Posts tonen met het label Daniel Barenboim. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Daniel Barenboim. Alle posts tonen

dinsdag 24 juli 2018

Dmitri Tcherniakov met Tristan und Isolde in Berlijn (****½)

Andreas Schager (Tristan) & Anja Kampe (Isolde)
© Monika Rittershaus

ALL ABOUT MY MOTHER

De nieuwe productie van “Tristan und Isolde” die op 11 februari in première ging bij de Berlijnse Staatsopera aan de boulevard Unter den Linden, gold als de eigenlijke heropening van het theater na 5 jaren van verbanning naar het Schillertheater. De persbelangstelling was zo groot dat ik er niet tijdig bij geraakte. Mijn indrukken over de akoestiek van het gerenoveerde theater zal ik dus pas bij mijn eerstvolgende bezoek kunnen geven. Wat we wel weten is dat het plafond met 5 meter is verhoogd, het zaalvolume met 40 % is toegenomen en dat zou volgens akoestici de nagalmtijd op een fraaie 1.6 moeten brengen, precies dezelfde waarde die in het Festspielhaus van Bayreuth wordt gemeten.

Met een werk als “Tristan und Isolde” ben je als dirigent nooit klaar, ook niet als je alle hoekjes en kantjes van de partituur denkt te kennen zoals Daniel Barenboim. Minutenlang zit hij roerloos voor zich uit te mediteren voor hij in de arena stapt om het beest te bedwingen. Tergend langzaam opent hij de prelude maar spanningsloos wordt het nooit. Integendeel, de orkestrale climax die hij vervolgens uit de Staatskappelle Berlin wringt is van een gekmakende intensiteit. Dan opent het doek en zien we het interieur van een luxe yacht, misschien wel het yacht van een Russische oligarch want hier zijn stevige drinkers aan het werk en de salontafel staat vol met flessen alcohol. Een videoscherm simuleert de beelden van 7 live camera’s die een oogje in het zeil houden op de boot. De sfeer houdt het midden tussen een vrijgezellenparty en een in alcohol gedrenkte businessdeal. Met zijn lichtblauwe blaser doet Tristan als snel denken aan zijn alter ego bij Marthaler. Het is een gladde manipulatieve aal die Brangäne vervolgens ontvangt en Andreas Schager articuleert de partij aanvankelijk alsof het om Loge gaat.

De hedendaagse twist die Tcherniakov aan zijn personages geeft herinnert aan Mariusz Trelinski. Brangäne, Isolde’s down-to-earth zielsvriendin, steekt een sigaret op, toont zowel interesse als ongeloof in het praatje van haar liefdeshysterische vriendin. Anja Kampe weert zich uitstekend in Isolde’s woedemonoloog al moet ze daarvoor al eens naar zenuwbedwingende medicatie grijpen in haar handtas. De hele voorstelling lang zal een gaasdoek voor het proscenium gespannen blijven waardoor de camera aan scherpte verliest. Ze dient om scènes uit de voorgeschiedenis van het koppel te projecteren maar de videobeelden van Tieni Burkhalter trekken je nooit echt in het stuk.

Zowel de flacon met de doodsdrank als die met de liefdesdrank worden door Brangäne netjes terug opgeborgen. Aan een glas spuitwater hebben deze geliefden genoeg om in het vermeende aanschijn van de dood mekaar emotioneel over de streep te trekken: hij hapt naar adem, zij schiet in een onbedaarlijke lachbui. Beiden komen niet meer bij van het lachen, rollend over de vloer in een roes van dronkenschap. Erg goed allemaal en de chaos, allicht ook bij een deel van het publiek, is totaal.

Andreas Schager (Tristan) & Stephen Milling (Marke) &
Ekaterina Gubanova (Brangäne) © Monika Rittershaus

Een receptie bij koning Marke brengt wat volk op de been in een art deco decor met de typische kroonluchter. Gestileerde bomen, geschilderd op de wanden, suggereren het bos uit het libretto. De bordeaux vest van de koning vloekt met het mosgroene kleed van Isolde. Hier staat een koppel op het toneel dat totaal niet past. Brangäne toont nochmaals haar desinteresse als Isolde meent haar les te moeten geven in de liefde. En wie verschijnt met een fles bubbels en een bord met toastjes? Het is Tristan en tijdens het liefdesduet brengt hij Isolde warempel onder hypnose. Er blijft iets van een manipulator schuilen in Isolde’s duistere kompaan. Tijdens Bangänes “Habet acht” krijgen we beelden te zien van Tristans voorgeschiedenis als Tantris.

Net zoals bij Chéreau is Marke’s klacht aanvankelijk gericht aan Melot.
Stephen Milling levert een indrukwekkende prestatie af als de koning, één van de beste die ik tot dusver gezien en gehoord heb, in lijn met de legendarische Matti Salminen onder Jean-Pierre Ponnelle. In het zelfbeklag is hij misschien nog wat sterker. Een oudere dame wordt het teveel en valt flauw. De chaotische worstelpartij met Melot levert geen dodelijke verwonding op.

Het opzichtige behangpapier in Tristans Kareol kon van Richard Jones zijn. De tegelkachel in de hoek nodigt dan weer uit tot Beierse gezelligheid. In een alkoof met enkel een gloeilamp als gezelschap pakt Florian Hanspach-Torkildsen zijn Engelse hoorn uit. Later zal blijken dat hij door Kurwenal werd ingehuurd, het effect van “die alte Weise” op zijn baas kennende. Een koppel dat weggerukt lijkt uit een Engelse film over de jaren 1930 voert een pantomime op. Het zijn de ouders van Tristan en de banaliteit van hun spel contrasteert mooi met de complexe, zenuwzieke soundtrack.

In zijn finale delirium probeert Tristan zelfs de zwaartekracht te overwinnen. Uiteindelijk bezwijkt hij aan een hartaanval. Het is een intense scène, net als Isolde’s monoloog met de stervende even later. De schermutselingen na Marke’s aankomst -niet bepaald de sterkste passage uit het stuk- zet de regisseur gewoon in het donker. Als een substituut voor zijn moeder zingt Isolde haar Liebestod, gehuld in Tristans hemd. Net als zijn moeder aan de vooravond van zijn geboorte, waarbij zij het leven liet, zet ze de wekker en trekt het gordijn toe. Het is een psychologiserende lezing die niet echt overtuigt.

Andreas Schager als Tristan
© Monika Rittershaus

Met Andreas Schager staat eindelijk nog eens een alleskunner op het toneel als Tristan. Overschouwen we de Tristan-elite van de laatste 20 jaar dan was er altijd wel iets mis. Werd de aartsmoeilijke partij gezongen zonder brokkenparcours dan was het spel ondermaats. Of omgekeerd. Schagers tenor heeft het licht baritonale timbre van een René Kollo. We zouden hem ook wel eens in een goede operette aan het werk willen zien maar zijn agenda zit proppensvol Wagner. Het échte baritonale timbre van iemand als Stephen Gould heb ik wel eens gemist. Maar Schager heeft natuurlijk veel grotere mogelijkheden als acteur dan collega Gould.

Ook Anja Kampe’s energieke en temperamentvolle Isolde is een erg gave prestatie. Het vibrato blijft steeds fraai en de stem geraakt nooit uit focus. Hier valt weinig op af te dingen.
In New York had Trelinski al het beste uit Ekaterina Gubanova weten te halen door haar in dezelfde rol te laten opdraven als een hedendaagse Despina, levenswijs en ervaren door haar teleurstellingen in de liefde. Tcherniakov doet er zijn voordeel mee. Boaz Daniel als Kurwenal zet onvoldoende in op een heldere articulatie. Om de medeklinkers bekommert hij zich weinig. In de balans tussen orkest en solisten heeft het orkest lichtjes de bovenhand.

Deze voorstelling is nog te zien op CultureBox tot 18 september

vrijdag 16 oktober 2015

Andrea Moses met DIE MEISTERSINGER VON NÜRNBERG in Berlijn (****)


IT'S THE ECONOMY, STUPID !

Wat is het emotionele centrum van "Die Meistersinger von Nürnberg"? Het is de scène in het derde bedrijf wanneer Eva haar knellende schoen en bijhorende bevallige voet aan Hans Sachs komt presenteren. Sachs heeft de hoop op Eva nog niet helemaal opgegeven en Eva, niet overtuigd van de kansen van haar avant-gardistische oogappel, flirt met de gedachte Sachs opnieuw een kans te geven.

Een regisseur die deze scène rateert, rateert "Die Meistersinger von Nürnberg". Andrea Moses rateert ze niet. In het tweede bedrijf heeft ze Eva al eens uitbundig met Sachs laten flirten. Opnieuw flirt Eva met Sachs en zijn aandacht gaat al snel van de knellende schoen naar haar been. Een niet te vermijden omhelzing volgt die Eva prompt afbreekt bij het verschijnen van Walther. Sachs weet nu wel definitief hoe laat het is. Op dit punt aangekomen kunnen we niet anders dan compassie hebben met Sachs en bewondering voor de grootsheid van zijn verzaking. Eva kiest voor de jeugd en niet voor het geld. Niet alle vrouwen zouden dezelfde keuze maken. Het is één van de door Daniel Barenboim congeniaal ondersteunde hoogtepunten van deze "Meistersinger von Nürnberg" maar een onverdeeld succes werd het niet helemaal.

Andrea Moses gaat patriottischer te werk dan Wagner. Alom tegenwoordig is de driekleur, symbool van de Duitse identiteit. Wanneer Pogner zijn dochter belooft aan de winnaar van de zangwedstrijd dan houdt hij een punt van de vlag in zijn handen als ging het om een vaandel-eed. Als Walther zijn hekel ten aanzien van de meesterzangers de vrije loop laat kiepert hij de vlag in de coulissen. Tijdens het beroemde quintet is het de driekleur die zorgt voor een onuitgesproken band tussen de personages in dit verstilde moment van zelfreflectie. Op de feestweide zijn de meesterzangers uitgerust met tricolore sjerpen.

Moses ging op zoek naar wat de Duitse identiteit kon uitmaken na een traumatisch oorlogsverleden en vond die in het onbesproken mirakel van het "Deutsche Wirtschaftswunder". De meesterzangers zijn de economische elite van Nürnberg. Allen geslaagd in het leven geven zij hun steun aan de locale culturele initiatieven. Hun veelkleurige company logo's staan te lezen op een plakaat met sponsors van de zangwedstrijd. Beckmessers naam ontbreekt. In deze economische logica is het haast ondenkbaar dat de onzekere, steeds de feiten achterna hollende stadsklerk even goed geslaagd zou zijn in het bedrijfsleven.

Hans Sachs is als een soixantehuitard. Ondanks zijn carrière aan het hoofd van een schoenenimperium hebben de revolutionaire klanken van Walther zijn verleden in hem wakker gemaakt. Vestimentair is hij overeenkomstig nonchalant uitgedost. Vaak ageert hij als een zachtgekookt eitje want hij laat zich door Beckmesser letterlijk bij de neus nemen. Op zijn dakterras kweekt hij cannabis. Af en toe steekt hij een jointje op. Hij zal dat ook doen tijdens de bevrijdende, allerlaatste maten, een schitterend moment.

Voor Andrea Moses is Hans Sachs de positieve held van het stuk. Ze laat zich door het heersende klimaat van politieke correctheid niet uit het lood slaan. Ze lijkt wel de woordvoerster van de burgemeester van Antwerpen wanneer ze meent : "In dem Stück kämpfen sich die Meistersänger ja gerade durch, das Neue und Fremde zuzulassen und zu respektieren. Das ist ein Prozess. Die Oper ist nicht umsonst so lang. Es ist ein hoch komplizierter Vorgang – genauso wie wir das in unserer Gesellschaft derzeit beobachten. Es ist nicht so einfach zu sagen: Jetzt mach doch mal die Tür auf, wenn du dir deiner selbst nicht sicher bist. Das ist der Punkt, der mich interessiert. Man kann erst gut mit dem Fremden umgehen, wenn man über das Eigene Bescheid weiß, selbstbewusst damit umgeht und es nicht zum Dogma erhebt."

Dat doet ook denken aan die dagboekaantekening van Cosima wanneer ze Wagner als volgt citeert: "Wenn ich noch einmal über die Juden schriebe, würde ich sagen, es sei nichts gegen die einzuwenden, nur seien sie zu früh zu uns getreten, wir seien nicht fest genug, um dieses Element in uns aufnehmen zu können." Wagner toont zich hier een verstandiger Realpolitiker dan de huidige bondskanselier. Die was overigens niet aanwezig op de première, ook al werd die gehouden op 3 oktober, de 25e verjaardag van de hereniging van Oost en West-Duitsland.

Nog voor Barenboim de prelude aanheft sijpelen de acteurs en het koor de toneelruimte binnen. Het is een kale ruimte in de warme houttonen van het Schillertheater, de Duitse driekleur hangt gedrapeerd over een hoek. Ze begroeten mekaar alsof ze mekaar lang niet hebben gezien en nemen plaats aan houten tafels. Wanneer de zaal tot rust is gekomen en het belsignaal weerklinkt schakelt Fritz Kothner demonstratief zijn gsm uit, tot grote hilariteit in de zaal. Grappiger dat dit zal Wagner wellicht nooit worden. Dan komt een verantwoordelijke van de Staatsoper vragen om steun voor de gestrandde vluchtelingen in Berlijn.
De hele prelude lang staren alle actoren ons aan om zich dan vliegensvlug een halve toer de draaien wanneer de ruimte muteert tot de Katharinenkirche en een kruis is afgedaald vanuit de toneeltoren. Het geflirt in de kerk tussen Eva en Walther maakt een goede beurt en de voorstelling komt mooi uit de startblokken. Wat volgt boeit echter maar zelden ondanks de zeer gedetailleerde acteursregie.

Stefan Rugamer speelt een harkerige David, Kwangchul Youn is weer zijn saaie zelf. In Bayreuth laten ze hem rollen zingen waarvoor hij de natuurlijk autoriteit niet bezit. Hier sloeg zijn vibrato regelmatig aan het flakkeren. Markus Werba speelt Beckmesser als Jerry Lewis in "The nutty professor", aanvankelijk niet overtuigend maar gaandeweg gaat hij meer en meer fascineren.

Eén man beheerst het hele eerste bedrijf, en eigenlijk ook het hele stuk. Vocaal en scenisch overtroeft hij iedereen op het toneel. De verrassing is dat het Klaus Florian Vogt is die al deze aandacht weet op te eisen. Hij speelt Walther als een James Dean met wilde manen. Wat hij mist aan baritonaal timbre maakt hij goed met een geweldige projectie. Niemand op het toneel doet hem dat na. Hij is de enige die echte vocale zinnelijkheid in zijn voordracht weet te leggen en dat ondanks zijn knapentimbre. De registerovergangen neemt hij probleemloos. Als Lohengrin begonnen we hem grondig beu te worden. Eerder dan te bewijzen dat hij als heldentenor nog potentieel heeft in het Wagnervak bewijst hij hiermee dat Walther een partij is die het zonder baritonaal timbre kan rooien. In Bayreuth zal hij als Parsifal door zijn goed gefocusseerde stem en opzienbarende projectie een publiekslieveling blijven maar uiteindelijk grandioos mislukken.

Het tweede bedrijf verlegt de actie naar het dakterras van Sachs. Pogner en Sachs zien we in grote neonletters. Dat de ceo van de schoenenfabriek Sachs de schoenlappersschort aantrekt lijkt vreemd maar het stoort helemaal niet. Van de radeloze Beckmesser kan je alles verwachten : uit een kist met opschrift "Theaterkunst" diept hij een middeleeuws minestrelenpak op en verkleedt zich daarin voor zijn standje.

De "Prügelfuge" laat wat van de fauna van het hedendaagse Berlijn zien: punkers en voetbalhooligans maar ook een zenboeddhist die rustig mediteert in een hoek en een Chassidische jood die zich met een boekentas angstig een weg baant door het beeld. Syrische vluchtelingen schitteren door hun afwezigheid. Ook de nachtwachter deelt in de klappen.

Even leek deze overkokende wereld een metafoor voor het huidige Europa: een samenleving die probeert te leven volgens afgesproken regels en mekaar in de haren vliegt van zodra de regels niet meer lijken te passen.

Het is wachten tot het derde bedrijf alvorens de productie helemaal opveert. Dat was ook al zo in Salzburg. Barenboim heeft met zijn uitmuntend spelende Staatskapelle tijdens de prelude nog maar net een grijsfluwelen sluier van Maya over het stuk gelegd of Koch stelt teleur in de Wahn-monoloog. Het duet met Walther wordt opnieuw gered door Vogt. Werba levert zijn beste prestatie in de Beckmesser-pantomime en het duet met Sachs. Dan volgt het hoger geciteerde duet. Julia Kleiter voert het magistrale quintet "Selig, wie die Sonne" aan met alle vereiste sopranenzaligheid.

De feestweide oogt fantastisch met een beeld van het Berliner Stadtschloss op het achterdoek, suggestief belicht waardoor het bijna 3D-contoeren krijgt. Het is het oude slot van de Hohenzollern, momenteel in heropbouw, slechts op enkele stappen van de Staatsopera gelegen, dat de werken aan de boulevard "Unter den Linden" moet afronden tegen 2019.
Twee oliesjeiks en een bodyguard hebben plaatsgenomen op de tribune samen met de meesterzangers. Beckmesser maakt een erg slechte beurt en na zijn mislukking zien we hem niet meer terug. Een catharsis is voor hem door de regisseur niet weggelegd.

Grote delen van Wolfgang Kochs voordracht waren saai, vooral door een te geringe projectie, maar ook door een gebrek aan persoonlijkheid. Hij zat zich begrijpelijkerwijs te sparen voor het derde bedrijf. In zijn finale monoloog laat hij dan ook het beste van zich horen. Hij heeft zich inmiddels ook in een pak gehesen en komt nu eindelijk voor de dag als een volksmenner met een natuurlijke autoriteit. Opmerkelijk is dat wanneer Sachs het in zijn rede over "welschen Dunst mit welschem Tand" heeft, er op de achtergrond met rijksvlaggen wordt gezwaaid. Hij doet onmiddellijk teken om daarmee te stoppen. De oliesjeiks hebben ondertussen verschrikt het hazenpad gekozen. In tegenstelling tot linkse wereldverbeteraars als Peter Konwitschny en Hans Neuenfels wordt het stuk door Andrea Moses niet stil gelegd noch bekommentarieerd. Zij laat de gewraakte passage klinken zoals ze door Wagner is bedoeld, met name als een veroordeling van oikofobie, een fenomeen waar we in Vlaanderen ook zeer vertrouwd mee zijn. Een groene Tom Lanoye-bril op de neus van Walther had de voorstelling voor mij helemaal af gemaakt.

Het koor presteerde voortreffelijk al kon het met "Wach auf" scènisch niet in dezelfde mate overweldigen als in Salzburg.

Oude dinosaurussen als Siegfried Jerusalem (75), Graham Clarke (74), Franz Mazura (91), Reiner Goldberg (75) zorgden voor een leuke stunt. Als "grumpy old men" met een hoog Statler en Waldorf-gehalte laten ze zich inpakken door het nieuwe. Het leverde enkele hilarische momenten op.

Daniel Barenboim nam de prelude in een vlot tempo en kon de spanning moeiteloos opvoeren tot zijn jubilerende hoogtepunt. Dynamisch had hij dit keer alles onder controle. Niemand van de solisten werd weggedrukt in het klankbeeld. Waarom was hem dat bij Parsifal niet gelukt? Vooral Wolfgang Koch, die de Flieder-monoloog en de Wahn-monoloog onvoldoende luister bezorgde, kon rekenen op zijn attente directie. De fanfares op de feestweide klonken perfect en de akoestiek van het Schillertheater bleek goed genoeg om alle details van het orkest onvervormd in de zaal te projecteren.

Het volgende rendez-vous met "Die Meistersinger von Nürnberg" is in München onder de leiding van Kirill Petrenko en in de regie van David Bösch.

donderdag 23 april 2015

Dmitri Tcherniakov met PARSIFAL in Berlijn (2) (***½)


MET DE RUGZAK DOOR TRANSSYLVANIE

Van Dmitri Tcherniakov zijn we het onderhand gewoon geraakt dat hij creatief weet om te springen met problematische passages in operalibretti. Kan hij er zelf niet in geloven dan overleeft het zijn tekstanalyse niet. Dat is een eerbaar standpunt op voorwaarde dat het niet confligeert met de partituur. Het kwam dus niet als een verrassing dat hij de synopsis van Parsifal voor het programmaboek zou herschrijven. Twee fragmenten daaruit projecteert hij ook op het doek.

Cruciaal in die visie is dat de graalsgemeenschap zich een strenge ascese heeft opgelegd. In die logica staat sex met vrouwen gelijk aan zonde. Titurel blijft de ongenaakbare, spirituele leider. De lange zwarte leren jas die hij draagt kan je in Berlijn moeilijk met iets anders associëren als met terreur. Voor zijn zoon is hij meedogenloos. Meer nog dan door de wonde wordt Amfortas gekweld door het door zijn vader ingefluisterde zondebesef.

Voor kadaverdiscipline zorgt Gurnemanz. Met een belerende powerpoint-presentatie verstrekt hij het goede voorbeeld aan de knapen en toont daarbij beelden van de Bayreuth-Parsifal anno 1882. Impliciet beledigt de regisseur daarmee de Wagnercultus.

Het stelletje losers met poedelmutsen dat Tcherniakov hier als graalsgemeenschap onder de gewelven van een romaans klooster opvoert, bedrijft een ritueel dat nauwelijks te onderscheiden valt van vampirisme. Titurel lijkt graaf Dracula wel wanneer hij zich te rusten legt in een doodskist en zich laat groeten door alle leden van de geloofsgemeenschap. Amfortas is als een avatar van De Heiland. Het bloed wordt van zijn wonde getapt, vermengd met wijn en aan de hongerige gemeenschap doorgegeven. Alsof de door Wagner geïmporteerde bijbelstof op zich nog niet degoutant genoeg is.

De wereld van Klingsor toont het feminiene in zijn grootst mogelijke onschuld, dus helemaal niet zoals het bedoeld is. Natuurlijk werkt ook dit voor geen meter. Hier woont Klingsor te midden van zijn dochters, zo expliciteert Tcherniakov. Allen zijn uitgedost met bloemenjurken. Sommigen zijn slechts vijf jaar en spelen met poppen. Het opspringend enthousiasme waarmee deze schattige meisjes de vreemde rugzaktoerist Parsifal begroeten is een beeld dat ik niet snel zal vergeten: Tcherniakov op zijn best maar in het verkeerde stuk.
In de voortdurende strijd met de graalsridders doet Klingsor er alles aan om hen te diskrediteren en het broederschap te vernietigen, zegt Tcherniakov. Maar dat valt dan wel bijzonder moeilijk te rijmen met de pedofiele pantoffelheld die hij van hem maakt. Nerveus hinkelt hij over het podium in zijn mouwloze gebreide trui en deelt cadeautjes uit. De kam door de spaarzame haren op het hoofd halen is zijn geliefde zenuwtic.

We zien Kundry in de rol van echtgenote, moeder en dochter. Het incestueuse spel dat ze bedrijft door identificatie met Parsifals moeder wordt door de regisseur scènisch geëxpliciteerd. Zo laat ze hem het trauma uit zijn jeugd herbeleven, hoe hij betrapt werd met zijn eerste vriendinnetje en daarvoor gekapitteld werd door zijn schoolmeesterachtige moeder. Anderzijds mogen we aannemen dat Kundry verkracht werd door haar vader. Beiden lijken hun trauma's samen te leggen in hun duet. De kus krijgen we niet te zien.

Uiteindelijk heeft Tcherniakov ons twee totaal ontwrichte werelden getoond. Parsifal lijkt ze in balans te brengen wanneer hij Amfortas de speer voor de voeten werpt en ook het vrouwelijke element terug in de gemeenschap brengt.

Het slotbeeld laat ons achter met doldwaze fanatici die de handen ten hemel slaan. Aan de nieuwe spirituele leider hebben ze zich probleemloos overgegeven. Niet zo de fundamentalist Gurnemanz. De met Amfortas herenigde Kundry drijft hij een mes in de rug waarop Parsifal het lijk als een inverse pieta off-stage draagt. Hoe het daarna verder moet ? Your guess is as good as mine.

Heel terecht stelt Tcherniakov zich vragen bij de geloofsgemeenschap die Wagner hier opvoert. Heel terecht wijst hij op het gevaar van geloofsgemeenschappen die zichzelf niet in vraag stellen. Maar het essentiële van elke opvoering van Parsifal, door Wagner opgevat als een Bühnenweihfestspiel, realiseert hij niet. Voor mij was er geen enkele scène die werkte, niet in de spirituele enclave die de graalswereld behoort te zijn en al evenmin in de tegenwereld die de gecastreerde tovenaar Klingsor in stand probeert te houden. De glorieuze muziek van Wagner die op elk moment te horen is miste haar spirituele bedding. Vermoeid en futloos sleepte ze zich naar het einde. Wat een contrast met Blauwbaards Burcht daags voordien in de Komische Oper.

Onwillekeurig denk je ook aan de Oudgelovigen in Khovansjtsjina. Ook hun rol is bedenkelijk en reactionair binnen het historisch fresco van Moesorgski maar een voorstelling waarin hun zelfverbranding spiritueel onrecht wordt aangedaan heb ik nog nooit gezien. In Parsifal daarentegen gebeurt het voortdurend. Het is alsof de vloek van Nietzsche erop rust. Anders uitgedrukt: wie niet in Wagners Bühnenweihfestspiel gelooft begint beter niet aan Parsifal. Mijn vrees is dat ik het nog vaak zal moeten herhalen.

Op papier was dit een ideaal gecaste Parsifal. Er werd af en toe heel fraai gezongen maar het viel allemaal dood als een waterdruppel op een hete steen.

Met zijn moedercomplex leek Andreas Schager op de uit Bayreuth verdreven Jonathan Meese. Schager blijft daarentegen welkom in Bayreuth waar hij de volgende Parsifal voor zijn rekening zal nemen. Een echte heldentenor kan je hem niet noemen. De baritonale kleur ontbreekt geheel in zijn stem. Er is voldoende metaal voor een genereuze projectie maar het klinkt allemaal eerder blikkerig. De toekomst zal uitwijzen of hij met dit soort partijen roofbouw pleegt op zijn stem of niet.

Wolfgang Koch zong een eerder karakterloze Amfortas, Anja Kampe een behoorlijke Kundry zonder echt met persoonlijkheid te koop te lopen. Tomas Tomasson als Klingsor leverde nog de gaafste prestatie af, met een mooie emissie en een efficiënte articulatie maar het spoorde niet met het verwijfde personage dat hij overigens voortreffelijk speelde als een Josef Fritzl karikatuur.

René Pape zong zijn fraai geformuleerde Gurnemanz zoals gebruikelijk, zonder enige insteek van een persoonlijke visie op de rol. Ook in scenisch opzicht liep hij zijn rondjes alsof acteursregie aan hem niet is besteed. Het vocale nirvana bereikte hij nooit want zijn hele voordracht werd overpowered door het orkest. Barenboim hield meedogenloos aan zijn redelijk extreme dynamiek. Zo had hij hem toch wel kunnen sparen tijdens "Oh, wunden-wundervoller heiliger Speer". Dat deed hij niet en de heilige brombeer van dienst kon de voorstelling dus nooit uit het moeras van de spirituele onverschilligheid trekken.

Daniel Barenboims tempokeuze was heel gematigd, niet te vlug maar ook nooit slepend. Behalve de balans viel er niets aan te merken op het spel van de Staatskapelle. Het waren vooral de houtblazers die opvielen in gunstige zin.

Het volgende rendez-vous met Parsifal zal even op zich laten wachten want nergens staat een nieuwe productie gepland. Dat is ook niet verwonderlijk : de kans dat het compleet de mist ingaat is 95 %.

Voor oudere recensies van Parsifal, klik hieronder op het label Parsifal

donderdag 16 april 2015

Dmitri Tcherniakov met PARSIFAL in Berlijn (1) (***½)


De Staatsoper van Berlijn brengt een nieuwe productie van Parsifal. Daniel Barenboim op de bok en de regie is in handen van de Rus Dmitri Tcherniakov.

Bij de eerste noten van de prelude opent het doek en zien we het decor waarin de opera zich zal afspelen. Het doet sterk denken aan de hal in het decor dat bij de eerste ensceneringen van Parsifal in Bayreuth werd gebruikt. Echter geen grandeur of schittering, maar een hal die eens een flinke opknapbeurt kan gebruiken. Na enkele ogenblikken zakt het doek opnieuw om aan het einde van de prelude opnieuw te openen.

Een klein deurtje in de achterwand opent en daar staat Gurnemanz te kijken naar zijn slapende leerlingen die in de hal her en der op de grond en tegen de muur liggen. De jassen, mutsen, sjaals en handschoenen die ze dragen suggereren dat het koud is. Wanneer de leerlingen aangemaand worden te bidden, leggen ze zich plat op de grond, gezicht naar beneden en armen gespreid; een typische houding van boetedoening. Kundry schijnt geen last te hebben van de kou. Het is onmiddellijk duidelijk dat ze graalknapen niet van haar moeten hebben en Gurnemanz kijkt slechts toe wanneer ze haar bespotten en jennen. Enter Amfortas. Wanneer hij Kundry ziet, lichten zijn ogen op en komt er een grijns op z’n gelaat. Kundry kijkt naar de toppen van haar tenen. Het is meteen duidelijk dat er tussen die twee al iets geweest is. Amfortas het bad in en Kundry zet zich stilletjes in een hoekje. De graalknapen overreden Gurnemanz z’n verhaal te vertellen. Wat hij maar al te graag doet, zo lijkt. Weer hebben we een regisseur die vindt dat de stukjes niet in de juiste volgorde staan want met diaprojector, projectiescherm en een aanwijsstokje voor Gurnemanz wordt de caleidoscopische structuur van de vertelling gelineariseerd.

Parsifal, een backpacker in korte broek en gymschoenen met roodbruine haardos, wordt binnengebracht. Geen dode zwaan deze keer. Kundy slaat de ondervraging van Parsifal met groeiende belangstelling gade; iets wat ook Gurnemanz niet ontgaat. Het overgaan van tijd in ruimte gebeurt nogal letterlijk. Parsifal en Gurnemanz blijven vooraan op het podium staan. Ondertussen komen de graalbroeders de hal binnen en herschikken ze de banken in cirkelvorm. Het broederschap bestaat uit boeren, jagers, arbeiders, … maar zeker geen ridders. Een open doodskist wordt op schragen geplaatst en de rijzige Titurel in een lange, zwartleren jas komt de zaal in en gaat in de kist liggen. Ondertussen heeft ook Amfortas plaatsgenomen in het midden van de kring. Wat voor onthulling van de graal moet doorgaan is een bizar gedoe. Amfortas’ kleed en verband worden verwijderd en uit zijn wonde wordt wat bloed geperst. Dat wordt vermengt met water en in een grote kelk gegoten en verdeeld onder de broeders. Hierna staat Titurel, die niet mocht delen in het mysterieuze sapje, opnieuw op uit de doodskist. Onmiddellijk klitten alle broeders rond hem samen, bedelend om een aanraking. Titurel is nog steeds hun koning, Amfortas slechts uitvoerder van het ambt. Parsifal heeft dit alles met grote ogen gadegeslagen en kan er kop nog staart aan krijgen (en hij was niet de enige). Gurnemanz jaagt Parsifal weg en plots is de scène leeg … behalve Kundry. Tijdens de “Stimme aus der Höhe” knielt ze neer bij het achtergelaten kleed en verband van Amfortas en drukt deze hard tegen haar aan.

Zelfde decor voor de tweede acte maar ditmaal alles in het wit. Het lijkt op een nette speelkamer waar een stel meisjes, jong en al wat ouder, zich met allerlei speelgoed bezighoudt. Tussen hen in loopt een net mannetje. Kleine nerveuze stapjes, snoepje uitdelen en elk meisje kan rekenen op wat vaderlijk aandacht. Hij ziet eruit als Octaaf De Bolle uit Samson en Gert: dikke bril, hemd, debardeur en op pantoffels. Een atypische Klingsor is het minste wat je kan zeggen. Hij is net even weg wanneer Kundry binnenkomt. De kinderen begroeten haar hartelijk en allen gaan in een kring zitten. Wanneer Klingsor terugkeert, lijkt hij verwonderd dat ze terug is en kijkt haar lang aan. Uit de rest van de scène blijkt dat ze ooit partners waren en Kundry hem verlaten heeft. Maar toch geven ze nog om elkaar. Deze Klingsor beveelt Kundry niet om Parsifal te verleiden; hij smeekt haar eerder erom. Parsifal belandt in de kinderkamer en is natuurlijk verwonderd (Schager moet vaak verwonderd kijken in deze productie) wanneer de meisjes hem in het midden van een rondedansje duwen. Kundry maakt haar opwachting en gaat doortastend te werk: net voor de kus verdwijnt ze met Parsifal in de coulissen om er even later half ontkleed uit terug te keren met een Parsifal die door het lint gaat. “Wat bazelt die knaap nou allemaal?” lijkt ze te denken. Parsifal wil echter niets meer met haar te maken hebben en is vastbesloten. Om haar jammerklachten niet te moeten horen gaat-ie liggen en bedekt zijn hoofd met Kundry’s jas. En trekt hij andere kleren aan: combat boots, battle pants en een stoere vest. Weg met het naïeve jongentje. Daar is plots Klingsor weer, nerveus op zoek naar de speer. Eenmaal deze gevonden gaat hij op Parsifal af en bedreigt hem. Ondertussen hebben alle meisjes zich op het toneel verzameld. Parsifal pakt de speer af en zonder veel omhaal steekt hij Klingsor in het hart. Het bloed spat hem in het gezicht en Klingsor valt dood neer. Parsifal laat Kundry en de meisjes verweesd achter.

De derde acte speelt zich opnieuw af in de hal uit de eerste acte maar het verval heeft zich verder gezet. De diaprojector werkt wel nog. En de doodskist staat er al, ditmaal gesloten. Gurnemanz heeft ondertussen een grijze baard. Kundry vindt hij gewikkeld in een oud laken dat er rondslingert. Met rechtopstaande kraag en een muts diep over de oren komt Parsifal aan. Gurnemanz moet een goed geheugen hebben want zonder dat Parsifal de muts afneemt, herkent hij hem. Maar Parsifal schenkt hem amper aandacht, hij heeft enkel oog voor Kundry, ook tijdens de daaropvolgende doop- en karfreitagzauberscène. En omgkeerd: Kundry kan haar ogen moeilijk van hem houden. De weg naar de graalburcht wordt opnieuw geabstraheerd: de personages gaan tegen de achterwand van de hal staan.

Plots komt Amfortas op en werpt zich op de gesloten doodskist waar hij de nagels van het deksel begint uit te trekken. Hij hoort de broeders naderen en probeert weg te komen maar wordt gegrepen. Hij wordt teruggebracht en gedwongen zijn ambt te vervullen. Maar dat is hij niet van plan. Wanneer hem de kist wordt aangereikt waarin de kelk zit, gooit hij deze met een forse zwaai weg. In wanhoop gooit hij de doodskist om en daar rolt de dode Titurel eruit. Blijkbaar is de broederschap toch verdeeld want er wordt geduwd en getrokken tussen de aanhangers van Titurel die Amfortas willen dwingen en anderen die hem verdedigen. In al dat gewoel verschijnt Parsifal met de speer … en Kundry. Die valt Amfortas in de armen en de omhelzing die erop volgt is bijzonder innig. Parsifal staat er wat schaapachtig bij te grijnzen. Maar vanuit de achtergrond loopt Gurnemanz langzaam op het paar toe en met een mes steekt hij Kundry in de rug. Ze sterft in de armen van Amfortas. Wraak? Of jaloezie?
Parsifal is aanvaard als nieuwe graalkoning en net als bij Titurel in de eerste acte proberen allen hem nu aan te raken. Terwijl ze allemaal in trance geraken, zakt het doek langzaam.

Ik loop al een paar dagen te dubben over een consistente interpretatie van deze Parsifal maar kan er geen vinden. Stuk voor stuk mooie scènes maar ik zie de samenhang niet of die wijkt te ver af van de muziek en de tekst, althans voor mij. Dmitri Tcherniakov geeft ons een paar originele, mooie interpretaties, met de relatie Klingsor – Kundry – Amfortas voorop, maar ik heb de indruk dat hij het stuk niet voldoende kon doordenken om het af te werken.

De zang- en acteerprestaties waren zeer goed tot uitstekend. Andreas Schager is een mooie heldentenor die daarenboven over jeugdige looks beschikt én kan acteren. Dat kan ook Anja Kampe met een gave vocale prestatie erbovenop. Tómas Tómasson als Klingsor was prima. Niet eenvoudig om zijn personage met zijn kleine, nerveuze bewegingen te combineren met de uithalen die de zanglijn van Klingsor vraagt. Wolfgang Koch zingt een mooie Amfortas maar hij lijdt niet. Met René Pape hadden we pech. Hij zong de eerste acte onder zijn niveau en in de tweede pauze deelde men mee dat hij ziek was maar toch de rol verderzette. In de derde acte was hij nauwelijks nog te horen. De koorprestaties waren prima.

Daniel Barenboim is zowat vergroeid met Parsifal. Toch heb ik de indruk dat hij vroeger langzamer speelde, vooral de Verwandlungsmusik. De Staatskapelle Berlin presteerde op een hoog niveau en alhoewel de akoestiek in het Schillertheater niet helemaal top is was het toch genieten.

Gezien in het Schillertheater, Berlijn op zondag 12 april 2015.

zaterdag 21 maart 2015

Andrea Breth met WOZZECK in Berlijn (****)


GESTOTTER IN DE STAATSOPERA

Alban Berg is vierentwintig wanneer hij vanuit Bayreuth aan zijn toekomstige vrouw Helene Nahowski schrijft, hoezeer hij van zijn sokken werd geblazen door het bijwonen van een voorstelling van Parsifal : "Nun komme ich direkt vom Parsifal. Wärst Du wenigstens jetzt hier, wenn es uns schon nicht vergönnt war, zusammen das für einen allzu überwältigende Wunder zu erleben. Du könntest an den Tränen, die mir allaugenblicklich in die Augen schießen, am ganz Weltverträumten meiner Gedanken erkennen, wie hoch und tief ich bewegt bin. So sagen dir Worte nicht halb das, was ich fühle, nicht annähernd, welch ungeheuren belebenden und zerschmetternden Eindruck das Werk auf mich gemacht hat. Welch eitles Beginnen wäre es auch, Musik zu beschreiben, solche Musik beschreiben zu wollen."

Zestien jaar later, in 1925, is zijn Wagnerdevotie nog altijd intact en zal hij in zijn "Lyrische Suite voor Strijkkwartet" zijn geheime liefde voor Hanna Fuchs sublimeren met citaten uit "Tristan und Isolde" en de première beleven van zijn eigen radicaal vernieuwende meesterwerk, het op het toonprincipe van de "vrije atonaliteit" gebaseerde Wozzeck.

Een leven lang zal Berg gekneld zitten tussen zijn twee grote voorbeelden : Arnold Schoenberg en Richard Wagner. Schoenberg zal Wagner afzweren vanaf de late jaren 1920 zodat Berg zal zijn Wagnerliefde voor hem trachten te verbergen. Komt Schoenberg op bezoek dan zorgt hij ervoor dat er geen partituren van Wagner of Strauss rondslingeren. Er bestaat een cartoon uit 1909 waarop hij zittend aan de piano de partituur van Parsifal doorspeelt terwijl een boek van Schoenberg op de vloer ligt.

Als componist van Wozzeck houdt hij nog vast aan het ideaal van Wagners muziekdrama. Net als Wagner karakteriseert hij door toonschildering. Individuele scènes omkadert hij met symfonische voor- en naspelen en de personages voorziet hij van leidmotieven of beter van leidinstrumenten : de trombone voor Wozzeck, de soloviool en hoge strijkers voor Marie, de engelse hoorn voor de kapitein, pauken en trompetten voor de tamboer-majoor. Wozzeck en Lulu zijn de twee meest expressieve opera's die uit de Tweede Weense School zijn voortgekomen en de enige twee die regelmatig het repertoire houden.

De geschiedenis van Wozzeck is nauw verbonden met de Berlijnse Staatsopera. Het was Erich Kleiber die het werk creëerde in december 1925. Naar verluidt had hij daarvoor niet minder dan 137 repetities nodig. De conservatieve krant DeutschenZeitung sprak van "Gestotter in de Staatsopera". Het publiek reageerde weliswaar verdeeld maar toch eerder enthousiast zoals we weten uit het verslag van Julius Kapp, de huisdramaturg van de Staatsopera. Het schandaalsucces van Wozzeck bracht Berg internationale erkenning en in 1932 zal het werk ook al in Brussel te zien zijn. Een jaar later zullen de nationaal-socialisten het werk verbieden niet enkel omwille van de evidente moderniteit van de muziek maar ook vanwege de fatalistische ondertoon en conclusie van het stuk.

Daniel Barenboim, in 1994 nog de kersverse GMD van de Staatsopera, zette het werk terug op de affiche in de regie van Patrice Chéreau. Tegen deze legendarische productie moest Andrea Breth opboksen toen ze deze Wozzeck klaarstoomde voor de Festtage van 2012. Het werd een duistere, claustrofobische lezing, geheel in de lijn van de zopas in Brussel gecelebreerde Jacob Lenz van Wolfgang Rihm.

De minimalistische decors van Martin Zehetgruber hebben twee varianten. De ene is een kooi van verticale latten voor de intieme scènes. Die laat zich snel omstellen tot een roterende hexagoon voor de meer publieke scènes zoals die in het Wirtshaus. Slechts éénmaal gaat het toneelgordijn helemaal open. Dan zien we Wozzeck en Marie, moederziel alleen in het kille maanlicht. Maar de maan gaat niet op "wie ein blutig Eisen". Breth houdt zich in haar beelden afzijdig van de natuur; dat laat zij liever over aan de muziek.

De belichting van Olaf Freese kon heel efficiënt zijn. Zo kon de blote torso van de tamboer-majoor worden waargenomen doorheen de spijlen van de kooi als een geile droom van Marie terwijl uit de orkestbak de zilveren klanken van de xylofoon opstegen. Zulke congeniale beelden waren evenwel zeldzaam.

In alle Marie-scènes is de zoon aanwezig ook als Marie zich lichamelijk overgeeft aan de mannetjesputter van een tamboer-majoor. John Daszak heeft zich door de kostumier een ruimere torso laten aanmeten maar toch wist hij het volle gewicht van Michael Volle op zijn schouders te tillen!

De kapitein heeft een obsessie met tijd en snelheid. Voor Graham Clark is dat gesneden brood. Nog altijd weet hij het nerveus filosoferende personage overtuigend op het toneel te brengen en de stem van de inmiddels 73-jarige karaktertenor houdt verbazend goed stand. In de slotmaat van de eerste scène drukt hij zijn sigaret uit in Wozzecks hand. Regelmatig zal Breth een sterk beeld gebruiken op het einde van de 15 scènes en het doek dan gezwind naar beneden laten.

Met een pollepel stort de dokter gifgroene bonenbrij over Wozzecks hoofd. Daarna spuit hij hem schoon in een blauwe afvalcontainer. Met het geschifte personage van de dokter wist Pavlo Hunka zich geen raad. Vocaal stelde hij teleur door een gebrekkige emissie.

Wozzeck eindigt niet door zelfverdrinking, hij lost op in de duisternis. In de slotmaten zien we hem liggen op de bodem terwijl hij de tekst van de spelende kinderen reciteert. Dat werkte niet bijzonder goed.

Michael Volle was grandioos als Wozzeck. Hij zingt hem met groot inlevingsvermogen, volheid van stem en met mooie pianomomenten in de kopstem.

Marina Prudenskaja als Marie klonk eerder fraai dan expressief. Als personage was ze braver dan de zelfbewuste vrouw die Waltraud Meier er steeds van maakte, maar de topnoten waren er wel.

Leuk om Heinz Zednik nog eens terug te zien in het piepkleine rolletje van de nar.

Muzikaal was dit een feest voor de oren.Daniel Barenboim geeft het stuk de transparantie van kamermuziek, musiceert meestal eerder ingehouden maar schuwt de extreme dynamiek niet zodat de explosieve orchestrale uithalen en het paukengeweld des te meer indruk maken. Bronstig klinkt het koper van de Staatskapelle. Het crescendo op de noot h, na Marie's dood, was oorverdovend, de grootse treurmuziek van het finale tussenspel overweldigend.

In het nieuwe seizoen plant de Staatsopera een nieuwe productie van Die Meistersinger von Nürnberg. Details worden pas bekend gemaakt op de persconferentie van 28 april. Mijn kop eraf als Michael Volle de rol van Hans Sachs niet voor zijn rekening zal nemen.

maandag 5 mei 2014

Guy Cassiers' Götterdämmerung in Milaan (dvd)


De Ring van Guy Cassiers zal in de herinnering blijven als die waarbij de vrouwen, alvorens te bewegen, een kwartslag draaiden om niet in de knoop te geraken met de sleep die ze van Tim van Steenbergen moesten dragen. Op zich had dit een heel aparte bewegingsdramaturgie voor gevolg. Verder was er het pixelbombardement op de videowand van Arjen Klerkx en Kurt D’Haeseleer waarmee het team een dynamische theaterruimte had weten te creëren die zowel enerveerde, als efficiënt kon zijn maar ook vaak onverschillig liet. Last but not least had het Toneelhuis ook zijn geheime wapen ingezet, de dansers van Sidi Larbi Cherkaoui's Eastman Company, die zowel overbodig redundant als dramatisch effectief en vernieuwend konden zijn. Deze Ring was een kaas met vele gaten maar hij bood tenminste een geschikte bedding voor de onstuimige stroom van Wagners muziek.

De Duitse pers herinnert zich deze Ring als een heel erg dode mus, als een vorm van zinloos decoratief theater. Ze braakte hem uit met een zelden geziene unanimiteit en een hang naar overdrijving. Waar die weerzin voor het Vlaamse team vandaan komt is een vraag die mij blijft fascineren. Ze lijkt wel het spiegelbeeld van de ijver waarmee de Duitse pers zich naar Vlaanderen rept om Duitse regisseurs als Tatjana Gurbaca de hemel in te prijzen. Zowel in Berlijn als in Milaan geraakte de première van Götterdämerung niet uitverkocht maar het oordeel van de Italiaanse pers was veel milder en veel correcter.

In het Klara-interview in het kader van “Weg van Wagner” analyseerde Cassiers de Duitse weerstand als volgt : “Als je Wagner respectvol wil behandelen, ook in de vormgeving, dan moet je durven inzetten op hedendaagse middelen die in de podiumkunsten voorhanden zijn. Niet door mekaar te bevestigen maar elke discipline een eigen verhaal te geven dat een andere kijk geeft. We geven veel informatie voor verschillende zintuigen tegelijkertijd en dat maakt dat je als toeschouwer verplicht wordt om keuzes te maken maar ook om je eigen verbindingen te leggen tussen datgene wat aangereikt wordt maar wat nooit eenduidig is en nooit eenduidig mag zijn. In Duitsland houdt men heel erg van heel heldere eenduidige keuzes en dan is de vraag: vind je eenstemmigheid met het publiek of ga je het conflict aan. “
Wat Cassiers zegt is dat hij elk medium, dat hem ter beschikking staat, wil gebruiken om méér te vertellen, meer diepgang te creëren, zonder te vervallen in redundantie. Ik heb het in deze Ring veel te weinig zien gebeuren. Had hij dat principe niet veel radicaler moeten inzetten, zoals hij het in zijn theaterproducties heeft voorgedaan?

Er is alvast niets mis met de proloog. Het zijn echte Nornen die hier de draden spinnen en ze zijn gehuld in rood licht. Presteert Waltraud Meier eerder matig als 2de Norn, als Waltraute zal ze later helemaal in haar rol zitten en een pakkend duet met Brünnhilde zingen. Na het ochtendkrieken zal deze laatste haar slapende Siegfried terug in zijn zwartleren pak helpen dat hem in de vorige aflevering al zo goed stond.

Zijn rotsen, kunstmatig opgeleukt door de gedrapeerde lakens uit de stoffenwinkel van Tim van Steenbergen, niet interessanter dan rotsen van papier-maché? Afgehakte ledematen liggen uitgestald in vitrinekasten van plexiglas. Zijn het de gepreserveerde lijken van oude helden uit de militaire geschiedenis van het Gibichungenvolk? Ze lijken alleszins te verwijzen naar “Les passions humaines”, het emblematische bas-relief van Jef Lambeaux dat we voor het eerst in Rheingold te zien kregen. Met laarzen, rijbroeken, korsetten en bretellen uitgerust lijken de Gibichungen dan weer te verwijzen naar het Belgische koloniale verleden, net zoals het bas-relief van Jef Lambeaux dat door Leopold II werd besteld. Als aanknopingspunt voor enige duiding is het echter bijzonder mager.

Het meest effectief is de videowand na Hagens monoloog “Hier sitz ich zur Wacht” wanneer glinsterend zonlicht glijdt over kale rostwanden om vervolgens over te gaan in de roestige gloed van Brünhildes rots; het moet ook in de zaal bijzonder werkzaam zijn geweest.
De dansers zijn dit keer goed ingezet en voegen ook echt iets toe in dramaturgische zin, niet zozeer tijdens Siegfrieds Rheinfahrt maar tijdens de finale van het eerste bedrijf. Siegfried met Tarnhelm is als een monnik van Zurbaran. Door het spel van de dansers met zijn mantel wordt hij uitvergroot tot een doodsengel. Listig ontfutselen de dansers Brünnhildes Ring. Het is één van de onbetwiste hoogtepunten van deze Ring. Alleen Duitsers met tunnelvisie zien dat niet.

In alle producties van de Ring die ik ooit zag was het tweede bedrijf het zwakste. Dat is hier niet anders. Johannes Martin Kränzle laat weer eens horen dat zijn bariton te licht is voor Alberich. Hij maakt er bovendien een karikatuur van en laat tussen de lijnen aanvoelen hoe goed hij wel is als Beckmesser. Maar Alberich is geen Beckmesser. De videowall heeft verder niet veel meer te bieden. Later zullen we nog schimmen van spookachtige zombies te zien krijgen. De vitrinekasten doen nu ook dienst als tribune voor de Gibichsmannen waardoor ze als symbool van een gewelddadig verleden aan kracht verliezen.

Deze Götterdämmerung eindigt met een pessimistische visie: door het bas-relief van Lambeaux tijdens de slotmaten over de ganse breedte van het toneel te etaleren lijkt Cassiers te zeggen dat het met de cyclus van geweld en bedrog nog lang niet gedaan is. Guy Cassiers is een nuchtere Vlaming.

Vocaal kan Mikhail Petrenko, een protégé van Valery Gergiev, slechts 50% van zijn partij waarmaken. Hij is elegant in de expressie maar kan geen diepte geven aan de kwaadaardigheid van het personage; dat hij zijn toevlucht neemt tot faciale overacting om dit deficit te compenseren gaat al snel vervelen.

Iréne Theorin als Brünnhilde lijkt soms op Lord Varys, de eunuch uit Game of Thrones. Haar voordracht is niet zonder problemen. Ondanks haar imperfecte dictie en het verhaspelen van sommige zinnen is ze sterk geëngageerd en haar genereuze stem stelt haar in staat om hoogdramatisch te presteren op de momenten die ertoe doen. De zinnelijkheid waarmee ze dat doet demonstreert in feite dat Nina Stemme geen dramatische sopraan is van het gehalte dat hier vereist wordt. Ze weet ook veruit het meeste applaus te oogsten bij het Italiaanse publiek.

Lance Ryan is minder in zijn sas in deze Götterdämmerung als in Siegfried. Hij klinkt vermoeid, zijn tenor is vaak gespeend van alle zinnelijkheid. Is Ryan op zijn terugweg en staat hij binnenkort op het toneel als Mime?

Gerd Grochowski kan zich waarmaken als Gunther maar dat hij zich aan sommige kleinere operahuizen manifesteert als Wotan zegt veel over de crisis binnen het Wagnervak.

Zoals altijd heeft Barenboim de teugels goed in handen, hij laat grote dynamische schakeringen horen en regeert soeverein over fluisterende pianissimi en orchestrale uitbarstingen. Zijn grote ervaring laat hem toe te spelen met de tempi, hij versnelt en vertraagt naar goeddunken zonder dat het ooit overhaast of spanningsloos wordt.

maandag 21 april 2014

Sasha Waltz' Tannhäuser in Berlijn (****)


SOME LIKE IT HOT

In het Wagnerjaar 2013 waren Britse commentatoren unaniem enthousiast over de concertante Ring die Daniel Barenboim en de Berlijnse Staatskapelle ten beste gaven in het kader van de Proms in de Londense Royal Albert Hall. Muzikaal was dit, zo werd beweerd, het hoogtepunt van het Wagnerjaar. Alsof Bayreuth van de aardbodem was gevaagd. De nieuwe Tannhäuser die deze week tijdens de Festtage van de Berlijnse Staatsopera in première ging, lijkt die analyse zondermeer te bevestigen. Het werd immers de meest bevredigende Tannhäuser die ik ooit heb meegemaakt. Dat was niet in de eerste plaats de verdienste van Sasha Waltz, de Berlijnse topchoreografe die hij als regisseur had aangezocht, maar van hemzelf, het orkest en het verschroeiende niveau waarop sommige leden van de cast presteerden. In Sasha Waltz vond hij evenwel een congeniale partner om het werk op de scène tot een oogstrelende productie om te zetten. Als choreografe had ze dat onuitputtelijke bewegingsvocabularium ter beschikking dat soms een beetje conventioneler leek dan gewoonlijk maar seconden later dan weer werd gedeconstrueerd met een onverwachte wending. Als regisseur weerstond ze aan de verleiding een politico-sociale duiding aan het werk op te dringen en dus regisseerde ze deze Tannhäuser een beetje zoals Jan Fabre destijds in Brussel, rijk aan beelden en gevitaliseerd met beweging. Voor sommige perscommentatoren die het Duitse Regietheater een warm hart toedragen was dit veel te weinig, mij beviel dit echter uitstekend. Een oudere dame in het publiek formuleerde het zo : "was für ein Scheiβ ist doch Bayreuth dagegen". Grote Berlijnfan Katharina Wagner, aanwezig op de première, liet het alvast niet aan haar hart komen. Je mag hopen dat ze er lessen uit weet te trekken.

Sasha Waltz moest begin dit jaar de kern van haar vaste gezelschap ontslaan omdat de stad Berlijn met onvoldoende middelen over de brug komt. Wat Waltz overkomt is een beetje wat William Forsythe overkwam in Frankfurt. Het zou erg jammer zijn mocht zij daardoor in een gelijkaardige artistieke impasse terechtkomen. "Daniel Barenboim heeft zo zijn eigen methodes om de Berlijnse cultuurpolitiek te corrigeren", zo berichtte de Berliner Zeitung. "Hij biedt haar het meest prestigieuze forum aan, namelijk dat van de Festtage van de Staatsoper. " Anders uitgedrukt : de ene sterdirigent is de andere niet. Wat Barenboim in Berlijn presteert is nogal wat genereuzer en kunstvriendelijker dan wat de Grote Thielemann in Dresden uitvreet.

Als de choreografe van "Körper" de dans leidt dan kan het niet anders of het fameuze bacchanaal staat op het programma. En dus was er gekozen voor de versie van Dresden met aanvulling van de Parijse Venusbergmuziek. De Venusberg zelf had ze door Pia Maier-Schriever als een trechter laten ontwerpen, die op afstand ook als een reusachtig oogpupil kon worden gezien. Het beperkt de bewegingsvrijheid van de dansers maar wordt daardoor net interessant. Je kan er instijgen en je kan er uitstijgen, hetgeen Tannhäuser tenslotte ook zal doen.
Met haar rode pruik leek Marina Prudenskaya sterk op de Venus van Botticelli, de in een wit linnen pak gestoken Tannhäuser een badgast, klaar voor het strand. Beiden nemen voorzichtig deel aan het minnespel, niet meteen de grootste troef van Peter Seiffert, de XL-Tannhäuser van dienst, maar uiteindelijk heeft Sasha Waltz dat allemaal goed opgelost.

De overwegend zestigplussers in de zaal voor wie "Erlösung vom Eros" dagelijkse realiteit is, kregen ruim de gelegenheid om herinneringen op te halen. Voor de Venusbergchoreografie liet Waltz de afgetrainde, halfnaakte lijven van haar 18-koppige dansgroep een kwartier lang met mekaar in interactie gaan, in alle mogelijke standjes, zo lang en zo intens dat het enigszins ging vervelen. Dat spoorde dan weer volledig met de reactie van Tannhäuser himself. Hij verliet de trechter langs de voorzijde en sloeg zich een donkere mantel om de schouders, die hem overigens zeer goed stond.

Daarmee was de eigenlijke choreografie van deze Tannhäuser beëindigd maar Waltz zal haar dansers voortdurend trachten te mengen onder de solisten en de zangers van het koor en elke mogelijkheid van de partituur uitbuiten om beweging te initiëren. Want heeft u er al ooit bij stil gestaan hoe dansant het lied aan de avondster wel is? De dansers zijn geen Fremdkörper in deze voorstelling en het is soms moeilijk om ze van de zangers te onderscheiden temeer omdat de zangers van de regisseur ook al eens een danspasje mogen wagen. Ook al becommentariëren de dansers met beweging wat Wagner reeds doet in de muziek, het is altijd oogstrelend en het breekt heel vaak de gebruikelijke inertie van de scène.

De Wartburgridders verschijnen als boswachters in de mist. Van de regisseur mogen ze al eens een gek sprongetje wagen. In de finale van het eerste bedrijf laat ze de hoornisten over het toneel schrijden, het is een detail maar het is bijzonder effectvol.

Voor de Wartburg toont Waltz ons een kopie van het Schillertheater op het toneel. Een gordijn van bamboestokken verwijst naar de houten lambrisering van het auditorium en voor wie nog niet door heeft dat met de stijve Wartburggemeenschap wijzelf bedoeld zijn, laat ze de zaallichten aansteken wanneer de Landgraaf de zaal prijst "in der viel und schön gesungen ward". Elisabeth oogt als een blonde Hollywoodster uit de 50-er jaren, type Grace Kelly. Ze neemt plaats in één van de nagebouwde theaterzetels. De zangwedstrijd wordt opgeleukt met dansende paren. De "Einzug der Gäste" weet te verrassen want ze wordt voorafgegaan door twee vendelzwaaiers, elk met een gele vlag met daarop een zwarte leeuw. Nee, ik verzin dit niet! OK, één van de leeuwen was rood maar het was geen haan. De collusie tussen Wagner en de Vlaamse beweging is daarmee nu definitief aangetoond.

Het derde bedrijf stort ons weer in de mist en krijgt de vage contouren van een mysteriespel. Het handenspel van de pelgrims simuleert alle mogelijk varianten van het werkwoord bidden, het herinnert soms aan Pina Bausch. In de finale strooien pelgrims groene blaadjes op het lijk van Elisabeth.

Peter Seiffert verkeerde in bloedvorm. De jaren lijken op hem geen vat te hebben. Van enige aftakeling is nog geen spoor te bekennen zoals zijn Siegmund vorige zomer in Salzburg uitvoerig demonstreerde. De Venusbergpassage nam hij met groot gemak, dynamisch bracht hij mooie schakeringen aan. In feite neemt hij de partij even soeverein als Barenboim de leiding van het orkest. Als hij "Allmachtiger, dir sei Preis" de zaal inslingert, dan schiet je gemoed vol. Zijn duet met Elisabeth in het tweede bedrijf lokte spontaan applaus uit in de zaal, iets dat ik nog nooit heb meegemaakt tijdens een Wagnervoorstelling. De Rom-Erzählung was grandioos. Zoals hij "Da ekelte mich der holde Sang" in het publiek gooide, was op zich al de verplaatsing waard. Herbergt deze planeet nog een tweede Tannhäuser die deze partij zo soeverein weet te vertolken?

Even goed presterend was Peter Mattei als Wolfram, een partij die vaak wordt uitgegeven aan een liedzanger. Nooit heb ik Wolframs prestatie in de zangwedstrijd met zulke volheid van stem en zin voor nuance gehoord. Met de voor hem kenmerkende zin voor articulatie maakte hij zijn lied tot één van de onmiskenbare hoogtepunten van het tweede bedrijf. Tijdens zijn lied aan de avondster mocht hij van de regisseur zelfs een paar aarzelende danspassen doen. Had hij daar maar meer op geoefend, hoeveel sterker nog zou zijn populaire solonummer niet geweest zijn? Voor elke nieuwe Wagnerproductie die hij aanpakt krijgt Mattei zoveel erkenning van het publiek dat ik moeilijk kan geloven dat zijn Telramund en zijn Alberich nog niet in voorbereiding zijn. Uiteraard volgen we dit op de voet.

Ann Petersen presteerde een beetje onder dit olympische niveau. Het vibrato was niet altijd even fraai, het gebed werd niet echt als een dramatische sopraan genomen en de match met haar sparringpartner, de basclarinet, verloor ze op punten. Overtuigender klonk ze in de Hallenaria.

In de eerder bescheiden rol van Landgraaf hoefde René Pape slechts enkele malen hoogdramatisch uit te halen en dat deed hij uitstekend.

Marina Prudenskaya stelde niet teleur. Ondanks haar tengere gestalte beschikt ze over een goed gefocusseerde stem en een niet onaardige emissie. Graag wil ik eens haar Ortrud horen.

Daniel Barenboim hield voor de solisten een voordelige balans aan: niemand hoefde zich te forceren. De warme fluwelen klank van de strijkers was opmerkelijk, de houtblazers excelleerden tijdens de solopassages van het derde bedrijf. De aartsmoeilijke finale van het tweede bedrijf hield hij mooi in balans. Het sterkst was nog de prelude tot het derde bedrijf. En ja, het is altijd sympathiek wanneer de dirigent samen met zijn orkest het applaus in ontvangst komt nemen. Bravo!