Posts tonen met het label Manon Lescaut. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Manon Lescaut. Alle posts tonen

woensdag 9 februari 2022

Robert Carsen met Manon Lescaut in Wenen (***½)

Asmik Grigorian als Manon © Michael Pöhn

HET MANON-SYNDROOM

Robert Carsens Weense productie van Manon Lescaut onstond in 2005, veertien jaar na zijn opmerkelijke debuut met hetzelfde werk aan de Vlaamse Opera. Het verleidde Gerard Mortier destijds tot één van zijn meest dwaze uitspraken ooit : “Giacomo Puccini is voor mij het summum van slechte burgermanskunst uit de negentiende eeuw. Wat kunnen mensen op het einde van de twintigste eeuw nog opsteken van een opera als Madama Butterfly? Die hele handel moet de vuilnisbak in!” Het is aan deze uitspraak te danken dat Marc Clémeur toen met zijn geruchtmakende Puccini-cyclus is gestart : “Vanaf dat ik hier kwam heb ik dingen willen doen die in de Munt niet gebeuren. Zo koos ik voor Puccini, Mortier haat Puccini en het is mijn stokpaardje.” Het legde de basis voor een jarenlange rivaliteit tussen de Vlaamse Opera en De Munt.

Veertien jaar later laat Carsen zijn Manon van dorst omkomen in een verlaten galerij van een shoppingcenter omringd door etalagepoppen, levenloze symbolen van Manons onbedwingbare hang naar luxe. Het is ook in deze koude wereld van beton en glas dat Carsen zijn Manon Lescaut opent. Verveelde fashionista’s met gevulde shopping bags paraderen langs de etalages, de bedelaar gunnen ze geen blik. De meesten lijden aan wat Carsen het Manon-syndroom noemt: “Manon is een jong meisje dat alles wil en daardoor schuldig wordt. Maar er is ook een grote mate van onschuld in deze schuld. Manon is jong en mooi, iedereen begeert haar, en daarom gelooft zij dat alle deuren voor haar openstaan. Maar wat ze zich lange tijd niet realiseert, is wat ze haar medemensen aandoet. Ook wij leven in een tijd waarin iedereen alles wil. Wij worden gedwongen er jong en mooi uit te zien, en men probeert ons wijs te maken dat wij nog gelukkiger zouden kunnen worden door goederen te bezitten die als statussymbool dienen. Je zou dit het Manon-syndroom kunnen noemen.”

Asmik Grigorian verbluft vanaf het eerste ogenblik door haar natuurlijkheid. Op geen enkel moment kan je haar betrappen op één van die overtollige, wijdse operagebaren. Ze weet perfect hoe ze met haar lichaam moet omgaan in elke situatie. Er zijn gevierde operazangers die dat na een carrière van 50 jaar nog steeds niet kunnen. Laat dat de voornaamste troef zijn die de duizelingwekkende carrière van de Litouws-Armeense sopraan momenteel aandrijft sinds haar Salzburgse Salomé van 2018. Brian Jagde als de dichter Des Grieux heeft het daar wat moeilijker mee. Gelukkig heeft hij van de regisseur een notitieboekje gekregen om zijn handen bezig te houden. De kortstondige idylle in Amiens eindigt met een vlucht in een zilveren berline van hoofdsponsor Lexus.

Na een erg lange ombouwpauze voor het tweede bedrijf is Antony McDonalds galerij gedecoreerd als een penthouse met zicht op een wellicht Aziatische haven. We treffen er Manon aan bij haar ochtendtoilet. Het prachtige thema in de dwarsfluiten flirt met dit beeld van demonstratieve vrouwelijkheid. De lyrische aria “In quelle trine morbide” zingt Manon in een wijnrode pronkerige jurk. Edmondo is niet alleen een agressieve paparazzo, hij is ook de dansmeester die de dansscène omzet in een photoshoot. Het sterke liefdesduet dat volgt krijgt een erotische toets zoals we dat sinds Kaufmann/Opolais (Londen, 2014) in dit stuk niet meer hebben gezien. Manons boomlange sugardaddy Geronte vindt zijn rivaal tussen de benen van zijn minnares.

Wanneer het tweedelige ‘intermezzo sinfonico’ weerklinkt laten Francesco Ivan Ciampa en de Wiener Philharmoniker vooral horen hoe verwant het is met de intermezzi van Cavalleria Rusticana. De inscheping van de prostituees in Le Havre is gehuld in groen licht. Het is pornokoning Geronte die hier de rol van de inschepingscommandant overneemt en zijn prostituees als sexslaven modeshow-gewijs naar Amerika stuurt. Voor de tragische finale keren we terug naar het shoppingcenter. Des Grieux had om de hoek wellicht toch een caféetje kunnen vinden met wat frisdrank voor zijn ijlende vriendin maar hij komt met lege handen terug. Uitdovende muziek en doek. Vintage Puccini.

Asmik Grigorian (Manon) en Brian Jagde (Des Grieux) © Michael Pöhn

Het vertolken van jonge meisjes gaat Asmik Grigorian bijzonder goed af. Haar voordracht is gaaf, intonatiezuiver, gedifferentieerd. Maar ze blijft de eigenares van een slank gevoerde stem waarop ik vooralsnog het etiket van lichte dramatische sopraan niet zou durven kleven. Sinds de Manon van Frankfurt (2019) is zij verder gerijpt en haar “Sola, perduta, abbandonata” kon mij nu meer overtuigen. Toch is ze niet de perfecte Manon vanwege timbre en straalkracht. Voor Manons slotaria moet je echt wel wat meer in huis hebben om het volle effect te bereiken.

Brian Jagde heeft de looks van een jeune premier en hij groeit in de loop van de voorstelling. Zijn baritonaal getimbreerde tenor klinkt niet superhelder en in de hoogte raakt de stem ook snel geforceerd. Het best scoort hij in het liefdesduet. Van “Guardate, pazzo son” weet hij geen echt hoogtepunt te maken. Matige prestaties van Boris Pinkhasovich als Lescaut en van Artyom Wasnetsov als Geronte.

Nog te bekijken op Opera on Video. De volgende stream met Asmik Grigorian is Pique Dame in Milaan op 23 februari (via Medici TV)

dinsdag 15 oktober 2019

Alex Ollé met Manon Lescaut in Frankfurt (***½)

Joshua Geurrero (Des Grieux) & Asmik Grigorian (Manon)
© Barbara Aumüller
LOVE IS ALL YOU NEED

Manon is een mannenfantasie, ontsproten aan het brein van een geestelijke, de Abbé Prévost, auteur van “Histoire du Chevalier des Grieux et de Manon Lescaut”. Later zal componist en womanizer Giacomo Puccini er vier scènes uit destilleren. De operaliteratuur, volledig gedomineerd door blanke mannen, al dan niet geïnspireerd door een vrouwelijke muze, zou niet hetzelfde zijn zonder deze mannenfantasieën.

Klinisch psycholoog Paul Verhaeghe had nochtans gewaarschuwd : er is geen rationeel argument te bedenken om een relatie te beginnen. Vertel het aan de Chevalier Des Grieux! Van zijn op bling bling beluste oogappel kan hij geen afscheid nemen. Ze sleept hem mee naar de afgrond, Des Grieux staat erbij en kijkt ernaar. Eénmaal in de gunst van een fatale schoonheid als Manon, zou u zich als man als een gewillig slachtoffer naar de afgrond laten slepen? Zou u zich als vrouw herkennen in het dilemma van Manon, dat van de keuze tussen een leven in luxe aan de zijde van een rijke Sugardaddy of een leven in liefde met een arme student? Manon Lescaut levert aanknopingspunten ter identificatie zowel voor het vrouwelijke als het mannelijke publiek. Die identificatie is cruciaal. Een catharsis is er niet : weliswaar overwint de liefde aan het eind maar tegelijk rest er enkel de dood.

Om zijn Manon te duiden heeft regisseur Alex Ollé een introductiefilmpje gedraaid dat, breed uitgesmeerd over het volledige proscenium, laat zien hoe zij als illegale migrante, gewapend met een kniptang, vanuit Armenië in Frankrijk voet aan wal zet, een baantje versiert in een naaiatelier en hoe haar ouders haar broer aanschrijven met de smeekbede om haar terug te halen. Wanneer Lorenzo Viotti de opmaat geeft tot Puccini’s Manon Lescaut is Manon dus niet op weg naar het klooster maar samen met haar broer op weg naar huis.

De terrasjes aan het busstation van Amiens, ingenomen door studenten, hebben een hoog MacDonaldsgehalte. De steunpilaren voor het afdak zijn gemaakt uit de letters LOVE. Veel leven heeft Ollé in de studentenmenigte niet gekregen. Een regisseur van massatonelen is hij niet. Uiteindelijk slaan de studenten aan het kaarten. Manon gedraagt zich als een kauwgombellen blazende tiener. De eerste verleidingspoging van Des Grieux heeft ze niet eens gehoord vanwege de oortjes die ze in heeft. Als hij later wat doortastender wordt lacht ze zich te pletter om zoveel aandacht. Het zijn scènes van een ontwapenende natuurlijkheid. Lescaut ziet er geen graten in om zijn zuster over te leveren aan de rijke pornokoning Geronte di Ravoir. Afgeleid door het kaartspel bemerkt hij niet eens dat zijn zus plots aan de haal is gegaan met haar nieuwe vriendje.

Jaren verlopen tussen het eerste en tweede bedrijf. De LOVE-letters zijn nu in warm paarse neontinten te zien als uithangbord van Geronte’s softporno walhalla. Hij pleziert er Japanse toeristen met paaldansen. Puccini schreef geen muziek die ook maar enigszins past bij paaldansen en driekwartier in het halfduister naar de yogaoefeningen van lauwwarme paaldanseressen kijken helpt het stuk ook niet vooruit. De Manon van het tweede bedrijf is nog steeds een tiener en geen vrouw die ondertussen geleerd heeft de mannelijke wereld naar haar pijpen te laten dansen. Ze begint heel gemakkelijk te tobben over haar oude liefde. Als die komt opdagen is ze bereid te vluchten maar niet zonder alle geldkoffers van Geronte mee te nemen. Die heeft ondertussen de politie verwittigd.

Joshua Geurrero (Des Grieux) & Asmik Grigorian (Manon)
© Barbara Aumüller

Het tweede bedrijf flopt omdat Alex Ollé en Asmik Gregorian blijkbaar niet gewild hebben om Manon naar een ander niveau te tillen : met Manons hang naar luxe zal Gregorian het wellicht moeilijk hebben gehad, voor Ollé paste het niet bij het positieve slachtofferbeeld dat hij voor zijn illegale migrante wilde. Voor hun opwindende reunie-duet tracht het koppel zich een hoekje van de scène eigen te maken. Het geraakt een beetje ondergesneeuwd door de paaldansen. Hoopte Ollé werkelijk met deze erotische figuranten een boost in de erotische verhouding van Manon tot Des Grieux te bewerkstelligen? De finale van het liefdesduet krijgt alle vocale toeters en bellen en Des Grieux komt stilaan onder stoom. Betekenisvol is zijn blik wanneer hij zegt “Que farai di me? “

De inscheping in Le Havre is een zeer voorspelbaar ritueel met politieagenten en Duitse herdershonden. De uitgewezen migranten zitten opgesloten in een kooi. Voor het laatste bedrijf blijven van het decor alleen de LOVE-letters over. Het orkest is nu de macabere ambassadeur van de dood. Joshua Guerrero lijkt zijn stervende metgezel vocaal te willen overklassen maar dan pakt Asmik Gregorian uit met haar beste moment van de avond, een verschroeiend “Sola, perduta, abbandonata”. Magnifiek zoals Puccini en zijn dienstknecht Viotti het orkest laten uitdoven terwijl het draaitoneel langzaam uit ons zicht draait.

De moraal van van dit verhaal zou kunnen zijn : hoed u voor regisseurs die scenografisch uitpakken met love in grote letters maar niet in staat blijken om passie en erotiek binnen te smokkelen in het stuk zelf.

Asmik Grigorian was zopas nog zangeres van het jaar. De stem projecteert goed maar heeft een eerder koel timbre zoals Kristine Opolais. De registerovergangen neemt ze probleemloos. Ik zou de partij nu toch eindelijk eens willen horen uit de keel van een warm getimbreerde sopraan. Wat zij binnenkort in Bayreuth gaat zingen is mij niet bekend.

Joshua Guerrero als Des Grieux interpreteert meer dan zijn tegenspeelster, soms met een snik in de stem. Het is een echte spinto tenor met een eerder donker timbre. “Donna non vidi mai” ging een beetje ten onder aan de mindere akoestiek in het eerste bedrijf. “Guardate, pazzo son” was een hoogtepunt, ook in het laatste bedrijf was hij sterk.

Iurii Samoilov als Lescaut is een natuurtalent, een geboren acteur. Dat wisten we al sinds Die Lustige Witwe. Het wordt tijd om hem weer eens in een grotere rol te zien. We kijken alvast uit naar zijn Guglielmo in De Munt in februari. Sugardaddy’s zijn zelden boeiend in Manon Lescaut. Donato di Stefano als Geronte vormt daarop geen uitzondering.

Lorenzo Viotti maakt van Manon een opera van de twintigste eeuw. De orkestklank is slank, minimaal romantisch, expressief, met nekbrekende agogische versnellingen, zoals de zeer snelle fff-finale in het tweede bedrijf. De prelude tot het tweede bedrijf met de dwarsfluiten in een hoofdrol was prachtig van detail en kleur. Het beroemde intermezzo had de allure van een diepgravende reflexie over de finale van het tweede bedrijf.

Asmik Grigorian als Manon
© Barbara Aumüller

zondag 6 maart 2016

Richard Eyre met Manon Lescaut in New York (***½)


Kristine Opolais, Roberto Alagna © Ken Howard

THE FALLEN MADONNA (WITH THE BIG BOOBIES)

Richard Eyre vond het nodig om de handeling te verplaatsen naar bezet Frankrijk anno 1941. Daarmee wilde hij de sfeer van de film noir binnenhalen maar de scène ademt daardoor ook willens nillens de sfeer van "Allo Allo". Elk moment verwacht je één van die belegen Britse grappen over "de gevallen madonna met de grote bloemkolen". De oorlogssituatie en de gespannen relatie met de bezetter opent mogelijkheden voor het tweede en derde bedrijf maar Eyre doet er niks mee en toont zich dus vooral een vermoeide en uitgebluste regisseur.
De decors reduceren de solisten tot dwergen, de intimiteit van het stuk is ver zoek, aldus enkele krantencommentaren. Daarvan is in de cinema natuurlijk niets te merken al zijn de decors van Rob Howell wel degelijk monumentaal en verlangen ze een vervelend lange ombouwtijd na elk bedrijf.

Manon arriveert per trein langs een grote trap met een colonnade. Het spel van de studenten is geforceerd. Zoals zo vaak aan de Met ontbreekt het het koor aan natuurlijkheid in de beweging. Zach Borichevsky als Edmondo is houterig en saai. Geronte heeft onvoldoende profiel, zowel scenisch als vocaal. Hij lijkt wel een cloon van Peter Gelb. Een oudere man met geld die een 18-jarig meisje aan zich bindt moet zichzelf ook een beetje belachelijk maken. De vis comica is aan Brindley Sherratt niet besteed, zoals hij zelf toegeeft tijdens de intermissie. De Lescaut van Massimo Cavalletti is even weinig gedifferentieerd en al helemaal geen pooierachtig type.

Het Parijse boudoir van Manon is als een zaal in het Louvre. Is het de zuil van Trajanus of de Collone Vendôme die haar slaapkamer doorklieft? Ook hier weer een gigantische trap.
Kristine Opolais kan haar vrouwelijkheid minutenlang uitspelen in een kleurrijke kimono maar aan het erotische samenspel dat Jonathan Kent in Londen aan haar en Jonas Kaufmann had weten te ontlokken, komt ze niet toe. In de zang en dansact voor Geronte's genodigden toont Eyre weinig fantasie en niettegenstaande de oorlogssetting is het allemaal erg braaf. Wanneer De Grieux zijn beklag doet dat Manon niets veranderd is, doet hij dat deels via een introspectieve monoloog, recht in de camera.

Fabio Luisi leidt een opwindende finale tot het tweede bedrijf. Met de prelude tot het 3de bedrijf, het geweldige intermezzo, brengt hij het stuk nog meer op temperatuur. De inscheping van de prostituees in Le Havre profiteert nauwelijks van de oorlogsssituatie. In het vierde bedrijf slagen Manon en Des Grieux er dan toch in een echt koppel te worden en krijgen we van Opolais en Alagna hun meest doorleefde vertolking te zien te midden van de betonnen chaos van een gebombardeerd Parijs.
"Solo, perduta, abbandonato" is verschroeiend. Wat jammer dat Opolais geen warmer timbre kan voorleggen en de stem niet iets breder kan laten stromen. Met Puccini zal het dus nooit helemaal goed komen. Haar spel is grandioos (al laat de regisseur haar talent op dat punt onbenut) maar de partij zal anders klinken wanneer Anna Netrebko de rol volgend seizoen zal overnemen.

Roberto Alagna's tenor klinkt nog altijd warm en geëngageerd maar heeft wat van zijn frisheid verloren. Twee bedrijven lang heeft hij de neiging te forceren. Daarna geraakt hij meer en meer in balans om met "Pazzo son, guardate" en het vierde bedrijf zijn meest overtuigende prestatie neer te zetten.

vrijdag 31 juli 2015

Hans Neuenfels met MANON LESCAUT in München (***1/2)

DE CAPRIOLEN VAN EEN TRUFFELZWIJN

Paul Verhaeghe had het onlangs nog zo duidelijk gezegd: er is geen rationeel argument te bedenken om een relatie te beginnen. Vertel dat aan de Chevalier Des Grieux. Zijn op bling bling beluste oogappel sleept hem mee naar de afgrond. Des Grieux staat erbij en kijkt ernaar.

Jonas Kaufmann had Kate Aldrich in de arena van Orange nog maar net een mes in het ontrouwe zigeunnerinnenlijf geplant of hij moest weer een overdosis dopamine in de hersenen faken om in de huid te kruipen van Des Grieux, van alle romantische minnaars een van de meest pathologische, een personage ontsproten aan het brein van een geestelijke notabene, de Abbé Prévost. Puccini sloeg een slaatje uit diens "Histoire du Chevalier Des Grieux et de Manon Lescaut" en drukte zijn rist librettisten op het hart dat de tekst vooral niet op de opera van Massenet mocht lijken. Tja, wie wil er nu iets creëren dat op Massenet lijkt ?

Van Hans Neuenfels zag ik een handvol producties. Geen enkele kon mij bekoren. Dat was dit keer niet anders. Vrijwel alle Duitse perscommentaren sprongen in de bres voor de regisseur toen stersopraan Anna Netrebko twee weken voor de premiere uit de productie stapte. Neuenfels verklaarde toen aan Der Spiegel dat ze niet had willen aanvaarden dat Manon zich anders diende te gedragen ten aanzien van haar minnaar als ten aanzien van haar overjaarse Sugardaddy. En passant voegde hij eraan toe: "Möglicherweise findet mann es in Russland als Frau gar nicht schlimm, sich von einem altem, reichen Mann aushalten zu lassen."
Ik vermoed daarentegen dat mevrouw Netrebko meteen het failliet onderkende van deze fundamenteel onromantische lezing, waarin vooral de titelrol een koele invulling kreeg van de regisseur.

Dat het anders kan weten we met zekerheid sinds de productie van Jonathan Kent en Antonio Pappano in Londen, uitgerekend met hetzelfde droompaar. Maar wat ben je met een droompaar als de regisseur het nauwelijks kansen geeft? Tegen het fantasierijke, subtiele en erg natuurlijke spel dat Kent van zijn acteurs had verkregen in Londen, viel de acteursregie in München eerder conventioneel uit. Terwijl het stormachtige reunie-duet van het tweede bedrijf barstte van de erotiek in Londen, ging het in München haast onopgemerkt voorbij. Denis Forman van The Good Opera Guide schreef 20 jaar geleden: " Maybe one day we will get a production that opens our eyes and ears to a work that is lurking somewhere behind a score and libretto that seems to have many of the ingredients of an alpha opera but which obstinately refuses to come to the boil." Wat mij betreft kwamen Kent en Pappano aardig in de buurt.

Net zoals in de Bayreuthse Lohengrin transformeert Neuenfels het koor in een uniforme massa: geen ratten dit keer maar Teletubbies in het grijs, met dikke achterwerken en rode pruiken. Het drastisch vervreemdingseffect dat hiervan uitgaat voegt helemaal niets toe aan de voorstelling. Het ontslaat hem vooral van de noodzaak om terzake een gedifferentieerde regie te voeren. In het tweede bedrijf laat hij het koor opdraven in kardinaalspaars. Sommigen onder hen laat hij ruiken aan Manons ondergoed. De dansmeester laat hij opdraven als een gedresseerde aap. Wilde hij daarmee zijn opinie kwijt over choreografen?

Puccini stelde zich tevreden met een libretto dat inzoomde op vier momentopnamen uit het leven van Prévosts hoofdpersonages. Het is bon ton om Manon Lescaut daarvoor te kapittelen als onsamenhangend. Maar Anno Mungen schrijft heel terecht in het programmaboek: "Das Puccini Manon in Einzelbildern schildert, erscheint aber nicht als Schwäche der Dramaturgie - wie es vielfach gesehen worden ist -, sondern es ist deren Stärke. "
Neuenfels zou deze lacunes wel even oplossen en projecteert bij elke scènewisseling teksten van Prévost of komisch-cynische opmerkingen uit het Sammelsurium van Neuenfels, genre "Wenn eine Kutsche kommt, fängt die Oper an" of "Wir suchen die Tragödie wie Schweine die Trüffel". De grootste tekstflarden reserveert hij echter voor het intermezzo. Wie zich daar aan overgeeft mist alles wat de orkestbak ontstijgt. Had iemand Neuenfels vergeten te vertellen dat dit het orchestrale hoogtepunt was van het stuk?

Scenografisch had deze productie al even weinig om het lijf. Ze stond vooral in het teken van de alomtegenwoordige neonlamp, niet bepaald het symbool van verschroeiende passie, althans niet in haar witte, klinische variant. De herberg van het eerste bedrijf viel nergens te bespeuren. In de "gouden kooi" van Manon treffen we een bed aan met zwarte satijnen lakens en een rek volgestouwd met juwelen. De inscheping in Le Havre verloopt via een stalen loopplank en een gat in de muur. Tegen het vierde bedrijf is de scène helemaal uitgekleed en resten enkel nog de neonlampen aan het plafond.

Jonas Kaufmann is duidelijk in zijn sas met Puccini. De hele partij ligt hem goed in de keel maar hij heeft tijd nodig om samen met het orkest de juiste balans te vinden. Met "Tra voi, belle, brune e bionde" en zelfs met het schitterende "Donna non vidi mai" komt hij nauwelijks over het orkest heen. Daarna ligt de weg open voor een avond vol vocale glans met "Guardate, pazzo son" als hoogtepunt van het derde bedrijf. In het laatste bedrijf zingt hij zijn stervende geliefde van het toneel niettegenstaande zij het is die hier haar grote nummer "Solo, perduta, abandonata" beleeft.

Kristine Opolais is naast Barbara Hannigan de meest complete actrice onder de sopranen. Onder de hoede van Neuenfels presteert ze duidelijk onder haar niveau. De registerovergangen bezorgen haar geen noemenswaardige problemen. De stem is weliswaar smal maar goed gefocusseerd. Wat ze vooral mist is de warme gloed van Netrebko's mahoniehouten timbre. Daardoor bereikt haar voordracht nooit dezelfde graad van zinnelijkheid als dat van haar Russische collega.

Markus Eiche zong Lescaut met veel stem maar ageerde scènisch heel conventioneel. Roland Bracht speelde Geronte de Ravoir als een karakterloze oude vent en leende daarvoor zijn uitgebluste basbariton.

Alain Altinoglu hield votte tempi aan en zweerde bij grote dynamische verhoudingen. Die waren vaak in het nadeel van de solisten. In het vierde bedrijf wilde hij echt overweldigen. Met de begin en de slotmaten deed hij het auditorium haast daveren. Het was alsof hij Neuenfels van de aardbodem wilde vagen. De dwarsfluiten spookten heerlijk doorheen het tweede bedrijf en het geweldige intermezzo, opgebouwd vanuit de cello's en altviolen liet hij aanzwellen tot echte vintage Puccini pathos.

Puccini heeft zichzelf ooit gerelativeerd tot mandolinespeler naast Wagner. Dat is wellicht de meest sympathieke uitspraak die ooit iemand over Wagner heeft gedaan. Vooral omdat ze uit de mond kwam van iemand die vanavond weer eens bewezen had dat hij in het theater hetzelfde emotioneel beroezende effect kan veroorzaken als de meester van Bayreuth zelf.

Het volgende rendez-vous met Manon Lescaut wordt de live-transmissie vanuit New York in de regie van Richard Eyre, opnieuw met hetzelfde droompaar.

donderdag 26 juni 2014

Jonathan Kents "Manon Lescaut" in Londen (Utopolis) (****)


GLITTER AND BE GAY (IN PINK)

Waarom "Manon Lescaut" veel minder wordt gespeeld als Puccini's populaire trits is mij niet geheel duidelijk. Het werk kent een aarzelende start maar bevat verder voldoende vintage Puccini om gelijke tred te houden met Bohème,Butterfly,Tosca. Boze tongen beweren dat het libretto rammelt. Het is waar dat grote delen van het narratief plaats vinden tussen de bedrijven door zodat er vragen open blijven. Waarom verliet Manon Des Grieux voor Geronte na het eerste bedrijf? Wat gebeurde op haar proces? Waarom zijn de geliefden veroordeeld om om te komen in een dorre Amerikaanse woestijn? Voor Puccini moet het antwoord op al die vragen bijzaak zijn geweest want hij concentreert zich op 4 snapshots uit het leven van zijn twijfelachtige heldin. Het moet hem om de karaktertekening van zijn personages te doen geweest zijn en om hun emotionele reis, een reis waarmee het publiek zich moeiteloos zou kunnen identificeren. En dat is in deze productie aardig gelukt.
Elke vrouw zal zich herkennen in het dilemma van Manon: de keuze tussen luxe of liefde, ook als de berooide minnaar Jonas Kaufmann is. Elke man zal zich als gewillig slachtoffer naar de afgrond laten slepen éénmaal in de gunst van een fatale schoonheid als Manon, zeker als ze de looks heeft van Kristine Opolais. Identificatie is gegarandeerd zeker wanneer een droompaar als Kaufmann en Opolais, erotische spanning incluis, op het toneel te beleven valt.

Jonas Kaufmann mocht weer eens opdraven als weerloos romantisch slachtoffer, speelbal in de handen van een besluiteloos vrouwspersoon. Net als Werther gaat hem dat uitstekend af, ook al is het weer een debuut. Met zijn licht bronzen tenor zijn we onderhand genoegzaam vertrouwd. Ook met de minder aangename hese, baritonale kleur en met het feit dat zijn stem de warme glans van een Del Monaco of Corelli ontbeert. Maar wat hij doet met hetgeen de natuur hem heeft geschonken is fenomenaal. Ik ken geen zanger die zijn mogelijkheden zo voor de volle 100 procent weet te exploiteren. Nog euforischer zou ik moeten zijn over Kristine Opolais, een echte rasactrice die werkelijk alles aankan. Het is geen straf om 2 uur lang naar haar blote dijen te moeten gapen. En ze kan ook zingen, zij het steeds lichtjes onderkoeld. Haar zakdoekenmoment "Sola, perduta, abbandonata" was hartverscheurend. Het hele tweede bedrijf lang, met zijn grote liefdesduet, toont ze het beste acteerwerk dat ik ooit in een opera heb gezien. De meeste collega's - voor het gemak noem ik nu even geen namen- kunnen hier geen 50 procent van waar maken. Anders uitgedrukt : zonder dit droompaar zakt deze productie als een mislukte soufflé in elkaar.

Geen gepoederde pruiken in Jonathan Kents verfrissende mise-en-scène. Kent serveert geen schilderij van Watteau maar verismo van vandaag en houdt daarbij de sexindustrie tegen het licht. Kent en vooral Paul Browns decors werden in Londen behoorlijk afgebrand. The Telegraph had het zelfs over de lelijkste productie in Covent Garden sinds mensenheugenis. Daar was weinig van te merken. Alsof het publiek in de zaal een andere voorstelling te zien had gekregen. Waarmee weer maar eens bewezen is dat een voorstelling beter kan overkomen in de cinema als in de zaal. Het glazen boudoir ten huize van Geronte waar Manon haar softporno diensten aanbiedt voor een publiek van oude kale mannetjes was erg knap en visueel aantrekkelijk. De reality show die volgde bij de inscheping van prostituees in Le Havre en waarbij Geronte zich ontmaskert als pion van de vrouwenhandel, was interessant. De Amerikaanse woestijn van de finale werd gesubstitueerd voor een verlaten viaduct dat nergens naartoe leidde. In het blauwe schijnsel van het achterdoek kwam het in de buurt van een surrealistisch schilderij van Dali. Ik had met deze productie geen enkel probleem. Integendeel.

Antonio Pappano was in bloedvorm. Dat viel vooral op door de levendigheid van het tweede bedrijf en de sombere kleuren van het intermezzo. Hij demonstreerde nog maar eens dat hij Puccini beter begrijpt dan Wagner.

De volgende regisseur die aan zet is, is Hans Neuenfels, dit keer met Kaufmann en Netrebko. Première in München op 15 november. Waarschijnlijk volgend seizoen te zien als live-stream.