Posts tonen met het label Klaus Florian Vogt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Klaus Florian Vogt. Alle posts tonen

woensdag 9 augustus 2017

Romeo Castellucci met Tannhäuser in München (****)

KRIJGERS VAN DE SCHOONHEID

Romeo Castellucci had het voor de première reeds aangekondigd : “Es wird kein definiertes Ambiente geben, das man zeitlich oder räumlich verorten kann. Es werden Seelen-Landschaften sein”. Dat hoefde niemand te verbazen. Het beeldentheater uit Castellucci’s Wunderkammer is nooit narratief. Het wil zelfs geen betekenis communiceren maar een onmiddellijke, gevoelsmatige impact hebben op de toeschouwer. Geheel terecht vergelijkt Johan Thielemans hem wel eens met David Lynch: wat je niet kan begrijpen (en zelfs niet hoeft te begrijpen) kan toch een hevige gevoelsreactie uitlokken, ja zelfs een onuitwisbare indruk nalaten. Het heeft dan ook geen zin het theater van Castellucci anders te bekijken dan de maker het heeft bedoeld. Waarom veel mensen deze klik niet kunnen maken is mij een volslagen raadsel. Hierin ligt overigens Castellucci’s verwantschap met andere theatermakers als Robert Wilson en Jan Fabre. Voor zijn visueel arsenaal put hij doorgaans uit de Italiaanse religieuze iconografie en dat doet hij ook in deze voorstelling.

De rode draad doorheen het stuk is de pijl, een erotisch symbool wanneer ze wordt afgevuurd door een matchmaker als Cupido, een levensvernietigend symbool in de handen van de jager. De voorstelling opent sterk : een dertigtal halfnaakte amazones, uitgerust met pijl en boog, maken hun opwachting tegen het Wilsoniaanse lichtblauwe achterdoek. Minutenlang schieten ze hun pijlen af op de uitvergrote pupil van een oog, dat later ook zal morphen naar een oor. Het zijn zusters van Jan Fabre’s krijgers van de schoonheid. Uitdagend richten ze hun pijlen ook op de toeschouwers in de zaal. Door de split in hun rok ontwaren we hun minuskule broekjes. Het mag duidelijk zijn dat dit alles veel erotischer is dan de gebruikelijke muffe Venusberg-choreografie waarin doorgaans alleen maar halfslachtig naar erotiek wordt gehengeld. Anders uitgedrukt: Castellucci ensceneert niet de tekst maar de subtekst en dat zal hij het hele stuk door blijven doen. Doordat de scène niet narratief is, wordt de aandacht niet afgeleid van de ouverture. De focus blijft op de muziek.

De Venusberg laat de twee kanten zien van eros: het mannenfantasme van de amazones focust op de aantrekkingskracht van het vrouwenlichaam, de scène met Venus laat de andere kant zien; geen wereld van vleselijke lust maar van libidineuze oververzadiging. De liefdesgodin is een variant van de monumentaal in het vlees zittende Venus van Willendorf, omringd door pulserende klompen vlees. Het maakt de vlucht van Tannhäuser erg aannemelijk.

Het arcadische herdersjongetje speelt zijn schalmei als een bacchant van Caravaggio, Elsa Benoit leent hem haar stem vanuit de coulissen. Ook de rinkelende belletjes van zijn schapen behoren tot de soundtrack. Het pelgrimskoor torst een grote goudklomp boven het hoofd als een gedeelde schuld. Bij hun terugkomst uit Rome zullen ze elk individueel nog een kleine klomp goud in de handen houden.

Ook de volgende scène leunt sterk aan bij Fabre. De ridders van de Wartburg, vertegenwoordigers van het “schuldig landschap” in de terminologie van Fabre, sleuren hun jachttrofee met zich mee. Het is een eland en het bloed van het dier zal het verbond bezegelen tussen de clan en de hervonden minnezanger.

De Wartburg is een transparant gordijnenlabyrint. Het is een wereld verstoken van zinnelijkheid, een wereld van onthouding en van dode rituelen. Het zou de wereld van Titurel kunnen zijn. Elisabeth houdt afstand en speelt een subtiel spel met de gordijnen. Haar naakte lichaam (“Verlangen, das ich nie gekannt”) is enkel te zien als een print op haar kleed.
Het koor, zedig gekleed, trekt zich na de “Einzug der Gäste” terug in de diepte van het toneel. Toch leidt de gedachte aan het zondige geslachtsverkeer een soort onderdrukt bestaan : de choreografie van wriemelende lichamen van blonde naakte vrouwen in vleeskleurige maillots van Cindy Van Acker herinnert aan Sasha Waltz (Berlijn,2014). De zangwedstrijd is als een graalsritueel waarbij de niet-zingende deelnemers ruggelings op de grond gaat liggen. Met een pijl uit de boog van zijn rivaal Wolfram moet de rebellerende Tannhäuser zijn uitgelokt schandaal bekopen. Die krijgt hij van Elisabeth in de rug geplant. Als Sint-Sebastiaan stuurt ze hem naar Rome.

De voorstelling van het goddelijke is centraal in het werk van Castellucci. Toch krijgen we van de maagd Maria enkel de voeten te zien. De Romerzählung ontspint zich tegen de achtergrond van de meest cryptische scène van de voorstelling : op twee katafalken, met daarop de namen Klaus en Anja, maken we de volledige desintegratie mee van twee lichamen, eindigend met de vermenging van hun as. De lettermachine spuwt daarbij het tijdsverloop : van sekonden tot miljarden jaren. Het is erg moeilijk om in deze cryptische uitweiding over tijd en verval de christelijke verlossingsgedachte te herkennen. Het lijkt meer op de doodsdrift van Tristan en Isolde. En zo heeft deze Tannhäuser zowat het hele werk van Wagner doorkruist.

Natuurlijk is Klaus Florian Vogt geen Tannhaüser. Dit was helder gearticuleerde lammetjespap en in het eerste bedrijf was hij zo weinig geëngageerd in de rol dat het leek alsof hij het telefoonboek las. “Allmächt’ger,dir sei Preis!” wist hij desondanks redelijk goed in de zaal te gooien.

Anja Harteros zingt “Dich teure halle” en “Allmächtige Jungfrau” vlekkeloos maar ook wel met de voor haar karakteristieke gereserveerdheid, ook wanneer zij bekent : “Wie jetzt mein Busen hoch sich hebet”. Het vibrato is gaaf, keurig het aanzwellen van de stem. Dit was perfect maar je kan je ook inbeelden hoe een stevigere dramatische sopraan met een warmer timbre een zinnelijker resultaat zou kunnen neerzetten.

Christian Gerhaher is een ideale Wolfram. Met zijn lied in het tweede bedrijf wint hij de zangwedstrijd met voorsprong. Hij articuleert met de helderheid en de perfectie van de ervaren liedzanger die hij is: elke syllabe, elk accent, elke medeklinker vult hij met betekenis. Toch verkies ik Peter Mattei wegens het mooiere timbre. Afgaande op deze relay lijkt hij ook niet over zo’n heldhaftige projectie te beschikken.

Elena Pankratova, geïmmobileerd in haar harnas van latex, kon zich concentreren op haar gave en stevig geprojecteerde Venuspartij. Georg Zeppenfeld leverde een mooie prestatie als de Landgraaf, Peter Lobel zong een uitstekende Biterolf.

Kirill Petrenko speelt de versie van Wenen (1875), de laatste waarop de blik van de meester heeft gerust. De tempi zitten altijd juist, dynamisch differentieert hij zeer extreem zoals we dat van hem gewoon zijn. Ook in de zwaarst georchestreerde bladzijden blijft het orkest transparant klinken. Dit orkest is in dit repertoire en in de handen van Petrenko echt niet te overtreffen. De vermoeiende finale van het tweede bedrijf met zijn chaotische slotkoor (niet bepaald Wagners beste bladzijden!) heb ik nog nooit zo mooi en gedifferentieerd gehoord, met alle stemmen in balans. Het strafste was misschien de gekmakende climax in de finale van de prelude tot het derde bedrijf. Ook de Romerzählung kreeg alle steun van het orkest.


woensdag 27 juli 2016

Uwe Eric Laufenberg met Parsifal in Bayreuth (****½)

Ryan McKinny als Amfortas
© Enrico Nawrath

SAMSARA TUSSEN EUFRAAT EN TIGRIS

Het sacrale karakter van Wagners "Bühnenweihfestspiel" Parsifal staat buiten kijf. Wagner voert daarin fundamenteel sacramentele ervaringen op: de eucharistieviering, de voetwassing, de lamentatie van Goede Vrijdag en een begrafenisritueel. Dat maakt Parsifal nog niet tot een christelijk werk zoals de rancuneuze Nietzsche ooit beweerde in zijn kleingeestige Wagnerkritiek. Immers, Wagner bevrijdt hier traditionele geloofssituaties uit de context van de kerk om ze te voorzien van een nieuwe spirituele lading en die gaat hoofdzakelijk terug op het denken van Schopenhauer en van Boeddha. Dat is wat gelovige christenen steeds problematisch aan Parsifal hebben gevonden. Niet-gelovigen kunnen zich dan weer ergeren aan het naäpen van ongewenste liturgische handelingen. Moderne regisseurs lijkt het voor onoverkomelijke problemen te stellen want weinigen gaan met de spirituele inhoud van Parsifal aan de slag. Niet zo Uwe Eric Laufenberg. Religie is het alfa en omega van zijn lezing. Zijn zicht op Parsifal is idiosyncratisch, tegelijk ook reducerend maar conceptueel voldragen en consequent uitgevoerd. Een boeiend aspect daarbij is dat hij zijn kaarten niet meteen op tafel legt en via een pienter opgebouwde godsdienstkritiek tot een levensbevestigende finale zal komen waar zelfs Nietzsche had kunnen mee leven.

De prelude zoomt in op een stel politieke vluchtelingen, liggend op stretchers in wat een Graalstempel lijkt te zijn. Gaten in de koepel en brokstukken op de grond verraden een bominslag. Onderdak lijken ze te hebben gekregen van een goedmenende Graalsgemeenschap. Die bestaat niet uit ridders maar uitsluitend uit monniken. Voor de toeschouwer maakt dat een wereld van verschil. De kuisheidsgelofte waar zij zich toe verbinden heeft dan geen algemeen geldende voorbeeldfunctie maar maakt dan deel uit van een vrije keuze die leden van deze exclusieve mannenclub menen te moeten aanwenden om de staat van heiligheid te benaderen. Identificatie met de leden van de Graalsgemeenschap is dan zeer eenvoudig of -in mijn geval- totaal overbodig. Zo staat het niet bij Wagner maar wel bij Wolfram von Eschenbach, één van Wagners middeleeuwse bronnen.

Op de tonen van de Heilandsklage dringen soldaten binnen in de tempel. Het idyllische Graalswoud is veraf. Monniken rommelen wat met een Christusfiguur. Een gesluierde Kundry verstrekt balsem uit het nabijgelegen Arabia. Inmiddels is duidelijk dat de regisseur het spanningsveld heeft opgezocht tussen christendom en islam. Dat vermoeden krijgt bevestiging tijdens de Verwandlungsmusik waarbij de videoregisseur de camera laat uitzoomen in vogelperspectief. Montsalvat lijkt daarbij op de wereldkaart in het Midden-Oosten te liggen. Zo ver had de regisseur het niet moeten zoeken want ligt Monsalvat niet halfweg Spanje, het idyllische Graalswoud in het gothische noorden, Klingsors toverslot in het Moorse zuiden?

Zoals bekend verloopt het mirakel van de transsubstantiatie in Wagners drama niet volgens het christelijke dogma : brood en wijn worden niet getransformeerd in het lichaam en bloed van Christus maar net het omgekeerde is het geval. Belangrijk daarbij is dat voor Wagner de eucharistieviering niet enkel een herinneringsceremonie is aan het Laatste Avondmaal maar een ritueel waarbij Christus in feite aanwezig dient te zijn. Immers, het bloed van Christus waarmee de Graal is gevuld, dient op te lichten door de spirituele kracht van een lichtzuil die neerdaalt vanuit de koepel van de Graalstempel. Laufenberg verwerpt deze regieaanduiding maar neemt Wagner verder zeer letterlijk want hij laat Amfortas verschijnen met doornenkroon en alle stigmata van de Heiland. Amfortas als kloon van Christus, dat is door Wagner wel degelijk zo bedoeld. Beiden zijn immers op dezelfde plaats verwond door de Heilige Speer. Ray McKinny heeft de looks van een filmster en de aanblik van de gapende wonde in zijn getrainde lijf, enkel gehuld in een babypamper, is makaber en sensueel tegelijk. De Graalsonthulling voltrekt zich door het steken van een mes in de wonde. Titurel, master of ceremonies van dit weerzinwekkende ritueel, toont het afgetapte bloed als een trofee aan zijn volgelingen. Hij doet dat zonder het minste mededogen voor zijn zoon.

Voor het tweede bedrijf is de tempel getransformeerd in een met blauwe tegels bezet badhuis. Amfortas, geblinddoekt en gekneveld, hoort bij het decorum van de door kruisbeelden geobsedeerde Klingsor. Dat zijn handlangers de trekken hebben van jihadi's verrast niet in het minst. Zijn de bloemenmeisjes aanvankelijk gesluierd met burka's, de tweede lading die zich over Parsifal stort, zijn schaarser gekleed en krijgen de held al snel in bad. Als de Huris uit de Koran verzinnelijken ze de natte droom van onze goedgelovige jihadi's uit het TV-journaal, dezelfde jihadi's die de Groene Heuvel dit jaar in een staat van beleg hebben omgetoverd. Zelfs Klaus Florian Vogt geraakte op een bepaald moment tijdens de repetities met moeite door de security met zijn battle dress als Amerikaanse marinier.

De prelude tot het derde bedrijf spuwt videobeelden van National Geographic. Parsifal toont zich nu als een strijder met universele kenmerken van de soldaat. Zijn hoofddeksel refereert naar IS, de rest van zijn outfit even goed naar een middeleeuws harnas als een hedendaagse combat dress. Ondanks een langdurig verblijf in de Hamam is Kundry's gave huid ingehaald door de tijd: het gelaat is verweerd, de gewrichten staan stijf van rheuma. De Karfreitagszauber en de "Entsündigung der Natur" roept de sfeer op van "De geur van de groene papaya" : exotische vegetatie breekt door de muren binnen en in een plensende regenbui ontwaren we het zinnelijke spel van enkele naakte jonge meisjes.

Tijdens de Verwandlungsmusik doet videast Gérard Naziri een eerder flauwe poging tot morphing met het gelaat van Kundry, Amfortas en Wagners dodenmasker. Het beeld van een torenklok luidt de finale Graalsscène in. Vertegenwoordigers van de drie monotheïstische godsdiensten nemen nu deel aan de ceremonie. Na het finale "Öffnet den Schrein" barst de tempel uit zijn voegen. Joden, moslims en christenen gooien alle religieuze parafernalia boven op het lijk van Titurel om vervolgens te verbroederen in een mistig verlossingsnirvana, een utopische gedachte die voor atheisten bijzonder goed te verdragen is. Gedaan met het bloedbad dat alle godsdiensten wereldwijd in de loop van de geschiedenis hebben aangericht, lijkt Laufenberg te zeggen. De wereld is eindelijk verlost van al deze door kuisheid geobsedeerde gekken. Chaos loert om de hoek. Zal Wagners, of moet ik zeggen Schopenhauers, ethiek van geweldloosheid en mededogen en van verzoening met de natuur volstaan om dit spirituele vacuum op te vullen? Laufenberg heeft daarmee een Bühnenweihfestspiel gecreëerd dat zichzelf opheft. "Atheisten zijn beperkte mensen" liet een hoogleraar uit Tilburg gisteren weten in de Volkskrant. Ja, nog zo'n gek denk je dan. Deze Parsifal was een feest voor godsdiensthaters zoals mezelf.

Klaus Florian Vogt zet zijn heel persoonlijke zegetocht als onconventionele heldentenor gewoon verder, alsof er niets aan de hand is. Zijn fans volgen hem blindelings. Parsifal had hij vroeger reeds gezongen. In mei zet hij de volgende gedurfde stap in zijn Wagnercarrière met zijn Tannhäuserdebuut in München. Binnen enkele jaren hoopt hij Tristan en Siegfried te zingen. Echt waar. Dat hij daaraan twijfelt is veelzeggend : de stem zal in die tijd nauwelijks veranderd zijn maar zullen de fans hem blijven volgen? Bewonderenswaardig is hoe hij zijn tenor al die jaren geolied en vrij van sleet heeft weten te houden. Nooit klinkt hij geforceerd en met zijn kristalheldere voordracht en uitstekende projectie bereikt hij in het theater een heel aparte zinnelijkheid. Met zijn knapentimbre is hij zowat de anti-Jonas Kaufmann. Qua moeilijkheidsgraad verloopt de partij in stijgende lijn en ze wurgt hem naar het einde toe. "Nur eine Waffe taugt", waarbij vocale heldenpower vandoen is, is dan ook de meest teleurstellende passage van zijn voordracht.

Georg Zeppenfeld als Gurnemanz geniet in Bayreuth een gelijkaardige staat van genade. Hij beschikt over een gecultiveerde bas en weet bijzonder helder te articuleren maar niets is boeiend aan zijn monoloog van het eerste bedrijf. "Oh, wunden-wundervoller Heiliger Speer" is te zwak. Zijn hele optreden in het eerste bedrijf is getekend door een slungelachtige lichaamstaal als hij al niet zit te morrelen aan de zware montuur van zijn bril. In de belerende scène met de zwaan kon ik niet geloven. Met zijn jeugdige bas kan hij de morele autoriteit van Gurnemanz (ten goede of ten kwade, dat maakt niet uit) niet uitdragen zoals René Pape, John Tomlinson of Kurt Moll dat hebben gedaan in een recent verleden. Maar dat hij het potentieel heeft om daarin nog te groeien bewees hij in het derde bedrijf waarin hij aanzienlijk beter presteerde met een fraaiere en intensere voordracht. In de Karfreitagszauber beleefde hij zijn vocale hoogtepunt.

Ryan McKinny, een erg lage bariton, liet een somber timbre en een weinig heldere voordracht horen als Amfortas. Als acteur maakt hij een grotere indruk met zijn charismatische verschijning en doorleefde vertolking. Barstend van persoonlijkheid zou ik de Kundry van Elena Pankratova niet durven noemen. Daarvoor is de partij op de Groene Heuvel en elders te lang in het bezit geweest van Waltraud Meier maar ze zingt de partij gaaf en met alle gewenste zinnelijkheid.

Gerd Grochowski, Laufenbergs Wotan in Linz en Wiesbaden, leverde een eerder matte, weinig bijtende Klingsor af. Had Bayreuth eigenlijk niet de morele plicht om Evgeny Nikitin uit de nodigen na haar flater van de zomer van 2012 ? Het koor presteerde zeer goed.

Uwe Eric Laufenberg noemt Nelsons en Haenchen bijna antagonisten: Haenchen is de vleesgeworden objectiviteit zoals hij dynamiek en tempi uit de historische bronnen distilleert, Nelsons is dan weer een dirigent van het subjectieve type dat accenten en tempi gevoelsmatig laat opborrelen. Er valt wat te zeggen voor beide methodieken. Met slechts 2 orkestrepetities kon Hartmut Haenchen, na de vlucht van Andris Nelsons uit Bayreuth, zijn manschappen in de orkestbak van de échte Graalstempel wellicht niet helemaal naar zijn hand zetten. Het eerste bedrijf bezorgde mij gemengde gevoelens. In de religieus getinte passages was hij regelmatig te snel maar dramatisch spannend wanneer het snel moest gaan zoals tijdens het schieten van de zwaan. Helemaal in focus qua tempo en dynamiek kwam het orkest pas met de Verwandlungsmusik en de eerste Graalscène. Grandioos zoals de pauken klonken in de beide Graalscènes. In het tweede bedrijf en het 70 minuten durende derde bedrijf liet hij vlotte doch zeer gepaste tempi horen. Ik zou durven vermoeden dat hij zijn schaarse orkestrepetities aan het derde bedrijf heeft gespendeerd. Hoedanook, voor Haenchen moet dit een hoogtepunt zijn in zijn carrière als Wagnerdirigent en het zou mij verbazen indien wij Nelsons volgend jaar terug zullen zien.

Beeld en klank van deze live-stream waren uitstekend, zelfs met veel detail naar Bayreuthse normen.

vrijdag 16 oktober 2015

Andrea Moses met DIE MEISTERSINGER VON NÜRNBERG in Berlijn (****)


IT'S THE ECONOMY, STUPID !

Wat is het emotionele centrum van "Die Meistersinger von Nürnberg"? Het is de scène in het derde bedrijf wanneer Eva haar knellende schoen en bijhorende bevallige voet aan Hans Sachs komt presenteren. Sachs heeft de hoop op Eva nog niet helemaal opgegeven en Eva, niet overtuigd van de kansen van haar avant-gardistische oogappel, flirt met de gedachte Sachs opnieuw een kans te geven.

Een regisseur die deze scène rateert, rateert "Die Meistersinger von Nürnberg". Andrea Moses rateert ze niet. In het tweede bedrijf heeft ze Eva al eens uitbundig met Sachs laten flirten. Opnieuw flirt Eva met Sachs en zijn aandacht gaat al snel van de knellende schoen naar haar been. Een niet te vermijden omhelzing volgt die Eva prompt afbreekt bij het verschijnen van Walther. Sachs weet nu wel definitief hoe laat het is. Op dit punt aangekomen kunnen we niet anders dan compassie hebben met Sachs en bewondering voor de grootsheid van zijn verzaking. Eva kiest voor de jeugd en niet voor het geld. Niet alle vrouwen zouden dezelfde keuze maken. Het is één van de door Daniel Barenboim congeniaal ondersteunde hoogtepunten van deze "Meistersinger von Nürnberg" maar een onverdeeld succes werd het niet helemaal.

Andrea Moses gaat patriottischer te werk dan Wagner. Alom tegenwoordig is de driekleur, symbool van de Duitse identiteit. Wanneer Pogner zijn dochter belooft aan de winnaar van de zangwedstrijd dan houdt hij een punt van de vlag in zijn handen als ging het om een vaandel-eed. Als Walther zijn hekel ten aanzien van de meesterzangers de vrije loop laat kiepert hij de vlag in de coulissen. Tijdens het beroemde quintet is het de driekleur die zorgt voor een onuitgesproken band tussen de personages in dit verstilde moment van zelfreflectie. Op de feestweide zijn de meesterzangers uitgerust met tricolore sjerpen.

Moses ging op zoek naar wat de Duitse identiteit kon uitmaken na een traumatisch oorlogsverleden en vond die in het onbesproken mirakel van het "Deutsche Wirtschaftswunder". De meesterzangers zijn de economische elite van Nürnberg. Allen geslaagd in het leven geven zij hun steun aan de locale culturele initiatieven. Hun veelkleurige company logo's staan te lezen op een plakaat met sponsors van de zangwedstrijd. Beckmessers naam ontbreekt. In deze economische logica is het haast ondenkbaar dat de onzekere, steeds de feiten achterna hollende stadsklerk even goed geslaagd zou zijn in het bedrijfsleven.

Hans Sachs is als een soixantehuitard. Ondanks zijn carrière aan het hoofd van een schoenenimperium hebben de revolutionaire klanken van Walther zijn verleden in hem wakker gemaakt. Vestimentair is hij overeenkomstig nonchalant uitgedost. Vaak ageert hij als een zachtgekookt eitje want hij laat zich door Beckmesser letterlijk bij de neus nemen. Op zijn dakterras kweekt hij cannabis. Af en toe steekt hij een jointje op. Hij zal dat ook doen tijdens de bevrijdende, allerlaatste maten, een schitterend moment.

Voor Andrea Moses is Hans Sachs de positieve held van het stuk. Ze laat zich door het heersende klimaat van politieke correctheid niet uit het lood slaan. Ze lijkt wel de woordvoerster van de burgemeester van Antwerpen wanneer ze meent : "In dem Stück kämpfen sich die Meistersänger ja gerade durch, das Neue und Fremde zuzulassen und zu respektieren. Das ist ein Prozess. Die Oper ist nicht umsonst so lang. Es ist ein hoch komplizierter Vorgang – genauso wie wir das in unserer Gesellschaft derzeit beobachten. Es ist nicht so einfach zu sagen: Jetzt mach doch mal die Tür auf, wenn du dir deiner selbst nicht sicher bist. Das ist der Punkt, der mich interessiert. Man kann erst gut mit dem Fremden umgehen, wenn man über das Eigene Bescheid weiß, selbstbewusst damit umgeht und es nicht zum Dogma erhebt."

Dat doet ook denken aan die dagboekaantekening van Cosima wanneer ze Wagner als volgt citeert: "Wenn ich noch einmal über die Juden schriebe, würde ich sagen, es sei nichts gegen die einzuwenden, nur seien sie zu früh zu uns getreten, wir seien nicht fest genug, um dieses Element in uns aufnehmen zu können." Wagner toont zich hier een verstandiger Realpolitiker dan de huidige bondskanselier. Die was overigens niet aanwezig op de première, ook al werd die gehouden op 3 oktober, de 25e verjaardag van de hereniging van Oost en West-Duitsland.

Nog voor Barenboim de prelude aanheft sijpelen de acteurs en het koor de toneelruimte binnen. Het is een kale ruimte in de warme houttonen van het Schillertheater, de Duitse driekleur hangt gedrapeerd over een hoek. Ze begroeten mekaar alsof ze mekaar lang niet hebben gezien en nemen plaats aan houten tafels. Wanneer de zaal tot rust is gekomen en het belsignaal weerklinkt schakelt Fritz Kothner demonstratief zijn gsm uit, tot grote hilariteit in de zaal. Grappiger dat dit zal Wagner wellicht nooit worden. Dan komt een verantwoordelijke van de Staatsoper vragen om steun voor de gestrandde vluchtelingen in Berlijn.
De hele prelude lang staren alle actoren ons aan om zich dan vliegensvlug een halve toer de draaien wanneer de ruimte muteert tot de Katharinenkirche en een kruis is afgedaald vanuit de toneeltoren. Het geflirt in de kerk tussen Eva en Walther maakt een goede beurt en de voorstelling komt mooi uit de startblokken. Wat volgt boeit echter maar zelden ondanks de zeer gedetailleerde acteursregie.

Stefan Rugamer speelt een harkerige David, Kwangchul Youn is weer zijn saaie zelf. In Bayreuth laten ze hem rollen zingen waarvoor hij de natuurlijk autoriteit niet bezit. Hier sloeg zijn vibrato regelmatig aan het flakkeren. Markus Werba speelt Beckmesser als Jerry Lewis in "The nutty professor", aanvankelijk niet overtuigend maar gaandeweg gaat hij meer en meer fascineren.

Eén man beheerst het hele eerste bedrijf, en eigenlijk ook het hele stuk. Vocaal en scenisch overtroeft hij iedereen op het toneel. De verrassing is dat het Klaus Florian Vogt is die al deze aandacht weet op te eisen. Hij speelt Walther als een James Dean met wilde manen. Wat hij mist aan baritonaal timbre maakt hij goed met een geweldige projectie. Niemand op het toneel doet hem dat na. Hij is de enige die echte vocale zinnelijkheid in zijn voordracht weet te leggen en dat ondanks zijn knapentimbre. De registerovergangen neemt hij probleemloos. Als Lohengrin begonnen we hem grondig beu te worden. Eerder dan te bewijzen dat hij als heldentenor nog potentieel heeft in het Wagnervak bewijst hij hiermee dat Walther een partij is die het zonder baritonaal timbre kan rooien. In Bayreuth zal hij als Parsifal door zijn goed gefocusseerde stem en opzienbarende projectie een publiekslieveling blijven maar uiteindelijk grandioos mislukken.

Het tweede bedrijf verlegt de actie naar het dakterras van Sachs. Pogner en Sachs zien we in grote neonletters. Dat de ceo van de schoenenfabriek Sachs de schoenlappersschort aantrekt lijkt vreemd maar het stoort helemaal niet. Van de radeloze Beckmesser kan je alles verwachten : uit een kist met opschrift "Theaterkunst" diept hij een middeleeuws minestrelenpak op en verkleedt zich daarin voor zijn standje.

De "Prügelfuge" laat wat van de fauna van het hedendaagse Berlijn zien: punkers en voetbalhooligans maar ook een zenboeddhist die rustig mediteert in een hoek en een Chassidische jood die zich met een boekentas angstig een weg baant door het beeld. Syrische vluchtelingen schitteren door hun afwezigheid. Ook de nachtwachter deelt in de klappen.

Even leek deze overkokende wereld een metafoor voor het huidige Europa: een samenleving die probeert te leven volgens afgesproken regels en mekaar in de haren vliegt van zodra de regels niet meer lijken te passen.

Het is wachten tot het derde bedrijf alvorens de productie helemaal opveert. Dat was ook al zo in Salzburg. Barenboim heeft met zijn uitmuntend spelende Staatskapelle tijdens de prelude nog maar net een grijsfluwelen sluier van Maya over het stuk gelegd of Koch stelt teleur in de Wahn-monoloog. Het duet met Walther wordt opnieuw gered door Vogt. Werba levert zijn beste prestatie in de Beckmesser-pantomime en het duet met Sachs. Dan volgt het hoger geciteerde duet. Julia Kleiter voert het magistrale quintet "Selig, wie die Sonne" aan met alle vereiste sopranenzaligheid.

De feestweide oogt fantastisch met een beeld van het Berliner Stadtschloss op het achterdoek, suggestief belicht waardoor het bijna 3D-contoeren krijgt. Het is het oude slot van de Hohenzollern, momenteel in heropbouw, slechts op enkele stappen van de Staatsopera gelegen, dat de werken aan de boulevard "Unter den Linden" moet afronden tegen 2019.
Twee oliesjeiks en een bodyguard hebben plaatsgenomen op de tribune samen met de meesterzangers. Beckmesser maakt een erg slechte beurt en na zijn mislukking zien we hem niet meer terug. Een catharsis is voor hem door de regisseur niet weggelegd.

Grote delen van Wolfgang Kochs voordracht waren saai, vooral door een te geringe projectie, maar ook door een gebrek aan persoonlijkheid. Hij zat zich begrijpelijkerwijs te sparen voor het derde bedrijf. In zijn finale monoloog laat hij dan ook het beste van zich horen. Hij heeft zich inmiddels ook in een pak gehesen en komt nu eindelijk voor de dag als een volksmenner met een natuurlijke autoriteit. Opmerkelijk is dat wanneer Sachs het in zijn rede over "welschen Dunst mit welschem Tand" heeft, er op de achtergrond met rijksvlaggen wordt gezwaaid. Hij doet onmiddellijk teken om daarmee te stoppen. De oliesjeiks hebben ondertussen verschrikt het hazenpad gekozen. In tegenstelling tot linkse wereldverbeteraars als Peter Konwitschny en Hans Neuenfels wordt het stuk door Andrea Moses niet stil gelegd noch bekommentarieerd. Zij laat de gewraakte passage klinken zoals ze door Wagner is bedoeld, met name als een veroordeling van oikofobie, een fenomeen waar we in Vlaanderen ook zeer vertrouwd mee zijn. Een groene Tom Lanoye-bril op de neus van Walther had de voorstelling voor mij helemaal af gemaakt.

Het koor presteerde voortreffelijk al kon het met "Wach auf" scènisch niet in dezelfde mate overweldigen als in Salzburg.

Oude dinosaurussen als Siegfried Jerusalem (75), Graham Clarke (74), Franz Mazura (91), Reiner Goldberg (75) zorgden voor een leuke stunt. Als "grumpy old men" met een hoog Statler en Waldorf-gehalte laten ze zich inpakken door het nieuwe. Het leverde enkele hilarische momenten op.

Daniel Barenboim nam de prelude in een vlot tempo en kon de spanning moeiteloos opvoeren tot zijn jubilerende hoogtepunt. Dynamisch had hij dit keer alles onder controle. Niemand van de solisten werd weggedrukt in het klankbeeld. Waarom was hem dat bij Parsifal niet gelukt? Vooral Wolfgang Koch, die de Flieder-monoloog en de Wahn-monoloog onvoldoende luister bezorgde, kon rekenen op zijn attente directie. De fanfares op de feestweide klonken perfect en de akoestiek van het Schillertheater bleek goed genoeg om alle details van het orkest onvervormd in de zaal te projecteren.

Het volgende rendez-vous met "Die Meistersinger von Nürnberg" is in München onder de leiding van Kirill Petrenko en in de regie van David Bösch.

vrijdag 24 april 2015

Kasper Holten met LOHENGRIN in Berlijn (***½)


THE DARK KNIGHT RISES

In Moskau had hij het werk al eens in scène gezet met Putin als Lohengrin en Medvedev als Gottfried. Lohengrin voorzien van een politiek tintje lag dus binnen de verwachtingen maar waar Kasper Holten naartoe wilde met deze conventionele voorstelling is niet duidelijk. Hij neemt Wagner zo letterlijk dat je denkt dat het pure ironie is en hij er elk moment een verrassende twist aan zal geven. Maar dat gebeurt niet. In het programmaboek beweert hij in Lohengrin een machtspoliticus te zien, even cynisch als Ortrud, een manipulator die zich door de oorlogssituatie onmisbaar tracht te maken voor het volk van Brabant. Holten had met zijn lezing van het stuk graag uitgekomen in de buurt van Anselm Kiefer en David Lynch. Ja, dat had ik ook wel gewild maar het bleef bij een wensdroom. Zijn zwaneridder is weinig meer dan een gevleugelde vredesengel en de productie ziet eruit als een repertoirevoorstelling uit de jaren 1950. Op het vlak van stagecraft en acteursregie scoort deze productie zondermeer slecht, althans in deze herneming drie jaar na de première. Er waren ook heel wat conventionele gebaren te zien en de behandeling van het koor was fantasieloos. Ik mag hopen dat zijn Meistersinger voor Londen, waar hij de grootste moeite lijkt te ondervinden om een frisse wind door Covent Garden te jagen, in seizoen 2016-2017 van een ander kaliber zal zijn.

De ouverture klonk als een requiem, opgedragen aan alle gesneuvelden uit de krijgsgeschiedenis. We zien een komeet zweven door de lucht. Vrouwen gaan op zoek naar hun geliefde op het slagveld. Bij het orchestraal fortissimo schreeuwt één van de weduwen het uit. Het is het beste dat we deze avond te zien zullen krijgen ook al is het eerder knullig uitgevoerd.

Geblinddoekt wordt Elsa naar haar proces gevoerd. De beul maakt reeds zijn opwachting. Wanneer Lohengrin de blinddoek verwijdert, schrikt ze. Blijkbaar had ze zich haar redder anders voorgesteld. Groene TL-lampen bepalen de sfeer van het tweede bedrijf. Voor Waltraud Meier en John Lundgren is dat voldoende voor een pakkend duet. De Münsterkerk krijgen we te zien als een projectie, in een gouden lijst als van een schilderij. Heel erg kitsch. Na het stellen van de verboden vraag transformeert het bruidsbed zich in een marmeren sarcofaag waarop Elsa het lijk van Gottfried legt. Wie heeft hem vermoord? Dat komen we niet te weten. Holten lijkt te suggereren dat Lohengrin misschien helemaal niet zal vertrekken en de dood van de "Schützer von Brabant" zal aangrijpen om zichzelf onmisbaar te maken. Dat had kunnen werken als hij ons in de loop van het stuk aanwijzingen had gegeven van zijn manipulatieve talent. Maar dat deed hij niet.

Klaus Florian Vogt kon behoorlijk veel respect afdwingen met zijn bijzonder gave voordracht. Zijn techniek moet zeer goed zijn want na al die jaren zit er nog steeds geen sleet op. Het vibrato is perfect, de articulatie kristalhelder, de pianopassages spint hij als zijden draden en toch projecteert hij ze moeiteloos in het auditorium. Dat ik zijn voordracht ooit als lammetjespap omschreef heeft dan ook niets te maken met de kwaliteit van zijn emissie maar met gebrek aan viriliteit. Wanneer hij zijn laatste monoloog "In fernem Land" aanheft begint toch een zekere vermoeidheid in te zetten. Ook in het gemoed van deze luisteraar want, hoewel het een kwestie van smaak is, viriel klinkt dit allemaal niet en op de duur gaat zijn androgyne voordracht frustreren. Een collega van Opernwelt formuleerde het zo : "Legt man die bisherigen Gesamtaufnahmen zugrunde, ist er einer der fünf wichtigsten Lohengrin-Sänger der Schallplattengeschichte (neben Franz Völker, Lauritz Melchior, Sandor Konya und dem jungen Peter Seiffert). Nicht so sehr, weil Vogt Wagner mit einer Mozart-Stimme singt. Sondern weil er inzwischen knabenhafte Leichtigkeit mit metallischem Schmelz zu verbinden weiß". Dat laatste is correct maar wat voor zin heeft het Vogt op één lijn te stellen met de onvergelijkbare baritonaal getimbreerde heldentenoren uit het verleden?

Waltraud Meier weet haar krachten goed te doseren om met maximaal effect in haar rol te komen op de momenten die ertoe doen. Zo kan je van een heel aanvaardbare prestatie spreken ook al dreigde het vibrato regelmatig te ontsporen. Haar Gott-uitroep in het tweede bedrijf deed ze schitterend.

Anja Harteros legde een minder vlekkeloos parcours af dan verwacht. De registerovergangen waren soms wat slordig. In het finale duet met Lohengrin haalt ze niet het niveau van München omdat de tamme enscenering veel minder emoties oprakelt en Vogt een minder boeiende sparringpartner is als Jonas Kaufmann.

John Lundgren bezit een markante bariton en zong een heel aantrekkelijke Telramund. Hij had nog net iets boeiender kunnen articuleren.

Voor Gunther Groissböck, een zanger die ik na zijn voortreffelijke Ochs in Salzburg meer en meer ben gaan appreciëren, valt de partij van koning Heinrich een tikkeltje te laag uit. Dat is vooral merkbaar tijdens het Gottesgericht maar houding en articulatie waren voortreffelijk.

Bastiaan Everink was een geschikte Heerrufer. Het koor presteerde voortreffelijk.

Voor alle solisten was de balans met het orkest door Donald Runnicles steeds gegarandeerd. De fanfare van het tweede bedrijf werd mooi opgebouwd, die van het derde bedrijf maakte extra indruk door de inzet van trompetten vanuit de zijloges. De tempi waren soms erg vlot, zoals de prelude tot het derde bedrijf.

Voor oudere recensies van Lohengrin, klik hieronder op het label Lohengrin