Posts tonen met het label De Munt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Munt. Alle posts tonen

vrijdag 20 april 2018

Olivier Py met Lohengrin in Brussel (****)

Eric Cutler als Lohengrin
© Baus | De Munt
NACHT ÜBER BAYREUTH

Het was alweer 28 jaar geleden dat Lohengrin nog eens op de planken van De Munt had gestaan. Die verwaarlozing contrasteert met het onverdeeld enthousiasme waarmee het stuk in 1870 voor het eerst in Brussel werd onthaald, een evenement dat een mijlpaal betekende voor het wagnerisme in ons land. In het programmaboek herinnert John Deathridge eraan dat De Munt het eerste operahuis was dat in de slipstream van de première in Weimar het werk in 1850 reeds wilde opvoeren. Het project mislukte en kwam 20 jaar later pas van de grond.

Vindt men in de Duitse romantiek de wortels van het nationaal-socialisme? Het is een vraag waar Olivier Py mee zit en die hij 5 minuten lang zal toelichten in de zaal terwijl Alain Altinoglu staat te trappelen om de opmaat te geven voor Wagners meest politieke opera. In die korte toelichting gaat het om Wagners antisemitisme en zijn Duitsnationalisme, om Winnifred Wagners collusie met Hitler, en om de opera zelf met zijn messianistische boodschap waarin een zekere Adolf Hitler zich leek te herkennen.

De vraagstelling is legitiem maar ik vind ze weinig interessant al was het maar omdat Adolf Hitler de eerste was om te beweren dat de romantische verlangens van denkers en kunstenaars in het nationaalsocialisme in vervulling zouden gaan. Maar, zo zegt Rüdiger Safranski in “Romantiek: een Duitse affaire”, de ideeën van Hitler waren allesbehalve romantisch. Ze kwamen uit de gevulgariseerde, moreel verwaarloosde en tot ideologie verworden natuurwetenschappen: biologisme, racisme en antisemitisme. Hitler zelf beroemde zich graag op zijn “wetenschappelijke” wereldbeschouwing. In Mein Kampf heeft hij aan een paar racistische en sociaaldarwinistische premissen genoeg om moorddadige conclusies te trekken. Met de romantiek heeft dit alles niks te maken. Overigens spijsde het nationaalsocialisme zich aan veel verdachtere bronnen : het is genoegzaam bekend dat de hele machtselite van het Derde Rijk zich intensief bezig hield met de esoterische stromingen van de 19e eeuw (theosofie en ariosofie) en met neo-gnostische mystiek.

Zoals Hitler zich nooit op Wagner heeft beroepen ter legitimatie van zijn antisemitisme, allicht omdat Wagners jodenkritiek veel te soft was, zo hebben de nationaalsocialisten de historische romantiek steeds te zwak bevonden als politieke krachtbron. Voor Joseph Goebbels moest de romantiek als cultureel erfgoed in ere worden gehouden maar voor het heden was een andere dan de historische romantiek vereist, een “stalen romantiek” zoals hij haar in een programmatische redevoering bij de installatie van de Reichskulturkammer op 15 november 1933 noemt: “een romantiek die zich niet voor de harde kanten van het bestaan verschuilt of daar in blauwe verten aan tracht te ontkomen - eerder een romantiek die de moed heeft de problemen tegemoet te treden en ze zonder een krimp te geven recht in de meedogenloze ogen te kijken.”

Mijn voornaamste bezwaar tegen Olivier Py's vraagstelling is dat het alle nationalisme en het begrip natiestaat opnieuw in een slecht daglicht stelt terwijl de politieke realiteit van vandaag, als gevolg van de massale migratieproblemen, blijkt geeft van een tegenovergestelde dynamiek. Daarmee heeft Py een voorstelling afgeleverd op maat van de Angela Merkels en de Herman van Rompuys van deze wereld. Alsof het opheffen van de natiestaten ten voordele van een supranationale staat als de EU een garantie zou zijn voor wereldvrede. Eén psychopaat als Adolf Hitler volstaat om die stelling met overtuiging te ontkrachten. Op het wereldtoneel van vandaag zijn de psychopaten binnen de machtselites op twee handen niet te tellen.

In de pauze zal Py verklaren in Wagner geen proto-nazi aan te treffen die ons zijn wereldbeeld opdringt. Eerder is hij een leverancier van complexe raadsels waar wij vrij mee kunnen omspringen. Maar Lohengrin is wel het zwartste stuk dat hij ooit op het toneel heeft gebracht. Dat ligt dan ook wel voor het grootste deel aan hem zelf. Ook voor de toeschouwer is het geen vrolijke, eerder een vermoeiende zit. Op geen enkel moment laat hij je geloven in Elsa’s of Lohengrins droom. Hun huwelijksgeluk (“Es gibt ein Glück”) raakt nog voor geen moment op de rails, de hele voorstelling lang drukt het Stunde Null-decor van Pierre-André Weitz alle romantiek de kop in. Het is een prachtig decor, uiteraard in de geijkte kleuren, zwart, grijs en antraciet. Het houdt het midden tussen een verwoest theater en de nieuwbouw van de Gedächtniskirche in Berlijn met zijn kleine ruitjes. Het staat op een draaitoneel en zal heelwat rondjes draaien. Talrijk zijn de momenten waarop het koor zal plaatsnemen als op een tribune aan de binnenzijde van het gebouw.

Elena Pankratova als Ortrud
© Baus | De Munt

De Heerrufer is master of ceremonies en Werner Van Mechelen speelt hem als een stijfdeftige, hoge ambtenaar in rokkostuum uit de Weimarperiode. Hij stuurt de gebeurtenissen meer dan de ruggegraatloze koning-marionet met zijn kroontje van karton. Met een ouderwetse reflexcamera schiet hij plaatjes van uitgelezen momenten. Een zwaan is er niet te zien. Wel een Lohengrin die met Gottfried op zijn schouders speelt als een jonge vader. Met het personage Gottfried speelt Py overigens een vreemd spel: hij laat hem spoken doorheen het hele stuk, spelend met vliegtuigjes, de koning zijn kroon ontfutselend en wandelend door de ruïnes als de knaap in Rossellini’s “Germania Anno Zero”. Het duel Lohengrin/Telramund wordt beslecht met een partijtje schaak, de agressie die uit de partituur opklinkt illustreert een straatgevecht tussen tuig met witte en zwarte hemden.

Ortrud krijgt tijdens “Entweihte Götter” een ceremonieel nazi-attribuut in de handen. Op andere momenten tekent ze heidense symbolen op een doek. Tijdens de fanfaremuziek krijgt Lohengrin een harnas aangemeten. Krijgt hij een mitraillette in de handen gestopt, loopt hij kwaad weg. Er is geen processie naar de domkerk. In plaats daarvan zien we vrouwen die mekaar zware zinken emmers doorgeven. Zijn ze puin aan het ruimen? Dat ruïnes erg mooi kunnen zijn toont de finale van het tweede bedrijf : het gebouw splitst zich nu in twee en toont een oorlogssite na een bommentapijt als in Dresden. Een maquette van een Griekse tempel daalt uit de toneeltoren. Om de rare smaak op het vlak van architectuur van de nazi’s te tonen?

Nog voor de aanvang van het derde bedrijf schrijft de Heerrufer met krijt een gedicht van Paul Celan op het achterdoek. De centrale zin daarin is “Der Tod ist ein meister aus Deutschland”. Het moet bij aanwezige Duitsers in de zaal de wonde van het oorlogstrauma nog eens geopend hebben. De prelude zelf wordt opgeleukt met een danser/acrobaat met blote torso die viriele poses aanneemt zoals we die kennen uit de nazi-beelden van sportatleten. De choreografie op zich is niet zo geweldig maar de danser is een echte acrobaat. Het scenografisch hoogtepunt van het derde bedrijf voltrekt zich in Elsa’s bruidskamer. Die is verdeeld in 9 compartimenten waarin beelden of verwijzigen te zien zijn van Wagners romantische partners in crime: Novalis, Weber, Hölderlin, Grimm, Heine, Hegel, Schlegel, Schiller, zelfs Goethe heeft het pantheon vervoegd van de verdachte kunstenaars. Even waant men zich in het circus wanneer Lohengrin zichzelf een 20-tal kronen opzet tijdens “In fernem Land”. De finale onthult het lijk van Gottfried. Voor wie het was ontgaan : de knaap werd in het eerste bedrijf door Ortrud met een kussen versmacht. Een pessimistischer einde heeft Lohengrin wellicht nooit gekend.

Zoals Eric Cutler zijn entree-aria “Mein lieber Schwann” met een warme, gave stem zong, dat was veelbelovend, de rest was dat veel minder. De stem klinkt nooit helder, beschikt over geen fraai timbre, straalt niet en projecteert matig. Geen enkele dramatische passage lijkt hij te kunnen zingen met enige reserve. Naar mijn gevoel gaat hij deze partij niet lang zingen. Gabor Bretz was een zwakke koning Heinrich, zonder gravitas en met een vermoeiend timbre. Ingela Brimberg als Elsa, kan de meeste dramatische passages indrukwekkend gestalte geven maar voor de rest is haar voordracht eerder problematisch: beheerst, gedifferentieerd en boeiend wordt het nooit.

Elena Pankratova als Ortrud is de meest zinnelijke vocaliste van de avond. Ze zingt de partij met een volheid van stem die Waltraud Meier ons, ondanks haar intelligente omgang met haar partijen, nooit heeft kunnen bieden. Op dit moment ken ik slechts één dramatische sopraan die beter doet: Anna Smirnova. Het duet met Telramund is het vocale hoogtepunt van de avond al kan deze laatste zich niet meten met zijn vrouwelijke sparringpartner. Telramunds monoloog heeft meer te bieden dan Andrew Foster-Williams eruit haalt. De stem is helder maar de partij wordt pas echt boeiend met een groter dynamisch en interpretatief nuanceringsvermogen. Werner van Mechelens Heerrufer was mooi en helder gearticuleerd en bekoorde door een mooie projectie.

Alain Altinoglu is een echte aanwinst voor De Munt. Dat demonstreerde hij al met brio tijdens Dialogues des Camélites, nu echter ook met Wagner met zijn zeer verschillende dynamische en agogische vereisten. Een even grote beheersing van het notenmateriaal liet het orkest horen tijdens de romantische bladzijden van “Es gibt ein Glück” als tijdens de massieve koorpartijen. De fanfares klonken zowel uit de zijloges als uit de coulissen en zorgden voor een mooi ruimtelijk effect. Zowel het mannen- als het vrouwenkoor verkeerde in bloedvorm.

De bruidskamer (3e bedrijf)
© Baus | De Munt

zondag 26 maart 2017

Christophe Coppens met Het Sluwe Vosje in Brussel (***)

Vincent Le Texier (Harasta) & Lenneke Ruiten (Foxie)
© Bernd Uhlig
ALLES VAN WAARDE IS WEERLOOS

"Ik heb Spitsoortje geschreven voor het woud en voor de droefheid van mijn late jaren" schrijft Janacek aan zijn muze Kamila Stösslova. Dat woud is het magische kader waar mens en dier tot de liefde worden geïnspireerd. De muziek die Janacek voor zijn vrolijk-melancholische dierenfabel bedacht, luistert naar die natuur. Ze zit vol ongeduld en spreekt van seksueel verlangen. Het animale in de natuur werkt erotisch prikkelend voor de mensen (een boswachter, een schoolmeester, een pastoor, een stroper). Allen zijn ze in de ban van de wilde en onweerstaanbare, maar afwezige zigeunerin Terynka. Een opvoering van Het Sluwe Vosje die daar niet op focusseert is zinloos. Ook het aspect dans mag niet ontbreken. Uit aantekeningen die Janacek maakte weten we dat hij een deel van de opera van bij het begin als een ballet zag.

"In onze huidige, meer en meer vertrumpte, wilderse wereld is er nog weinig plaats voor naïeve en nostalgische droomwerelden", zo lezen we in het programmaboek, daarbij twee merkwaardige neologismen introducerend in de Nederlandse taal. Laat dat nu uitgerekend datgene zijn wat geheel ontbreekt in deze slaapverwekkende adaptatie van de als operaregisseur debuterende hoedenmaker Christoph Coppens. Dat de regisseur de dierenwereld uit het stuk weert en het Vosje opvoert als een vrijgevochten avontuurlijke jonge vrouw is niet zozeer het probleem. Het is in de uitwerking dat hij faalt. De humor van Coppens is puberaal (zoals de "Fuck You"-borden bij het verdrijven van de das), zijn pogingen tot choreografie van een 30-tal jongeren zijn die van een dilettant, het kunstgevoel waarmee deze productie is ontworpen is die van een provinciaal.

Janaceks woud is vervangen door een polyvalente dorpsloods. De boswachter is een security guard. Links zien we zijn bureau met wel 9 videoschermen, rechts een cafetaria. Allemaal uiterst banaal. In het cafetaria speelt de door Geoff Dunbar als instapopera voor kinderen bedoelde animatiefilm van het Sluwe Vosje. Later zullen we ook niets ter zake doende flitsen te zien krijgen van de politieke vijanden van de regisseur : Trump en Wilders dus. Praalwagens voor een stoet ter ere van de natuur rijden het hele stuk door af en aan. De dieren ruimen baan voor adolescenten van Generatie Z. Hun feestdrukte staat haaks op de broeierige sfeer van het woud die Janaceks muziek oproept en waarin hij zelfs libellen een plaats geeft. De boswachter is een saaie ambtenaar, van erotische spanning met het Vosje is geen sprake. De volwassenen met hun seksuele obsessies krijgen nauwelijks profiel. De bruiloftsdans heeft niets van een climax, de charmante dans van de vossenjongen rond het lijk van een pluchen haas, verzandt in zaalgymnastiek.

Andrew Schroeder als de Boswachter heeft een stem die niet projecteert. Staat hij in het cafetaria dan is hij nog nauwelijks te horen. Lenneke Ruiten heeft wel de looks van het Vosje maar niet de stem. De stem projecteert onvoldoende en in de hoogte produceert ze al snel een schreeuwerig schril geluid. Eleonore Marguerre als de Vos presteert aanzienlijk beter maar het liefdesduet van de Vos en het Vosje stelt uiteindelijk weinig voor. John Graham-Hall als de Schoolmeester zorgt voor het enige lichtpunt in de voorstelling : tijdens zijn tête-à-tête met de zonnebloem laat hij horen hoe Janacek, vocaal en interpretatief, hoort te klinken. Vincent Le Texier als Harasta is de tweede man op het toneel met een klinkende stem maar zijn personage als pickpocket is nietszeggend.

De jonge dirigent Antonello Manacorda kon mij niet over de hele lijn overtuigen. De melancholie van de eerste prelude alsook het onheilspellende van de prelude tot het derde bedrijf wist hij goed te treffen. Minder geslaagd waren de passages waar ritmische precisie vereist is zoals de scène met de kippen of de dans van de vossenjongen. Wij horen hem graag eens terug in een voor hem meer vertrouwd repertoire.

vrijdag 10 februari 2017

Kirsten Dehlholm met Madama Butterfly in Brussel (***)

Alexia Voulgaridou als Cio-Cio San
© Clara Baus

DAS SCHIFF? SIEHST DU'S NOCH NICHT ?

De première van Madama Butterfly, gehouden op 17 februari 1904 in de Scala van Milaan, was een regelrecht fiasco. De voorstelling haalde weliswaar het einde maar ging roemloos ten onder in een pandemonium van geroep, gefluit, gelach. Puccini was in shock. Nooit voordien had hij zoveel vertrouwen gehad in het succes van een nieuwe opera. Hij had er, naar eigen zeggen, met hart en ziel aan gewerkt en beschouwde het als zijn modernste werk. Bovendien had hij een toporkest en topsolisten ter beschikking en aan het einde van de generale repetitie had het orkest hem nog gevierd met een staande ovatie.

In het programmaboek van De Munt schetst Mary Jane Phillips-Matz de omstandigheden van de première maar zwijgt merkwaardig genoeg over de ware toedracht van het débacle: vijanden van Puccini hadden een claque ingehuurd om de voorstelling te boycotten. Wie de aanstokers waren, daarover bestaat geen consensus. Was het Alberto Franchetti, de rijke joodse baron, componist en rivaal van Puccini, ook wel de Italiaanse Meyerbeer genaamd, die verbitterd was over het feit dat Giulio Riccordi binnen zijn uitgeversbedrijf telkens weer de voorkeur gaf aan Puccini? Was het Edoardo Sonzogno, Riccordi's rivaal, tevens uitgever van Il secolo dat s'anderendaags reeds de opera voor dood verklaarde? Puccini trok zijn opera terug, reviseerde hem en scoorde er drie maanden later een hit mee in Brescia. Van Franchetti werd nog weinig vernomen, Puccini daarentegen kon zich met de royalties van zijn nieuwste succesopera al snel een yacht kopen.

Het beste bewijs voor de boycot is dat Puccini voor de revisie voor Brescia geen echt ingrijpende zaken heeft gedaan. Hij knipte het tweede bedrijf, dat volgens tijdgenoten veel te lang was, in twee. Het duurde nochtans slechts anderhalf uur maar zelfs Toscanini was van mening dat dat misschien goed was voor Wagner maar niet voor Puccini. Voor de rest knipte hij in de grovere, racistische uitlatingen van Pinkerton en voegde hij de aria "Addio, fiorito asil" toe die hem op het eind wat menselijker maken. Het moet zeker interessant zijn om die oerversie eens te horen. Ze werd onlangs bij Casa Riccordi uitgegeven en Riccardo Chailly heeft er in december het lopende seizoen van de Scala mee geopend, tot ongenoegen van de erven.

Hoedanook, de "tragedia giapponese" van de 15-jarige Cio-Cio San is en blijft in alle omstandigheden hartverscheurend. Daar kan deze miskleun van Kirsten Dehlholm niets aan veranderen. Scenisch geeft ze de rol van Cio-Cio San aan een pop met een porseleinen wit gezicht. "De pop bezit een enorm expressief potentieel waarmee ze alle gevoelens die aanwezig zijn in Cio-Cio-Sans verhaal op een heel eenvoudige wijze kan uitdrukken. Het wordt zoveel echter wanneer ze een beetje het hoofd beweegt, de armen licht uitstrekt. We zien wel dat ze aangestuurd wordt door drie poppenspelers, maar we vergeten dat snel. Wij zijn ontroerd." Aldus Dehlholm. Mijn snurkende buren in het auditorium van het Muntpaleis waren niet onder de indruk van deze toegeving aan het Japanse bunraku-theater. Nog straffer wordt het wanneer theaterrecensente Monna Dithmer schrijft : "Een zwijgende Madama Butterfly is echter niet genoeg. Ze krijgt een dubbelganger in de gestalte van de soliste die op het voortoneel staat en de partij zingt". Alsof de solist bijzaak is! Meestappen in dit postmodern scenario van deconstructie is mij helaas onmogelijk.

Van enige connectie tussen levende acteurs en een ontzield personage als een pop kan geen sprake zijn en al helemaal geen erotische spanning tussen het liefdeskoppel. Hoe zou dit kille ritueel dan op het publiek kunnen overslaan? Dehlholm laat Pinkerton ook geen moment uit zijn rol stappen als racistische macho-Amerikaan, waardoor zijn personage menselijker en interessanter had kunnen worden. Ze bleek ook niet in staat om hem die vervelende, stereotiepe handgebaartjes af te leren. Zelden heb ik zo'n waardeloze acteursregie aangetroffen in een operatheater.

De japonaiserieën van Maja Ziska (decors) en Henrik Vibskov (kostuums) beperken zich tot een zwevende dakconstructie van een pagode, carnavaleske guirlandes en spuuglelijke origami-kostuums voor de figuranten. Het is wachten op "Un bel di vedremo" alvorens de vlam in pan slaat. De scène valt volledig stil en de voorstelling wordt de facto concertant. Het is nu aan de solist om het mooie weer te bepalen. Meteen is het failliet van deze mise-en-scène aangetoond. Dat het publiek na deze aria de pauze wordt ingestuurd is verdedigbaar. Immers, zo kan de nachtwake van Butterfly mooi uitdijnen en het neuriënd koor naadloos overgaan in het intermezzo.

Beterschap valt nauwelijks te noteren in de rest van het tweede bedrijf en derde bedrijf. Het gezwaai met bloemen gaat al snel vervelen tijdens het bloemenduet. Het enige lichtpunt is de uitgesponnen nachtwake, met het magnifieke neuriënd koor. Videoprojecties op twee ronde schermen tonen een naderend schip, alsof we samen met het slachtoffer hoopvol door een verrekijker turen. Heel aardig. Dat de boot een luxe pakketboot is en geen oorlogsschip is een mooie uitvergroting van Butterfly's naïef-romantische American dream.

De meest ergerlijke rekwisiet is Butterfly's zoontje "Dolore", een pop die tijdens de finale maten tot een metershoge bibendum variant wordt opgeblazen. Hopelijk zal hij, zo denk je dan, na alle fratsen van zijn vader,"America great again" maken.

Als de voorstelling dan toch nog overeind bleef dan kwam dat door het muzikale luik.

Marcelo Puente als Pinkerton beschikt niet over de heldere tenor die je zou wensen. Alles klinkt duister en zonder glans, regelmatig lijkt hij zich te forceren. Niets gaat zonder moeite. Het is een stem die we binnen enkele jaren weleens op het kerkhof zouden kunnen aantreffen. Aris Argiris als Sharpless laat een mooi timbre horen. Dat zijn voordracht desondanks saai en karakterloos blijft wijt ik aan de productie. Het is pas in het derde bedrijf dat hij zijn potentieel enigszins ontplooit. Alexia Voulgaridou als Butterfly maakt de beste beurt. Met de ogen toe zou je denken met Angela Gheorgiu te maken te hebben. Dynamisch differentiëren doet ze onvoldoende maar ze heeft alles in huis voor de lirico-spinto die hier vereist is. Met "Un bel di vedremo" trekt ze alle aandacht naar zich toe en naarmate de avond vordert leeft ze zich meer in in haar rol. Het grote zakdoekmoment van de finale levert ze af met brio.

Roberto Rizzi Brignoli danst met zoveel gusto doorheen de partituur dat het lijkt alsof deze muziek zijn tweede natuur is. Het orkest laat hij meestal vlotte tempi nemen maar anderzijds weet hij ook heel spanningsvol om te gaan met de erg langzame delen van het werk zoals de muziek tijdens de nachtwake. Van het intermezzo maakt hij een orkestraal hoogtepunt en van de ijzersterke finale niets minder dan een adrenalineshot. Hem zien we graag terug.

Deze productie is ook te zien op het Opera Platform tot 7 maart.


woensdag 18 maart 2015

Seizoen 2015-2016 : De Munt-Brussel


Van de zomer 2015 tot de lente 2016 zal de Munt gesloten zijn voor verbouwingswerken. Het programma dat de Munt extra muros (Hallen van Schaarbeek, Koninklijk Circus) aanbiedt is het magerste in jaren. Is dit de gevreesde black-out waar Peter de Caluwe voor waarschuwde? Of alleen maar een tijdelijke afslanking en een artistieke pas achteruit vanwege de verplichte uithuizigheid? Reculer pour mieux sauter? Ik opteer graag voor het tweede.

1. Mark Grey - FRANKENSTEIN - Wereldpremière
Alex Ollé / Leo Hussain
Scott Hendricks, Malena Ernman, Andrew Schroeder, Robert Hayward, Sasha Cooke

maandag 2 maart 2015

JACOB LENZ in Brussel (****)

Foto: Bernd Uhlig/Oper Stuttgart

REQUIEM FÜR EINEN JUNGEN DICHTER

De dichter Jakob Lenz (1751-1792) was één van de belangrijkste theatervernieuwers van de vroege romantiek. In zijn toneelwerken "Die Soldaten" en "Der Hofmeister" voert hij mensen op die aan de rand van de maatschappij staan. Daarmee ging hij een stap verder dan Schiller, die als revolutionair gold omdat hij als eerste in Duitsland burgers op het toneel bracht. Kenschetsend voor zijn moderniteit is de vaststelling dat het tot 1965 zou duren voor zijn tekst "Die Soldaten" het voorwerp zou uitmaken van een operabewerking door Bernd Alois Zimmermann. Het is haast ondenkbaar dat Mozart, een tijdgenoot van Lenz, hem daarin zou zijn voorgegaan. Voor zijn vernieuwing heeft Lenz allerminst erkenning gekregen, meent regisseuse Andrea Breth.

In Weimar komt Lenz in aanvaring met de ongenaakbare literaire autoriteit van Goethe. Die beweerde dat hij een "ezelsstreek" zou hebben uitgehaald. Meer heeft Goethe nooit verraden over dit incident en de vriend wordt verdreven uit de literaire kring van Weimar.
Een mislukte poging om een verhouding te beginnen met Goethes ex-geliefde Friederike Brion verandert in een obsessie voor deze vrouw. Daarbij komt ook zijn schizofrenie aan het licht. Na lange tijd te hebben rondgezworven vindt Lenz, door de bemiddeling van Christoph Kaufmann, onderdak bij dominee Johann Friedrich Oberlin in het bergdorpje Waldersbach in de Vogezen. Het gezin verzorgt de doodzieke dichter, totdat hij weer vertrekt.

Georg Büchner beschrijft die periode bij de familie Oberlin uitvoerig in zijn novelle Lenz, waarbij hij zich vooral concentreert op de innerlijke gemoedstoestanden van de dichter. Het is een tekst die is neergepend met een directheid die geen dodenmasker verdraagt, zoals Volker Hagedorn het uitdrukt. Deze psychiatrische reconstructie van Büchner vormt op haar beurt weer de basis voor de compositie van Wolfgang Rihm, die zijn werk zelf beschrijft als een "ondoorzichtige, verwarde en gepassioneerde muziek", die Lenz' karakter tot in de diepste afgronden weet te raken. "Muziek moet vol emotie zijn", zo verklaarde Rihm, daar meteen ook aan toevoegend dat "emotie moet bol staan van complexiteit". Zo hoor ik een hedendaags componist graag spreken. Anno 1977 breekt de 26-jarige componist met de heersende spelregels van de post-seriële avant-garde en wordt hij één van de boegbeelden van wat musicologen "die Neue Einfachheit" zijn gaan noemen en die ook het minimalisme van Philip Glass omvat, zij het met totaal verschillende stijlmiddelen. Rihm grijpt eerder terug naar het classicisme en dirigent Franck Ollu hoort er citaten in van Schubert, Bach, Berg en Nono.

Bedoeld voor 3 protagonisten, een zesstemmig vocaal ensemble en een kamerorkest is Jacob Lenz opgebouwd uit dertien scènes met telkens een kort tussenspel. Ongetwijfeld stond Alban Bergs Wozzeck weer maar eens model. In de orkestbak treffen we aan : 3 cello's, 2 hobo's, basclarinet, fagot, trompet, trombone, clavecimbel, en een uitgebreide set percussieinstrumenten. Jacob Lenz beleefde zijn première in Hamburg anno 1979 en is puur statistisch gezien één van de meest succesvolle naoorlogse opera's.

Jacob Lenz is het psychogram van een dichter die vanuit een diepe frustratie om artistieke redenen - het gebrek aan waarachtigheid in de kunst- en een persoonlijke reden -een onbeantwoorde liefde- een existentiële crisis doormaakt en zichzelf naar de afgrond voert terwijl de omgeving machteloos toekijkt.

Het scènebeeld van Martin Zehetgruber schakelt tussen een mosgroen burgerlijk interieur en een nachtmerrie-achtig natuurlandschap met rotsblokken en kabbelende beekjes die de dichter echter geen soelaas brengen.

Andrea Breth vindt dwingende beelden voor de claustrofobie van Lenz. Zo plaatst ze hem tussen de étagères van een leeggeroofde boekenkast. Alle literatuur is verdwenen, enkel de buste van Goethe kijkt toe.

Met de centrale, zesde scène, beleeft de voorstelling haar eigenlijk momentum wanneer Lenz een verhitte discussie voert met Kaufmann over kunst. Daarin vertelt hij dat hij de werkelijkheid wil beschrijven en niet alleen de schoonheid en hoor je de auteur van "Die Soldaten" aan het werk. Hoe Breth deze scène met enkel een gekantelde tafel in goede banen leidt is geniaal.

Sterk is ook de scène waarbij hij het dode meisje tot leven wil wekken en de ultieme scène waarbij hij, besmeurd met de eigen uitwerpselen, speelt met zijn waanzin. Voor Oberlin en Kaufmann is de maat dan vol. Er rest hem enkel nog de dwangbuis. Met zijn laatste woorden, de mantra "Konsequent", komt hij gevaarlijk dicht nabij. Want wie van ons, die leeft in de illusie geen prooi te zijn van de waanzin, wil niet consequent zijn?

Wat Georg Nigl in de titelrol presteert als zanger en als acteur, is fenomenaal. Hij vindt honderden nuances in deze veeleisende partij die hem niet alleen uitdaagt om te zingen maar ook om te spreken, te lachen, te huilen en elke expressieve nuance daartussen. Rihm toonde zich zeer opgetogen over zijn hoofdvertolker.

Eén van de zes Stimmen, die heel even in de rol van Friederike dook, liet heerlijke vocalises horen. John Graham-Hall vulde het licht hysterische personage van Kaufmann in met een voortreffelijke karaktertenor. Henry Waddington als Oberlin, een partij die eerder conventioneel klinkt, was ondanks een zwaar vibrato onvoldoende hoorbaar.

Het was de wens van Andrea Breth, die het project initieerde, om het werk in een grote ruimte te brengen. Kameropera of niet, het is een werk dat goed tot zijn recht komt in een grote ruimte, meent Breth. Het weet inderdaad een uitzonderlijke kracht te genereren, niet in het minst door het uitgebreide slagwerk. Daarvoor zal Franck Ollu in dynamisch opzicht één en ander hebben moeten aanpassen maar het werd een heldere lezing van deze fascinerende verklanking van een obsessie.

zaterdag 17 januari 2015

Don Giovanni in Brussel (via streaming)


GUESS WHO'S COMING TO DINNER (****)

Theaterliefhebbers onder u zullen zich ongetwijfeld nog de magistrale theatermarathons van "De Gebroeders Karamazov" en "De Meester en Margarita" herinneren in de Antwerpse Singel in de regie van Krystian Lupa, een theater dat dreef op filosofische en existentiële reflectie rond figuren in een gedehumaniseerde wereld. Krzysztof Warlikowski is gepokt en gemazeld in die school. Ook bij hem staat of valt de voorstelling bij de gratie van de acteur en Siegmund Freud laat hij steevast toekijken vanuit de coulissen. Dat Gerard Mortier en Peter de Caluwe een even grote fascinatie delen voor de Poolse regisseur heeft mij lange tijd verwonderd. Tot gisteren eigenlijk. Want tot mijn scha en schande moet ik bekennen alle (naar verluidt) geslaagde producties van Warlikowski in Brussel (Medea, Macbeth, Lulu) te hebben gemist terwijl de voorstellingen die ik wel zag (Parsifal, Koning Roger in Parijs) mij slechts fragmentrisch konden overtuigen. Met deze Don Giovanni zetten de Poolse regisseur en zijn team terug de puntjes op de i. Het resultaat is een masterclass in operaregie, die jammergenoeg geëclipseerd wordt door de middelmatige vocale prestaties van zowat alle solisten en het doorgaans kleur- en spanningsloos agerende orkest onder leiding van Ludovic Morlot. Afgaande op het lauwe applaus dat volgde na de registratie van 18 december meende het Brusselse publiek iets anders te hebben gezien.

De Don Giovanni van Lorenzo da Ponte is een libertijn in de zin van Markies de Sade, een vrijgeest voor wie alleen het natuurlijke instinct telt en het persoonlijk nastreven van eigen zinnelijk genot het eigenlijke doel is. Hij is tevens een product van de Verlichting. Tijdens het hoogtepunt van het feestje in het eerste bedrijf, wanneer hij "Viva la liberta!" aanheft, zou een regisseur vandaag gemakkelijk kunnen scoren door covers van Charlie Hebdo te laten aanrukken. Tot zulke anekdotiek laat Warlikowski zich zelden verleiden. Zijn omgang met de iconografie van onze tijd is doorgaans veel subtieler. Laat ik enkel het mooiste voorbeeld in deze productie aanstippen : om haar jaloerse verloofde Masetto te sussen en tegelijk te prikkelen laat hij de erg manipulatieve Zerlina "Vedrai, carino" zingen als een go-go girl, uitgerust met plateauzolen en een koptelefoon om de hals, heupwiegend op een table dance podium in het uitbundige schijnsel van een gele discospot, een scène die door de camera's van Bel Air dankbaar in ontvangst wordt genomen. Met de spanning die hij daarmee creëert tussen een 18e eeuws muzikaal gegeven en de uitgaanscultuur van onze tijd wekt hij een huivering op die recht naar het hart gaat van hedendaagse operaregie.

Maar de kern van Don Giovanni's bestaan draait rond zijn ontembaar libido en de fascinatie die vrouwen daarvoor koesteren. Zowel mannen als vrouwen kunnen zich met het personage identificeren. Aldus ontstaat een mythe. Bij Warlikowski is dat niet anders. Hij laat het 18e-eeuwse gegeven alleen afglijden naar de ziekelijke decadentie van onze tijd. Moest Don Giovanni in de context van het ancien régime wegens zijn bandeloosheid naar de hel, hier gaat hij ten gronde aan zijn eigen onbevredigbare obsessie met sex. In een tijd waarin zelfs priesters wegkomen met het sexueel misbruiken van kinderen kan Don Giovanni niet meer naar de hel worden gestuurd. De ijskoude hand van de stenen gast in de finale nemesis is in de lezing van Warlikowski niets meer als een katalysator voor het onafwendbare proces waarmee hij zichzelf tot zelfmoord drijft. Honderd jaar later zal Richard Wagner daar met Parsifal een antwoord op trachten te formuleren.

Vorig jaar had Kasper Holten in Londen al uitstekende beelden aangeleverd voor Don Giovanni's existentiële eenzaamheid en zijn pathologische beverjacht. Warlikowski doet precies hetzelfde, gaat daarin nog een stapje verder en laat zich daarbij inspireren door de film "Shame" waarin Steve McQueen nooit eerder aangeboorde bronnen van de menselijke drift laat zien met Michael Fassbender als de aan sex verslaafde Brandon in de hoofdrol.

En dus geeft Warlikowski Mozarts ouverture als soundtrack bij een video, gedraaid in zwart-wit, waarin hij een scène laat naspelen uit McQueens film : net als Brandon laat hij zijn aan sex verslaafde Don Giovanni spannend oogcontact houden met een meisje in de metro (dat later Zerlina zal blijken te zijn) en dat eindigt -typisch voor Don Giovanni's- met stomende sex in een hotelkamer. Vanuit de beide zijloges slaan de commandeur, zijn dochter en haar beide minnaars het tafereel gade. En iedereen in dit stuk wordt opgejaagd door opspelende hormonen. Zelfs de commandeur amuseert zich met een jonge blonde vrouw.

Daarvoor had een korte gemimeerde proloog reeds duidelijk gemaakt dat Donna Anna nauwelijks moet onderdoen voor Don Giovanni. Moeiteloos zapt ze van haar ietwat saaie verloofde naar haar meer opwindende minnaar. Vooral geeft ze blijk van een stevige vaderbinding, die maakt dat al haar relaties een kort leven beschoren zijn. Net zoals Kasper Holten maakt Warlikowski al snel duidelijk dat Donna Anna het hele verkrachtingsverhaal uit haar duim zuigt, iets wat voor Da Ponte's tijd een nog groter taboe was maar dat hij subtiel suggereert door Donna Anna een jaar uitstel te laten vragen aan haar verloofde Don Ottavio.

Met haar uitdagende attitude brengt ze haar vader in de problemen waarop deze door Don Giovanni wordt afgeknald, een impulsieve daad die hij meteen lijkt te betreuren.
De actie verlegt zich nu naar een bordeelachtige lounge, compleet met flipperkast en discobal en glimmend chesterfieldmeubilair die ook een dressing herbergt waaruit de Don zijn pakken plukt. Ook de veel te korte broek en de rode lakschoenen.

Jean-Sébastien Bou speelt Don Giovanni met de emotionele leegte van Brandon. Hij lijkt ook sterk op Michael Fassbender en lijkt om die reden te zijn gecast. Vocaal is Bou echter een maatje te klein. Zijn voordracht kan zelden boeien zodat sommige van de meest populaire aria's uit het stuk zoals de champagnenario of de canzonetta "Deh! vieni alla finestra" compleet de mist ingaan. Bou laat zich meedrijven door de vaart der dingen terwijl Mozart muziek schreef voor een libertijn die het heft in eigen handen neemt, voortdurend gedwarsboomd wordt maar met open vizier zijn morele straf tegemoet gaat. Hoe zou die andere Pool, Mariusz Kwicien , of een andere charismatische zanger als Simon Keenlyside of zelfs een macho als Erwin Schrott het door de regisseur gewenste personage invullen? Dat is de vraag waarmee je in deze productie blijft zitten.

Zijn favoriete kindvrouwtje, " la giovin principiante", speelt de onschuld met touwtjespringen. Regelmatig spookt ze door het beeld evenals de commandeur wiens herinnering hem kwelt.

Leporello is als zijn dubbelganger en tijdens de verkleedpartij is hij nauwelijks nog te onderscheiden van zijn meester. De catalogusaria houdt hij eerder ter bevestiging van de reputatie van zijn meester dan voor Donna Elvira die al snel wegvlucht na de monsterlijke onthulling. Andreas Wolf zingt een behoorlijke maar wat bleke Leporello. Rinat Shaham spartelt zich niet zonder moeite door de partij en krijgt haar wakkelend vibrato eigenlijk nooit onder controle. Haar spel is beter.

Een naakte zwarte danseres houdt het libido van de mannelijke toeschouwer op peil met een extatische danceact die tevens het eerste bedrijf prachtig afsluit. Minder geslaagd is de urenlange vermomming van meester en knecht als (ongewilde?) haatbaarden uit het TV-nieuws. Als het feest zijn kookpunt bereikt grijpt Don Giovanni naar een pistool dat hij tegen zijn slaap houdt. Een vrouw op leeftijd neemt hem het pistool liefdevol uit handen na zich eerst van rok en bloes te hebben ontdaan. Een krachtiger beeld van de Don Giovanni-mythe kan je moeilijk bedenken.

Grandioos wat een podiumdier als Barbara Hannigan allemaal tot stand weet te brengen. Haar faciale expressie kent geen grenzen. Tot tweemaal toe zal ze zich, met de katachtige lenigheid haar eigen, in de armen smijten van haar verloofde. Die verloofde ontlokt haar ook alle coloraturen van "Non mi dir, bell' idol mio" door haar oraal te bevredigen. Nooit zal u deze aria nog kunnen beluisteren zonder aan deze scène te denken. Hannigan kan hier ook tijdelijk vocaal schitteren. Want een Donna Anna is zij geenszins. Daarvoor ontbreken haar het volume en de evidente spinto mogelijkheden. Dat zij zich deze rol heeft laten aanpraten heeft ongetwijfeld alles te maken met Warlikowski. Tussendoor ambieert ze ook nog een carrière als dirigent.

Don Ottavio is geen watje en laat zich niet zomaar overtuigen door de overredingskracht van "Or sai chi l'onore" ook al moet hij dat met zijn hoofd tegen haar broekje aanhoren. Dat spoort niet volledig met de tekst van "Dalla sua pace" die daarop volgt maar hij laat zijn frustratie dan ook doorlopen tijdens de aria. Topi Letipuu, een man met behoorlijk wat Mozartervaring, lijkt af te stevenen op een stevige stemcrisis. Kon "Dalla sua pace" nog redelijk bekoren, zijn tweede showstopper "Il mio Tesoro" was bijna pijnlijk om aan te horen. Laat staan dat hij een "messa di voce" zou laten horen.

Hoe erotiek verweven is met onze eetcultuur krijgen we te zien in de laatste scène die door Peter Greeneway lijkt te zijn geïnspireerd. Als een sterrenchef hanteert hij het mes waarmee hij een klomp rosbief te lijf gaat, hetzelfde mes waarmee hij zichzelf de keel zal oversnijden. Zelden heeft "Vivan le femmine! Viva il buon vino! Sostegno e gloria d'umanità!" zo overtuigend geklonken.

Het moraliserende slotsextet, dat Mozart heeft moeten toevoegen om door de censuur te komen, wordt door Warlikowski netjes behouden. Met dit verschil dat hij het opvoert na het slotapplaus. Daardoor komt de akelige stilte na het verdwijnen van de Don te vervallen en komt het sextet extra uit de verf. Ook dat is een uitstekende vondst. Tijdens de slotmaten jaagt Donna Anna haar verloofde een kogel door het hoofd om vervolgens terug in de armen van papa Commanditore te sluipen.

Jean-Luc Ballestra als Masetto was uitstekend. Julie Mathevet als Zerlina was verrukkelijk, zowel qua spel als qua zang.
Whillard White is geen bas en miste bijgevolg de gravitas voor een echte commandeur.

Conclusie: vijf sterren voor regie en scène, 3 sterren voor zang en muziek, dat geeft een gemiddelde van vier. Soms wordt een eindoordeel bepaald door pure rekenkunde.

Nog te zien op de website van De Munt tot 27 januari :
Don Giovanni

16/18 december 2014

donderdag 20 maart 2014

De Munt : seizoen 2014-2015



Met zijn avontuurlijke programmatie (waaronder 2 beloftevolle creaties) lijkt Peter de Caluwe in Brussel een nieuwe gooi te willen doen naar de titel "operahuis van het jaar". Het zou hem nog wel eens kunnen lukken gezien het gebrek aan durf dat de norm lijkt in veel van de gevestigde operahuizen.

1. DAPHNE (Richard Strauss). Regie: Guy Joosten. Dir : Lothar Koenigs, Cast: Sally Matthews, Iain Paterson, Birgit Remmert, Eric Cutler, Peter Lohdahl

2. DIE ENTFUHRUNG AUS DEM SERAIL (Mozart). Concertant. Dir: Rene Jacobs,Cast: Robin Johannsen, Mari Eriksmoen, DAniel Behle, Julian Pregardien, Dimitry Ivashchenko, Cornelius Obonya

3. SHELL SHOCK (Nicholas Lens). Regie: Sidi Larbi Cherkaoui, Dir: Koen Kessels Cast: Claron McFadden, Sara Fulgoni, Gerald Thompson + Eastman Dance Company

4. DON GIOVANNI (Mozart). Regie: Krzysztof Warlikowski, Dir: Ludovic Morlot, Cast: Jean-Sebastien Bou, Willard White, Barbara Hannigan, Topi Lehtipuu, Rinat Shaham, Andreas Wolf, Julie Mathevet


5. FIERRABRAS (Schubert). Concertant. Dir: Adam Fischer. Cast: Steven Humes, Juliane Banse, Dietrich Henschel, Kurt STreit

6. TAMERLANO (Haendel). Regie: Pierre Audi. DIr: Christophe Rousset. Cast: Christophe Dumaux, Jeremy Ovenden, Sophie Karthauser, Delphine Galou

7. ALCINA (Haendel). Regie: Pierre Audi. Dir: Christophe rousset. Cast: Sandrine Piau, Maite Beaumont, Varduhi Abrahamyan, Sabina Puertolas, Daniel Behle

8. JACOB LENZ (Wolfgang Rihm). Regie: Andrea Breth. Dir: Franck Ollu. Cast: Georg Nigl, Henry Waddington, John Graham-Hall

9. IL BARBIERE DI SIVIGLIA (Paisiello). Concertant. Dir: Rene Jacobs. Cast: Topi Lehtipuu, Mari Eriksmoen, Pietro Spagnoli, ANdre Schuen, Fulvio Bettini

10. LE VIN HERBE (Frank Martin). Concertant. Dir:Hans-CHristoph Rademann. Cast: Anna Lucia Richter, Stella Doufexis, Marcel Reijans

11. PENTHESILEA (Pascal Dusapin). Regie:Katie Mitchell. Dir: Ludovic Morlot. Cast: Natascha Petrinsky, Marisol Montalvo, Georg Nigl, Roman Trekel, Eve-Maud Hubeaux

12. UN BALLO IN MASCHERA (G. Verdi). Regie: La Fura dels Baus (Alex Olle),Dir: Carlo Rizzi, Cast:Stefano Secco/Riccardo Massi, George Petean/Scott Hendricks, Tamar Iveri/Maria Jose Siri, Marie-Nicole Lemieux, Kathleen Kim


13. RACHMANINOV TROIKA (Rachmaninov). Regie: Kirsten Dehlholm. Dir: Mikhail Tatarnikov