleur met zijn onaangenaam timbre dat glans en helderheid ontbeert. Onbegrijpelijk toch dat deze van alle zinnelijkheid verstoken stem Wotan mag zingen aan gereputeerde huizen.Vasily Gorshkov als Bobyl Bakula verraste door zijn heldere articulatie. Elena Manistina als de Lentefee kampte met een niet zo fraai vibrato en Vladmir Ognovenko als de Winterkoning leek niet altijd intonatiezuiver. De voordracht van Maxim Paster als Tsaar Berendej was eerder kleurloos en onvoldoende gedifferentieerd.

Mikhail Tatarnikov kon mij overtuigen met deze heldere lezing, rijk aan kleur en detail en tegelijk in staat tot een duizelingwekkend resultaat in de koorpartijen. De balans tussen solisten en orkest van deze live-relay was uitstekend.

Het volgende rendez-vous met Rimski-Korsakov is gepland met Sadko in Antwerpen.

woensdag 21 december 2016

Laurent Pelly met De Gouden Haan in Brussel (****)

DROOM IK DAT IK WAKKER BEN ?

Van de late 19e eeuw tot aan de Eerste Wereldoorlog is Richard Wagner immens populair in Rusland. Die populariteit heeft hij te danken aan zijn eigen concertreeks in 1863, aan de steun van muziekcriticus Anton Serov en vooral aan de voorstellingen van De Ring die Angelo Neumann met zijn "Richard Wagner Theater" in april 1889 verzorgt in Moskou en St-Petersburg. Vijf maal zal hij De Ring opvoeren in de beide keizerlijke hoftheaters. Karl Muck dirigeerde en als we Neumann mogen geloven dan presteerde het orkest van het Mariinsky Theater even goed als in Bayreuth. Beide cycli kenden een groot succes. "Germanen und Slawen - das geht", had Wagner enkele jaren voordien nog aan Neumann geschreven in zijn allerlaatste brief vanuit Venetië, twee dagen voor zijn dood.

Het Machtige Hoopje, waartoe ook Rimski-Korsakov behoorde, wees Wagner aanvankelijk af. Nochtans had Modest Moesorgski reeds in 1867 al gewaarschuwd : "Wij steken vaak de draak met Wagner maar Wagner is sterk en hij is sterk omdat hij de kunst aanpakt en haar op haar grondvesten doet beven". Die aanvankelijke scepsis veranderde radicaal met de opvoeringen van de Neumann-Ring. "Er was een tijd, toen ik hem afwees, nu echter geloof ik vast in hem, zoals in apostel Paulus", zou Rimski-Korsakov schrijven en Glazoenov die samen met hem De Ring had bezocht, schreef aan Tsjaikovski: "Samen met Nikolaj Andrejevitsj (Rimski-Korsakov) bevonden wij ons in een roes" waarop Tsjaikovski in zijn dagboek noteerde : "Brief van Glazoenov. (Hij is Wagneriaan !!)"

Rimski-Korsakov werd daarmee de meest wagneriaanse onder de Russische componisten. Zijn mythologisch opera-ballet Mlada gaat terug op Wagners Ring en zijn opera "De legende van de onzichtbare stad Kitezj en de maagd Fevronia" wordt door sommigen wel eens de Russische Parsifal genoemd. Rimski-Korsakov was vooral geïnteresseerd in Wagners orkestratie en in de beeldende kracht van zijn muziek. Beide kwaliteiten vinden we ook terug in zijn laatste opera " De Gouden Haan", naast leidmotieven die gelinkt zijn aan de personages : messcherpe trompetstoten herinneren aan onze gevederde vriend van het boerenerf, de klarinet articuleert het exotisch-oosterse motief van de tsarina, het klokkenspel, de piccolo en de harp doen hetzelfde voor de astroloog. Het tweede bedrijf roept dan weer bij herhaling het duet van Kundry en Parsifal in herinnering.

In het pre-revolutionaire Rusland is het symbolisme de heersende kunststroming. Net als elders in de wereld is het door Wagner enorm beïnvloed. Tussen 1900 en 1905 brengen de symbolisten vier delen van De Ring tot stand in St-Petersburg. Betekenisvol daarbij is de omstandigheid dat deze Ring zijn voltooiing vindt in 1905. Het was het jaar van de eerste grote opstand tegen de tsaar die het keizerrijk had doen daveren op zijn grondvesten, alsof Wagners Ring de intellectuele elite in een fin-de-siècle stemming bracht en de Götterdämmerung aankondigde van het tsarendom. De opstand werd echter bloedig neergeslagen en als gevolg daarvan ging het symbolisme als beweging zich tevens ontwikkelen als een politiek project. Voor de symbolisten was het duidelijk dat zij de ongelijke, corrupte tsaristische autarkie niet langer konden dulden. De politisering van de beweging had als gevolg dat vele kunstenaars en Wagnervereerders aanhangers werden van de bolsjevistische revolutie. Allen dichtten ze de muziek het potentieel toe om de gebroken verhoudingen te herstellen. Muziek hielden ze voor een brug naar een postapocalyptische wereld van harmonie, regeneratie en wedergeboorte, niet toevallig elementen van Wagners kunstutopie.

Dit is de context waarin De Gouden Haan ontstaat anno 1907 en met zijn aanklacht tegen autocratie, despotisme en domheid is het ook de eerste keer dat Rimski-Korsakov politieke satire durft te bedrijven. André Lischke noemt het met een hyperbool "het meest subversieve werk uit de muziekgeschiedenis". Zo horen we uit de mond van het volk, na de dood van de tsaar : "Wat brengt een nieuwe dageraad? Wat wordt er van ons zonder onze tsaar?" Het hoeft niet te verwonderen dat het stuk aanvankelijk niet door de censuur geraakte. Ironisch genoeg zit in De Gouden Haan niet het minste geloof in het revolutionaire potentieel van het volk: Rimski-Korsakov toont een even grote minachting voor het volk als voor de vorst. Toch laat Laurent Pelly de arbeidersklasse als dreigende massa regelmatig op het achterdoek verschijnen.

Muzikaal scheert het eerste bedrijf geen al te hoge toppen maar het is moeilijk om niet onder de indruk te geraken van Rimski-Korsakovs orkestratiekunst. De koorpartijen halen niet het niveau van Moesorgski, het slotkoor van het derde bedrijf komt enigszins in de buurt. Dodon is een potsierlijke, blunderende tsaar die zijn leven het liefst in pyjama doorbrengt. Zijn bed staat op een berg steenkool, resultaat van de vlijt van de arbeidersklasse. De gouden haan, een geschenk van een geheimzinnige astroloog die verrassend goed op Raspoetin lijkt, moet hem van de ongemakken van het slagveld redden.

Met het tweede bedrijf wordt het stuk merkelijker interessanter. Het is het bedrijf van de tsarina van Sjemacha, de muzikale zus van Sheherazade. "Is zij de belichaming van de prachtige, sensuele, inspirerende schoonheid, die tegenover de ruwe wereld van Dodon staat of een uitsluitend wreed en onmenselijk symbool, een vergiftigde schoonheid die de decadentie aan de kaak stelt?" vraagt André Lischke zich af. De verrukkelijke Venera Gimadieva weet die dubbelzinnigheid goed uit te spelen. Een gekantelde trechter, geïnspireerd op een bekende zendmast in Moskou, is het kader voor haar provocaties en verleidingskunsten. Wanneer ze opschept over haar albasten heupen en haar weelderige boezem kan Dodon enkel nog door de knieën gaan. Ondertussen heeft het manvolk in de zaal zich voldoende kunnen identificeren met het blunderboek van de oliedomme tsaar om zich aangesproken te voelen. De muziek bereikt hier haar meest betoverende karakter en vanwege de scènewisseling tussen het tweede en derde bedrijf zullen Alain Altinoglu en concertmeester Saténik Khourdoian als extraatje een fantasie voor viool en piano spelen, verwijzend naar de muziek van de tsarina. Het sprookje loopt slecht af wanneer de astroloog de tsarina komt opeisen als beloning voor zijn behulpzame gouden haan.

Dacht André Lischke stiekem ook aan onze tijd toen hij schreef : "Als een beschaving tegelijkertijd een dergelijke minachting toont voor zichzelf en zo'n behoefte voelt om zich te herbronnen in het exotisme dan betekent dat dat ze een alarmerend niveau van verval en wanorde heeft bereikt en dat ze door oncontroleerbare krachten vernietigd kan worden."

Agnes Zwierko als de huishoudster was de enige zwakke schakel in deze voor het overige homogene slavische cast. De gouden palm gaat natuurlijk naar Venera Gimadieva die een gave Tsarina zong zoals we dat van haar gewoon zijn. Pelly had haar verleidingskunsten weten aan te scherpen en dat willen we zeker nog eens in detail herbekijken met het oog van de camera via de online-streamingdienst van De Munt. Pavlo Hunka scoorde met tsaar Dodon zijn beste rol tot nog toe. Zijn basbariton klonk solieder als bij vorige gelegenheden. Alexey Domgov en Konstantin Shusakov waren grappige tsarevitsjen en Alexander Kravets meesterde de partij van de astroloog voor voix-mixte met brio. De sensuele en dromerige loomheid van Rimski-Korsakovs oriëntalisme drapeerde Alain Altinoglu als een gouden deken over het orkest. Opnieuw viel de akoestiek van het Muntpaleis echt goed mee. Ze liet een goede definitie horen in de bassen en een aardig stereo-effect tussen de houtblazers links en het koper rechts.